Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De tuin van Jelena

Door isra fenner

Het soort onbehagen dat ontstaat wanneer de vertrouwde wereld aan het wankelen gaat, ervoer ik voor het eerst in de zomer waarin ik zes werd. Naar jaarlijkse traditie kwam onze familie toen samen op het landgoed van grootmama Jelena. Zeven tantes had ik en zes ooms. En zeker vijfendertig neven en nichten. Al kunnen het er meer geweest zijn, het exacte aantal heb ik nooit gekend. Die zomer vierde grootmama Jelena haar negentigste verjaardag met een groots feest. Weken op voorhand al waren mijn ouders in de weer. Talloze koffers werden gepakt met cadeaus uit de landen die mijn vader dat jaar had bezocht. Mijn zus oefende danspassen en liederen, hoewel ze niet goed kon zingen. En ik kerfde de namen van mijn neven in de houten zakmessen die ik hen plechtig zou overhandigen.

Het landhuis was groot genoeg om iedereen onderdak te bieden. Het hoofdgebouw telde twintig slaapkamers, elk met een eigen badkamer. In de beide zijvleugels sliepen zeker honderd mensen. En dan waren er nog de personeelsvertrekken onder het dak, maar daar mocht ik niet komen. Ik sliep met mijn neven Alexi en Theodor op de eerste verdieping van de zijvleugel. Ze waren iets ouder dan ik, we hadden samen ons initiatiefeest gedaan. We zaten ook op hetzelfde pensionaat. Ik beschouwde hen als mijn grote broers. Het was een tweeling, maar je kon ze gemakkelijk uit elkaar houden. Aan de linkerhand van Alexi ontbrak namelijk een vinger. Hoe dat kwam, heb ik eigenlijk nooit geweten. Mijn neven vertelden enge verhalen over reptielmensen die vingers en andere lichaamsdelen opaten in de nacht. Ook al deed ik alsof ik hen niet geloofde, diep van binnen was ik best wel bang.

Onze kamer keek uit op de binnenkoer waar de gasten arriveerden. De avonturiers in open rijtuigen, zij die van ver kwamen in blinkende wagens. We klommen in de zware, stoffige gordijnen en sloegen de bedrijvigheid urenlang gaande. We lachten ons te pletter met de hoeden van de dames en keken op naar de heren die statig sigaren rookten. Oom Fedor, mijn favoriete oom, verscheen in een cape die wild achter hem aan fladderde. Zijn baard was nog langer geworden en zag nu helemaal wit. Terwijl ik me verheugde op de nieuwe avonturen die hij ’s avonds vast zou vertellen, werkten Alexi en Theodor ijverig aan een ranglijst van knapste bediendes. Er zaten heel wat jonge meisjes tussen, ze droegen lange zwarte jurken met een witte kanten schort. Hun haar was opgestoken in twee vlechten. Blonde lokken kregen hoge punten, maar over tailles was minder eensgezindheid. Ik keek toen nog niet naar de meisjes, ze deden me aan mijn zus denken. De lakeien daarentegen fascineerden me mateloos. Ze lachten nooit. De flappen van hun pandjesjassen leken op de bokkenstaarten uit het donkere schilderij van de verdoemden dat in mijn vaders werkkamer hing.

Bij valavond waren alle genodigden aangekomen. Tijdens een korte maar plechtige ceremonie onthulden de tantes een levensgroot portret van grootmama Jelena en zong iedereen haar luidkeels toe. Mijn zus deed samen met enkele nichtjes een dans op pianomuziek. Daarna begon het diner. In de grote zaal stonden lange tafels met kleurrijke gerechten. Tussen de hertenragout, gefileerde stekelbaars en ijskersen ontdekte ik dieren die ik tot dan toe alleen in prentenboeken had gezien. Theodor beweerde stellig dat de apensteak op mijn bord krioelde van oerwoudwormen die zich ’s nachts zouden vermenigvuldigen in mijn darmen. Omdat ik er niet helemaal gerust in was, zocht ik oom Fedor op. Als iemand iets over wilde dieren wist, was hij het wel. Na een carrière als grootindustrieel was hij naar Canada verhuisd om rendierhouder te worden. Hij had zich gevestigd in een Inuit-dorp, waar hij getrouwd was en tien kinderen had grootgebracht. Niemand had zijn gezin ooit gezien. Volgens oom Fedor was ons zonlicht te warm voor hen. Het zou hun pigment doen smelten en dan zouden ze sterven.

Na lang zoeken trof ik hem in de kleine salon. Mijn ooms en tantes hingen onderuitgezakt in de lederen zetels en vertelden honderduit over het afgelopen jaar. De ramen stonden wagenwijd open, het was een warme avond. Mijn ogen prikten van de tabaksrook die in dikke wolken door de kamer dreef. Oom Fedor dacht dat ik huilde en trok me op zijn schoot. Hij rook naar dor gras en zoete bessen. Onder zijn borstelige wenkbrauwen knipoogde hij, waarna hij zijn verhaal over de beer afstak. Ik kende het van buiten, hij had het al honderden keren verteld. Over de nacht die de hele dag aanhield en de wind die de ijspegels in zijn haren tegen elkaar schuurde. Over de kou en het hondenvlees. Over de beer die op een nacht hongerig aan zijn tent klauwde. En over die ene seconde waarin hij zijn harpoen trok en zijn hart stilstond. Om zijn relaas te bekrachtigen, kwam hij met een stinkend bruin vel aanzetten dat hij om zijn schouders drapeerde. Ik hing aan zijn lippen. Maar de tantes lachten hem uit en zeiden dat het een schapenvel was. Ze begonnen te blaten. Tranen liepen over hun wangen. Grootmama Jelena, die normaal niet veel zei, verwarde het geluid van een schaap met dat van een varken. Toen kwamen ook de ooms niet meer bij. Hun gezichten werden zo rood dat ik bang was dat ze zouden ontploffen. Oom Fedor keek hulpeloos in het rond. Hij barstte in tranen uit en liep jammerend de tuin in. Ik zocht de ogen van mijn ouders, ze keken niet terug. Te midden van het gegier glipte ik weg, mijn oom achterna.

Tot in de verste uithoeken van de tuin hingen lampions en brandden fakkels. Een orkest speelde zigeunerliederen, de houten dansvloer kraakte onder het wilde gestamp. Theodor zwierde een meisje in het rond, Alexi staarde hem langs de kant boos aan. Misschien kwam het door die vinger dat hij geen danspartner vond. Een beetje verder stond een houten burcht met een klimrek, hangbrug en torentje. In de oude zomereik hingen schommels. Je kon zelfs een ritje maken op een echte ezel, maar door het tumult was hij driftig en balkte hij onafgebroken. Alle kinderen waren nog wakker. Mijn zus demonstreerde pirouettes, hier en daar zwaaide iemand naar me. Een jongen die ik niet kende vroeg om zijn driewieler te bewaken terwijl hij ging plassen. Maar ik had geen tijd en liep dieper de tuin in. Hoge struiken deden het feestgewoel geleidelijk aan verstommen. Bij een bosje rododendrons hoorde ik geritsel en onderdrukt gelach. Toen ik oom Fedors naam riep, werd alles weer stil. Ik had geen idee welke richting hij was uitgelopen. De hemel was helder. Ik kon Orion zien, het enige sterrenbeeld dat ik toen kende.

Waar de boomgaard begon, werd ik een beetje bang. Maar de geur die tussen de kersenbomen hing, een aroma waarin de warmte van de dag opging in de koele avondlucht, trok me als een onzichtbare hand vooruit. De bomen leken met me mee te stappen. Met hun takken tikten ze elkaar op de rug of schouder. Als ik sneller ging, liepen ze mee. Vertraagde ik, dan sloften ze als olifanten in het zand. Na een tijdje doemde de bakstenen muur op die de boomgaard begrensde. Via een gammele houten poort kwam ik in de weide waar de schapen graasden. Ze namen me nieuwsgierig op, maar bleven uit mijn buurt. Ik stak de weide over. Waar de grond afhelde, begon ik te rennen.

Zo bereikte ik de rivier die het landgoed van grootmama Jelena doorkruiste. Aan de oever ging ik zitten, het gras was nat van de dauw. De lichte deining vervormde mijn spiegelbeeld, dat er in het maanlicht vaal en vreemd uitzag. Ik ademde geluidloos. Nog nooit was ik zolang alleen geweest. De spookachtige rust beviel me en ik vond mezelf best wel dapper. Tot plots een luide plons weerklonk. Ik schrok me een ongeluk. Gillend sprong ik recht. In het midden van de rivier stak oom Fedors warrige haarbos omhoog. Hij sloeg wild om zich heen, ging regelmatig kopje onder, maar kwam telkens proestend weer boven. Ik was bang dat hij zou verdrinken en wou hem achterna duiken. Maar ik kon nog niet zwemmen. Dus riep ik hem, sprong op en neer, zwaaide mijn armen bijna uit de kom. Geen enkele reactie. Hij leek me niet te zien. Met wakke knieën staarde ik naar mijn oom in de rivier. Dan begon hij te zingen, steeds luider, hij leek wel een brullend nijlpaard. De woorden begreep ik niet, misschien was het in de taal van de Inuit. Toen hij uitgezongen was, stapte hij de oever op. Met een lege blik ging hij naast me door, alsof ik er niet was. Zijn kleren lagen een eindje verder. Toen ik zijn naam zei, strompelde hij zonder omkijken van me weg.

Alexi sliep toen ik de kamer binnen sloop. Theodors bed was leeg. Die nacht was ik niet bang van reptielmensen of oerwoudwormen. Ik was bang van de grote mensen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch