Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De pier

Door Henrieke Koelewijn

Het was augustus 1963. De jongens hadden zich omgekleed tussen het riet aan de rand van het meer. Ze hadden hun kleren daar achtergelaten en keken er niet meer naar om. De pier was aan de flanken op gelijke hoogte met het water. Erbovenop lagen niet meer dan een paar losse tegels verspreid over het zand, dat door natte voetstappen veranderd was in een cementachtige drab. Er voorbij zwom niemand meer.
Wout was de jongste en kon niet zwemmen. Hij stond onder toezicht van zijn broer, Henk, en het zag er niet naar uit dat die hem zou uitnodigen om het te proberen. Toch was het niet zo dat zijn broer geen aandacht aan hem schonk, integendeel. Hij was voortdurend met hem bezig. Uit ongenoegen over het feit dat hij hem op sleeptouw moest nemen, had hij zich ’s ochtends voor de spiegel krachtig voorgenomen om niet op hem te letten, zoals hij zich wel vaker krachtig dingen voornam. Hij begreep niet dat het desondanks niet lukte. Zijn blikken dwaalden steeds weer naar hem af en pas als ze beantwoord werden, werd hij zich daarvan bewust en voelde zich betrapt.
Wout protesteerde niet tegen het verbod van zijn broer. Daarvoor was hij te passief, een eigenschap die hij zijn hele leven niet kwijt zou raken. Want ook in zijn latere leven, toen hij dik was geworden en lui, zou hij nooit de behoefte voelen om actiever of opstandiger te zijn. Hij sleet zijn dagen voor de televisie en liet alle beslissingen over aan zijn vrouw.
Die ochtend zat er voor hem niets anders op dan toekijken. Zijn armen hingen slap langs zijn lichaam en zijn handen waren uit gewoonte tot kleine vuisten gebald. Zijn ruggengraat was hol en zijn borstkas stond een beetje omhoog. Hij had honingblond haar dat in zijn puberteit zou veranderen in karamelbruin, maar dat nooit zwart zou worden, zoals het haar van zijn broer en zijn vader. Zijn gezicht was meisjesachtig maar ook gedrongen.
Hij was twee jaar jonger dan zijn broer en de jongste van vier kinderen. De eerste twee kinderen waren inmiddels volwassen. Aan de zwangerschap van Henk was een periode van tien jaar voorafgegaan waarin zijn moeder geen kind had gedragen.
Omdat Henk en Wout in leeftijd weinig van elkaar verschilden en omdat het leeftijdsverschil met hun oudere broer en zus zo groot was, ging iedereen er van uit dat ze een van nature sterke verwantschap hadden. Om dit te benadrukken kregen ze met verjaardagen dezelfde idiote matrozenpakjes aan en ze werden er altijd samen op uitgestuurd, nooit alleen.

Henk was nu zeven jaar. Hij had zwart haar, een bleekgele huid en grote oren. Van de vier leek hij het meest op zijn vader. De twee oudere kinderen hadden ook zwart haar en grote oren, maar zij hadden meer van hun moeder weg.
Qua karakter was hij pietje precies en wantrouwig. De eerste eigenschap veranderde nooit, de tweede zou hij in zijn puberteit voorgoed kwijtraken.
In zijn verdere leven zou hij altijd op grote weerstand stuiten. Zijn vertrouwen werd op de een of andere manier altijd geschaad. Ook vergde hij teveel van zijn lichaam door te lang en te hard te werken in een vervuilde omgeving. Als kind had hij last van astma en het was bijna veertig jaar later dat hij bronchitis kreeg en bloed begon op te hoesten. Hij was toen constructiebankwerker bij een bedrijf in civiele technieken in Waddinxveen. Met Wout had hij bijna geen contact meer. Ze kwamen elkaar alleen nog tegen op bruiloften en begrafenissen en spraken dan niet met elkaar. Ze lieten dat over aan hun echtgenotes, Rika en Janny, die ook een hekel aan elkaar, elkaars echtgenoot en elkaars kinderen hadden, maar die beter wisten hoe ze daarmee om moesten gaan.

Toen Henk kopje onder ging had hij zijn ogen dichtgeknepen en hij durfde ze pas te openen toen hij bijna geen lucht meer had. Het water had een gelige kleur, veroorzaakt door opwervelende slibdeeltjes en algen die aan de oppervlakte olieachtige vlekken vormden.
Wout was erbij gaan zitten. De zon brandde op zijn rug en maakte hem een beetje suf. Met een takje tekende hij in het zand. In de verte klonk het geluid van heipalen die aan de oostzijde van het dorp in de grond werden geslagen. Na een tijdje werd hij in het zachte dreunen plotseling de stem van zijn broer gewaar. Hij keek op.
‘Kom, Wout! Kom dan!’ riep Henk.
Hij stond tot zijn borstkas in het water. Om hem heen waren andere kinderen aan het zwemmen en spelen, onder wie twee van Henk’s schoolvrienden: Arie van Diermen en Henkie den Hartigh.
Wout stond op en liep naar de rand van het water. Voorzichtig begon hij toen verder te lopen. De bodem langs de kust was van rotsachtig steen. Het was begroeid met mos dat glad aanvoelde onder zijn voeten. Op een bepaald moment bleef hij stilstaan. Hij kon van hier uit verder gaan en als het ware de diepte inlopen, maar hij durfde niet.
Toen was het Henk die de broodkar “Brood Koek Van Nelle” van hun vader herkende en even later hun vader zelf, iets verderop.
‘Papa!’ riep hij.
Hun vader was een statige man, zelfs op een gewone werkdag als deze, in zijn groezelige boezeroen, oude broek en versleten schoenen.
Hij was de laatste jaren dikker geworden. De ronding van zijn buik was duidelijk zichtbaar in de dunne stof, maar de omvang ervan werd gecompenseerd door zijn lengte.
‘Je moeder heeft me gestuurd,’ zei hij.
Daarna was hij dicht bij het water gaan staan, het water dat hij tot zijn elfde als een zee had gekend. Zijn schoenen werden nat, maar hij leek dat niet in de gaten te hebben. Soms leek het alsof hij niet helemaal stevig stond en zichzelf dan moest herpakken om zijn evenwicht te hervinden, een soort desoriëntatie. Misschien had hij gedronken.
Hij mompelde iets over de hitte en zei: ‘Laat eens wat zien.’
Die middag leerde Henk Wout zwemmen. Hun vader stond aan de kant, met zijn handen in zijn zij en zijn hoofd enthousiast naar hen toe gebogen, en keek toe. De sigaretten die hij rookte belandden een voor een in het water. Soms moedigde hij hen aan, meestal was hij stil. Henk kende hem genoeg om te zien dat het zijn goedkeuring verdroeg, Wout was nog te jong om dat te zien en zou misschien nooit over zulke dingen nadenken.
Het werd laat op de middag. De zon stond nu lager aan de hemel en brandde minder fel. Henk begon zich te vervelen en begon Wout uit te dagen. Hun vader leek het niet echt in de gaten te hebben, in elk geval stoorde het hem niet. Hij grijnsde afwezig. Zijn ogen waren klein en glimmend. Zijn gezicht had diepe groeven, in zijn voorhoofd, onder zijn ogen en in zijn mondhoeken. Hij had zijn golvende haar naar achteren gekamd waarbij twee inhammen bij de slapen zichtbaar waren en waardoor zijn voorhoofd hoog leek. Zijn haar was echter nog altijd zwart en stak scherp af bij zijn bleekgele huid. Zijn lippen waren vol en gaven zijn gezicht iets joviaals.
De broers begonnen aan elkaar te trekken. Henk begon Wout onder te duwen. Wout verweerde zich door Henk onder water te knijpen. Hun vader had het eerst niet in de gaten, totdat Wout begon te huilen en het water uitkwam om steun te zoeken bij zijn vader.
‘Hou op met huilen,’ zei hun vader en hij gaf hun allebei een platte koek uit de eikenhouten bak die aan de fiets was bevestigd.
Toen ze hun koek op hadden zei hij dat hij weer moest gaan.
Zijn jongste zoon trok aan zijn broekspijp en zei: ‘Ik ga mee.’
‘Nee, nee,’ antwoordde hij snel, voordat zijn andere zoon ermee zou instemmen die veel vasthoudender was. ‘Ik ga alleen.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch