Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De rups

Door Heleen Croonen

‘Dat ding is levensgevaarlijk’, zegt oma. Ze zet zich schrap, terwijl ik aan haar hand trek. Voor ons staat ‘de rups’. Hij lijkt meer op een rij lieveheersbeestjes dan een rups, met zijn acht aaneengeschakelde rode karretjes met zwarte stippen. De rails maakt geen loopings of kurkentrekkers. Hij gaat een heuvel op, hij gaat een heuvel af, hij draait een rondje en hij gaat drie kleine hobbels over.

Na lang zeuren zijn we eindelijk in ‘Tivoli’, een pretpark bij Nijmegen. Het ruikt naar hars door de hoge naaldbomen om het park en naar suikerspin. Maar oma wil nergens in. Het opvissen van een badeendje voor 5 gulden vindt ze te duur. De schiettent doet haar denk aan de Duitsers. Maar de rups, dat is toch het minste. Anders hadden we net zo goed niet kunnen gaan. De jongen die het poortje bij de ingang openhoudt, kijkt ons verveeld aan.

‘Ik ben al in de python geweest’, zeur ik tegen oma.

‘Gaat u mee, of niet?’, vraagt hij. Twee meisjes wurmen zich langs ons en stappen in een van de karretjes. Ze lachen.

‘Ik kan ook alleen gaan’, stel ik voor.

‘Geen sprake van’, zegt oma. En ze stapt met haar vierkante dameshakken in het wagentje. Ik ga naast haar zitten en de jongen trekt de beugel naar ons toe. De stang blijft een flink stuk van mijn buik af staan, want oma houdt haar handtas op schoot. Ik ruik haar Elnette haarlak. Iedere avond zet ze een steelpan op het vuur met harde plastic krulspelden. Die draait ze in haar schouderlange haren. ‘s Ochtends haalt ze alles weer uit en fixeert ze de krullen met hairspray. Ondanks al dat werk gaat ze nooit naar buiten zonder hoed. Ze noemt mij altijd ‘vrouwtje’. Ze wil mij beschermen tegen mannen, auto’s, Duitsers en nu dus tegen de rups.

De jongen drukt op de knop en de rups komt in beweging. Langzaam gaat hij de heuvel op. Oma legt een arm om mijn nek. Haar bontsjaal prikt tegen mijn wang. De vossenkoppen aan de uiteinden van de sjaal hangen over haar schouder, de pootjes ernaast. De ogen zijn gemaakt van kleine glanzende kralen. ‘Als ik later dood ben, mag jij deze sjaal hebben’, heeft oma beloofd.

De eerste karretjes rollen van de heuvel af. De rups neemt een vaartje. Oma trekt me in haar elleboog naar zich toe, ik voel dat mijn keel wordt samengeknepen. Ik wil haar waarschuwen, maar als ik kijk, zie ik dat haar mond wijd open staat. Dan klinkt er een pijnlijke huil. De huil gaat door bij alle heuvels en hobbels van de twee rondes die de rups maakt over de achtbaan. De huil houdt pas op, als de rups stil staat bij de jongen met de knop. Ik duik weg voor de blikken van de meisjes die ons verschrikt aankijken.

‘Dat was levensgevaarlijk’, drukt oma de jongen hijgend op het hart.

Ik weet niet waar ik nu in wil. In ieder geval iets waar oma rustiger van wordt. Een man staat in de schiettent met een geweer op zijn schouder. Zijn vriendin naast hem heeft een hoog kapsel met krullen. Hij knalt op de ronde schietschijfjes, waarop een man piano gaat spelen. Hij schiet opnieuw en drie Mexicanen duiken weg achter een bosje. Zijn vriendin streelt zijn bil met haar hand. Dat zullen wel Duitsers zijn. Dan zie ik een hoge kraam met skeletten en een rij karretjes.

‘Zullen we daarin gaan?’, vraag ik, terwijl ik oma’s blik peil.

‘Spookhuizen zijn grappig’, zegt oma, tot mijn verrassing.

Niet veel later rijdt ons karretje door de klapdeuren. Achter ons slaan de deuren dicht en is het aardedonker. Het karretje maakt piepende geluiden over de rails.We worden ruw naar rechts getrokken in de eerste scherpe bocht die het karretje maakt. Dan vallen er twee rafelige spoken naar beneden. De schrik jaagt door mijn buik, maar oma moet lachen. Ze heeft onwaarschijnlijk rechte witte tanden, zoals veel dames van haar leeftijd. Op haar twintigste had ze al een kunstgebit. Het karretje trekt op. ‘Huuuh’, lacht oma. Lichtflits. Een schot. Ik duik naar beneden, maar er is geen ruimte in het karretje. Nog een schot. Oma zegt ‘Hoeh’ en lacht opnieuw.

We nemen weer een scherpe bocht en rijden een saloon in. Een man speelt ragtime op de piano, net als in de schiettent. We stommelen erop af, als er weer een knal klinkt. Ik grijp oma’s arm. De harde neus van het vosje drukt in mijn wang. Twee cowboys staan naast de uitgang van de saloon en houden hun pistolen op ons gericht. Ik hap naar adem als we afstevenen op de klapdeuren en onder veel geknal de saloon verlaten.

Oma hinnikt nog wat na, als ik een zachte kriebel op mijn hoofd voel. ‘Dat lijkt wel pluche’, zegt oma. Een lichtflits. Overal om ons heen zijn wollige zwarte spinnenpoten. Ik kan niet anders dan krijsen. Wanneer is deze rit in godsnaam afgelopen? De kar draait weer. Een koude luchtstroom blaast in ons gezicht. Dan verschijnt boven ons hoofd een groot neonkleurige kop met holle ogen en een witte rij tanden. Een schedel. Een doodshoofd. Dood. Hoofd. ‘Ik wil eruit’, krijs ik.

De klapdeuren gaan open. We rijden de hoek om en staan met een schokje stil. Mijn armen zijn stijf en koud. Ze liggen op de beugel. Tussen de naaldbomen zien we de rups weer langzaam de heuvel op rijden. De Duitsers zijn nog aan het schieten in de schiettent. Een kind krijgt een grote troetelbeer bij de badeendjeskraam.

Oma hikt nog na van het lachen. ‘Wat een schik, oe wat een schik’, hinnikt ze, terwijl ze de vossenkopjes van haar sjaal weer tegen elkaar aan legt. Dan kijkt ze opzij. ‘Maar vrouwtje, gaat het wel?’

‘Dat was levensgevaarlijk’, zeg ik.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch