Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De perfecte moord

Door Nancy Bastiaans- Lommen

We hebben Marja net van een zespersoonskamer naar ‘het voorportaal’ verhuisd. Niemand verlaat deze kamer levend maar zij kan de uitzondering zijn. Ze is klein en tenger, op haar buik na, die prominent naar voren bolt. Door het vocht in haar buikholte is het net alsof ze zwanger is. Haar oogwit is geel net als haar huid. Ernstig leverfalen staat in haar dossier. Daarnaast staat in grote rode letters de echte reden van haar aanstaande dood geschreven.

Tijdens mijn avonddienst neem ik even de tijd om bij haar te gaan zitten. ‘Marja, ik begrijp het gewoon niet. Wel dat het door het drinken komt maar niet dat je het opgeeft. Je bent toch gelukkig met Hans? En je zoon dan? Eindelijk hebben jij en Michael een veilige haven. Hij is toch ook gelukkig met zijn stiefvader?’
Ze kijkt me zelfverzekerd en met een heldere blik aan. ‘Mijn redding zal ook mijn ondergang zijn en jij weet goed wat ik daarmee bedoel.’ Het kost haar moeite om te praten. Ze hapt naar lucht en dat is mijn teken haar verder met rust te laten.
‘Truste, Marja.’
‘Welterusten.’

De volgende dag loop ik haar kamer op en kondig aan dat ik de katheterzak kom legen. Marja reageert niet. ‘Ze kan haar ogen amper openhouden,’ zegt Hans. Haar puberzoon Michael kijkt wezenloos voor zich uit. Op het blaadje boven haar bed schrijf ik op hoeveel ze heeft uitgeplast. ‘Dit is nog minder dan gisteren. Ik moet de dokter waarschuwen,’ zeg ik en kijk bezorgd van haar naar het gezin. Ze reageert nog steeds niet. Michael kijkt angstig, alsof de ernst van de situatie nu pas tot hem doordringt. Hans negeert mijn opmerking en praat over een ander soort broeders en zusters die in gedachten over haar waken. Ik krijg de kriebels van zijn gepreek en nog meer van zijn blik die op mijn boezem vast blijft plakken.

‘Ik kan hier niet meer tegen. Hij is een lul, een smiecht en een hypocriet,’ bries ik tegen mijn collega’s. ‘Ze ligt daar kapot te gaan en waarom, voor hem? Ze wil maar niet begrijpen dat zij hem en zijn enge circus niet nodig heeft. Ze gelooft niet eens echt, dat weet ik gewoon zeker,’ spuug ik er pissig uit. Petra pakt me bij mijn bovenarmen beet en zegt dat ik moet kalmeren. ‘Wij gaan hier niet over. Ik begrijp je gevoel maar het is haar keuze.’ Ik kalmeer maar sis nog na dat ik dat dus betwijfel en loop de zusterpost uit om met de arts visite te gaan lopen.
‘Mevrouw, als u een bloedtransfusie blijft weigeren, gaat u heel snel dood,’ probeert de arts voor de zoveelste keer. Het leven had al besloten uit Marja’s ogen te stappen. Haar lege blik staart de steriele ruimte in. Ik ruik de dood en zet nog snel het raam op een kier voordat ik achter de zuchtende arts naar buiten loop. ‘Ik wil haar echtgenoot spreken,’ zegt hij terwijl zijn zelfverzekerde houding wegzakt in verslagenheid.

Later die middag zitten we samen met Hans aan haar bed. Alle noodzaak en rede worden nog eens uit de kast getrokken, in een laatste poging haar te redden. ‘Jullie moeten goed begrijpen dat ik mijn vrouw en haar zoon gered heb. Ze hadden niemand meer. Ik heb haar verlost,’ zegt hij zalvend. Als ik naar Marja’s ogen kijk zie ik toch weer iets van leven. Ze spreken tegen me. Ze zeggen me te twijfelen, bang te zijn voor de dood, niet meer zeker te zijn van haar geloof in wederopstanding maar Hans overstemt ieder gesproken en onuitgesproken weerwoord. Dan sluit Marja haar ogen. Als ik later die dag bij haar ga kijken, weet ik dat ze nooit meer opengaan.

De volgende dag staat Michael ineens voor mijn neus.
‘Waar is mama?’
‘Weet je het niet? Heeft Hans je niets verteld?’
‘Ik heb Hans sinds gistermiddag niet meer gezien of gesproken.’
Zijn veranderende gelaatskleur verraadt, dat mijn indirecte antwoord tot hem is doorgedrongen. Woest ben ik en verdrietig maar dat mag ik niet laten merken. Ik hoor Petra’s stem in mijn hoofd drammen dat ik professioneel moet blijven. Toch kan ik mijn vinnige toon niet onderdrukken als ik Hans bel en zeg dat hij zich over zijn stiefzoon moet komen ontfermen.

Ik neem een slok van mijn bier maar het smaakt me niet. De gesprekken met mijn vriendinnen lopen ook al niet. Ik kan me niet concentreren op de laatste mode en liefdesperikelen en probeer tevergeefs afleiding te zoeken door naar de blije mensen op de dansvloer te kijken. Mijn gedachten dwalen steeds weer af naar Marja’s twijfelende blik. Bij de tweede bittere slok voel ik mijn woede weer opkomen. Wat een klootzak, het is zijn schuld. Ik ben zo boos, dat ik hem zelfs verderop denk te zien staan, met in iedere hand een pils en tussen een tweetal schaarsgeklede vrouwen. Ik schud mijn hoofd. Nee, dat kan niet. Als ik nog eens goed kijk, val ik hard van mijn geloof in de mensheid. Meneer de redder, staat hier alles te doen wat zijn overtuiging hem verbiedt. Is zij hiervoor gestorven? Zodat hij kan flierefluiten in naam van Jehovah?
Hij komt weg met de perfecte moord en ik kan niets anders doen, dan met mijn net bestelde dienblad vol drank ‘per ongeluk’ tegen hem oplopen.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam