Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De TARDIS

Door Alain De Kinder

Oneindig zat in een compartiment in de trein van Schaarbeek naar Noord-Holland, aan een schakelaar te frunniken die je alleen mocht indrukken in noodgevallen. Hij had het glas er met zijn zakmes afgepeuterd en speelde nu met de mogelijkheid om op de zwarte, rubberen knop te drukken.
Hij wreef zachtjes op de zwarte, rubberen knop en geeuwde.
Oneindig was ondankbaar en hebzuchtig en de enige film waar hij werkelijk van hield – en waar hij iets van opstak – was The Barefoot Contessa, met Humphrey Bogart. Oneindig bogartte zijn joints, daar wezen zijn vrienden hem op – hij had slechte gewoontes. Zo kauwde hij kauwgom als hij op het matje werd geroepen, bijvoorbeeld vroeger op school bij de directeur. Hij had leren autorijden en liet zijn banden dan gieren bij het vertrekken en halthouden. Hij schraapte zijn keel tijdens gesprekken waar er een stilte van je verwacht werd, wanneer er bijvoorbeeld over het heengaan van een vertrouwde of geliefde gesproken werd.
Oneindig zette nooit zijn iPhone af, ook niet nu een passagier voor hem, een vrouw, hem probeerde te vragen wanneer de halte Wippelgem kwam en hoe ver dat nog van de driehoek Aartselaar-Kontich-Reet was. Oneindig vreesde dat de vrouw op de verkeerde trein zat, maar hij liet haar in de waan. Oneindig droeg een vaal geworden wit t-shirt met daarop in zwart de woorden…

Keep your cows
I want change

Er waren altijd ritselaars in de wereld, een diffuus dat zich organiseerde in de heimelijkheid van straat- en pijnbanken. Het woord ‘cows’ verdoezelde bijna een zeugma in de slogan op het shirt, want de letters ‘in’ van het oorspronkelijke ‘coins’ waren uitgevaagd en door het vele dragen veranderd in een ‘w’, zodat je ‘cows’ kreeg in plaats van ‘coins’. Oneindig was niet te beroerd om te bedelen. Hij was dakloos.
Oneindig hield van zwarte Iberische varkens, tenminste indien geroosterd aan een spit boven de benzinevaten achter het slachthuis, waar vagebonden en de zwervers planken en vodden in verbrandden. Je kent die brandtonnen wel.
Het was winter en ze stonden zich allemaal te verwarmen aan de vaten.
‘Ze hebben Lucien opgepakt ‘ zei Charel, Oneindigs straatmakker.
‘De schoften,’ zei Oneindig.
Het kon nog slechter. Er kwam een slachter het slachthuis buiten en smeet plastic zakken met varkensresten in het steegje. De zwervers en vagebonden wachtten tot de man een ijzeren deur dichtsloeg.
Toen stortten ze zich op de varkensresten om ze te braden op een kapot rooster dat ze op een brandton legden. De slachter was een schlemiel, in zijn vieze, witte schort. De locatie van het slachthuis kwam volgens Google Earth overeen met een plek waar katten en honden kaka kwamen doen en waar het stonk naar rotte aardappelen. Google Earth kwam niet met reclamebanners opdraven om de stek te bewieroken.
Oneindig schreef een cyclus gedichten, waar niemand iets van wist. Hij deed dat ook nu, in de trein. Hij woonde nog in het Kemelhuis van de beginnend schrijver ; dat wil zeggen : er lagen geen boeken van hem in de winkel, zijn denkbeeldige werken ontbeerden een dak boven het hoofd. God bedoelde dit niet denigrerend, vermoedde Oneindig, maar God maakte spellingfouten en denkfouten, ging van de hak op tak en niemand had een stuiver veil voor Zijn opwerpingen. Noch kon je volgen waar het nou precies over ging, in het Vagevuur en in de Bijbel en zo.
Daarom schoot ook Oneíndig kemels, omdat hij zo’n slecht leermeester had, die zich schuldig maakte aan uit de bocht vliegende parabels, overbodige verfraaiingen en foute veronderstellingen. Al zat er een Checkpoint Charlie in de Bijbel, de muur van Jericho was gevallen, verschrompeld onder het geluid van klaroenen.
Oneindig droomde ervan op een dag Berlijn te bezoeken, wat hem een reusachtig dorp leek, naar hij op plaatjes in de bibliotheek had gezien. Met mooie straatstenen. Oneindig zat te pennen met een aftandse balpen. Hij schoot kemels, zijn stijl was hortend en barok. Het Kemelhuis was een passend logies. Je schoot er niets mee op, als je las wat God schreef. Zijn gedachtenverbindingen waren bizar en Zijn personages waren seksistisch, vuilbekkend, schunnig en misantroop. Oneindig aanbad de Duistere met gebedhanden en daverde, met een balpen die eigenlijk stuk was aan het plastic riet, op een blad papier.
Oneindig schreef woorden waarvan het papier begon te schudden, nog meer dan van de schokkende knieën waarop Oneindig met moeite zijn blad platdrukte – een tektonische siddering ging door de trein heen.
Zodat alles in hanenpoten veranderde. Maar hoe meer Oneindig schreef, en dat deed hij, hoe beter zijn werk werd.
Oneindig leefde op straat van blikjes bier en oud brood dat hij van een bakker kreeg. Hij klom over een hek achter de supermarkt, waar hij plastic verpakkingen hamsterde, die over tijd waren, maar die, hoewel weggeworpen, perfect eetbaar waren. In het daklozencentrum was er een eetzaal waar in hout een Rubenscantate, de notenbalk daarvan, geëtst was, een zaal met een hoge lambrisering, een hoedenplank, een memobord waarop Oneindig met viltstift gedichten schreef en houten tafels met een gearceerd, wit blad, dat Oneindig aan zijn schooltijd deed denken.
Er prijkten ook bustes van oude parochianen en pastoors in die eetzaal, steeds vergezeld van een notenbalk en een solsleutel. Er hing een rode, moderne brandblusser en er zat een oude, zwarte schakelaar in de wand. Het was onduidelijk waarvoor die schakelaar diende of gediend had, want het ding was overdekt met stof.
Die schakelaar was net een krakkemikkige galg. Aangeknipt flitste er het mes van een guillotine naar beneden. Het was een hangende koord met een strop erin, waaronder een stoel werd weggetrapt. Als je het aanknipte, hoorde je het geluid van een mes dat in een plank viel.
De ziel was altijd jong, vond Oneindig, waarom was het dan dat hij zich door God continu iets aangesmeerd voelde ? God had zeker ook problemen met Zijn geheugen, want hij vergat wat mensen goed deden en wat slecht.
Godsdienst was beschouwend, een raadsel waarom je dat zo apprecieerde. Het Kemelhuis was overal. Oneindig was zuinig en had het geld dat hij bedelde, en stal, niet eens nodig om bij een oude vriend alles op een computer uit te tikken en uit te printen. Die vriend heette Said en had een buitengewoon knappe dochter, Noor.
Noor las in een beduimeld, vergeeld exemplaar van The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy.
‘Waarom ?’ vroeg Said eens.
‘Een lezer kan meer dan je denkt,’ antwoordde Oneindig mysterieus.
Noor was een drakenjong zonder meester. Het leven op straat was zwaar en er was zoveel waar Oneindig zijn vampierentanden in zette. Er waren ook zovele dingen vuil en geïnfecteerd.
Oneindig was als een astronaut die water gerecycleerd uit zijn urine in een glas pompte, het goedje even in zijn mond liet tollen, alsof het brandy was, alvorens het dan door te slikken. Er groeiden schubben op Oneindigs rug en hij kreeg een staart waarmee je je evenwicht bewaarde. Noor, die een blik wierp in Oneindigs gedichten, zei dat zij van ‘het’ doolhof erin hield.
Niet ‘de’.
Wat jammer, dacht Oneindig. Hij had al zoveel over doolhoven geschreven, waarbij hij altijd het lidwoord ‘de’ gebruikte. Pas later las Oneindig in de bibliotheek, waar iedereen hem vreemd bekeek, dat beide vormen correct waren.
‘De’ en ‘het’ doolhof.
Oneindig droeg dezelfde kleren en waste zich maar een keer in de week, in het armenhuis, waar een gaarkeuken was met dampende soep en een portie bonen en aardappelen.
Oneindig had ooit zelf een computer, maar dat was een eeuwigheid geleden, toen hij nog solliciteerde. In die tijd groeide zijn tv-verslaving, daar had je Stievie voor, waarmee je zogenaamd achteruit kon kijken, programma’s van een dag geleden.
Oneindig hield van CSI Los Angeles en Twelve Monkeys. Hij dacht dan aan zijn gedichten en begreep : een eerste zin moest een natte dweil in het gezicht van de lezer zijn, een mop pas geslaagd als ze ook in Friesland op lachen werd onthaald. Oneindig wist niet wie dit allemaal gezegd had noch waarom, hij taalde er niet naar. Getallen tot 100 moest je in een gedicht uitschrijven, hoorde hij, wat een nonsens. Dit was de knoop waarin Oneindig verstrikt zat, want zijn gedichten wemelden van cijfers die hij algebraïsch en Arabisch wist.
De duivel die Oneindig trachtte te bezweren in zijn poëzie gaf hem een uppercut, en Oneindig viel herhaaldelijk knock-out tegen het canvas, net wanneer Rose Rouge van St-Germain speelde in zijn hoofdtelefoon, twee draadjes met dopjes die in zijn onderhemd verdwenen, dat gestikt, gestreken en gestoomd was.
Maar ook dat was een eeuwigheid geleden.
Een van de voordelen van op straat te wonen, onder een karton, in het getto, was dat je mocht glimlachen wanneer je dat wilde, zelfs als het niet aangewezen was.
Je mocht bulderen van het lachen, want je was in se altijd alleen, niemand hing aan je lippen, keek op je vingers of viel je lastig.

1 reactie

Leonieke Baerwaldt

maandag, 12:23

Mooi verhaal Alain!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch