Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De Verleiding

Door Marône Welbergen

Omringd door een bedrukkende duisternis probeer ik uit te vinden waar ik ben. Voetje voor voetje loop ik vooruit met mijn armen naar voren gestrekt, op zoek naar kenmerken om te herkennen. het donker laat me niet toe om ook maar iets te zien. Meer dan dat. Ik voel het mijn hoofd overnemen, mijn longen. Tranen springen in mijn ogen terwijl ik hap naar lucht. Mijn benen beginnen te rennen zonder richting. Net als ik, weten ze niet waar naartoe. ‘Weg van hier.’ Is het enige dat ik nog kan denken. Plotseling begint het te duizelen. Ik voel de grond onder mijn voeten wegzakken. Een langgerekte kreet is het laatste dat ik nog uit kan brengen voor ik mijn bewustzijn verlies.

Met een harde klap kom ik weer op vaste grond terecht. Ik voel de wind langs mijn lichaam gaan. Het koude gras prikt in mijn gezicht. Met mijn ogen strak dichtgeknepen probeer ik te bepalen hoe ik er aan toe ben. Ik adem diep in en slaak een zucht van verlichting. Voorzichtig sta ik op en klop het gras van mijn benen. Om me heen zie ik alleen maar bomen, hoge donkere bomen. Een koude rilling glijdt van mijn nek, over mijn rug naar beneden. Het hele bos is kleurloos. Ik wrijf in mijn ogen. Ze lijken niet te kunnen wennen aan de hevige contrasten in de omgeving. Ik kan niet meteen bepalen of de nacht ineens ongemerkt tevoorschijn is gekomen, of dat de bomen het daglicht voor me verborgen houden. Het gras dat tussen mijn tenen doorprikt is dof en grijs. Ik kijk om me heen, op zoek naar een teken van leven. Zelfs geen vogels in de bomen te bekennen. Ik richt mijn blik op en zie een spierwitte lucht. Het intense wit prikt in mijn ogen en maakt me duizelig. Zelfs als daar iets te ontdekken is, kan ik mijn ogen er niet toe dwingen het te vinden. Opnieuw gaat er een rilling door mijn lichaam. De wind waait langs de blaadjes van de bomen. Ik zie ze bewegen, vallen, maar ritselen doen ze niet. Sterker nog, er is geen enkel geluid te horen. Ik schreeuw, hopend op wat voor reactie dan ook. Maar het lukt mij ook niet om geluid over mijn lippen te krijgen. De oorverdovende stilte drukt op mijn schedel. Ik voel de paniek vat krijgen op mijn lichaam en heb het koud en warm tegelijk. Ik ren een bospad over maar kan geen uitgang vinden naar de bewoonde wereld. Ik probeer weer te schreeuwen. Zo hard als ik kan. ‘Is hier iemand? Help me dan!’ Maar mijn droge keel kan er nog steeds geen geluid uit werken. Plotseling zie ik een schaduw een paar meter voor me uit op het pad verschijnen. Alsof mijn voeten aan de grond genageld zijn, sta ik abrupt stil. Angstig kijk ik naar de schaduw die zich in mijn richting beweegt. Wegrennen lukt me niet, al zou ik dat maar wat graag willen. Ik zie een gezicht vorm krijgen in het duister. De schaduw maakt plaats voor een man met een vriendelijke glimlach en diepe heldere ogen. ‘Rustig aan lieverd,’ zegt hij. ‘Je bent niet meer alleen. Ik ben weer bij je’. Zijn ijsblauwe ogen steken af tegen zijn bleke huid en lichte haren. Hij reikt naar mijn hand. Aarzelend leg ik mijn hand in de zijne. Een warme tinteling kriebelt door mijn vingers. ‘Ga je mee?’ Vraagt hij. Ik volg hem terwijl hij me door het bos heen leidt. Zijn aanwezigheid voelt bekend aan, maar ik kan niet bepalen waarom. De paniek is vrijwel volledig weggeëbd en ik laat mezelf toe om eindelijk iets te kalmeren. ‘Waar zijn we?’ Vraag ik, verbaasd dat ik mijn eigen stem weer hoor. ‘Stil maar,’ antwoordt hij sussend. ‘Het enige dat belangrijk is, is dat we weer samen zijn’. Een klein huisje verschijnt voor ons. Dicht begroeid en verborgen tussen de bomen, als een goed bewaard geheim van het bos. Bij de eerste aanblik ziet het huisje er vervallen uit. De houten deur hangt scheef en de stenen muren lijken in constante strijd om de schaarse ruimte met de klimop, waarvan die laatste duidelijk aan het winnen is. De binnenzijde van het huisje ziet er een stuk gezelliger uit en lijkt niets mee te krijgen van de staat van haar buitenkant. De houten vloer ziet er schoon en zelfs nieuw uit en er brandt al vuur in de grote stenen haard die over de hele kamer een mooie warme gloed uitstraalt. Hij wacht even op de drempel en kijkt me recht in mijn ogen aan, alsof hij iets zoekt. Zijn doordringende ogen lijken alle zenuwen bloot te leggen die mijn hoofd en hart al zo lang hadden verstopt. Alle pijn die daar verborgen ligt, het lijkt allemaal weer zo dichtbij. Tranen prikken in mijn ogen, en net als ik denk dat ik het niet langer verdragen kan legt hij zijn warme hand op mijn wang. Met de ander strijkt hij een lok haar uit mijn gezicht. ‘Bij mij ben je veilig,’ belooft hij me. ‘Maak je maar geen zorgen meer.’ Ik volg hem naar binnen en voel me meteen rustiger worden. Alles om me heen is kleurrijk in vergelijking met het zwart-witte bos dat we achter de houten deur achterlaten. Ik ga voor de haard zitten en staar in het vuur. De vlammen dansen voor mijn ogen en het vuur maakt een rustgevend knisperend geluid. ‘Je hebt vast een paar vragen.’ Zegt hij terwijl hij naast me komt zitten. Hij kijkt me vriendelijk aan. ‘Waar ben ik?’ Vraag ik meteen. ‘Bij mij,’ antwoordt hij lachend. ‘Maar waar ik ben kan ik je niet vertellen. Dat weet jij alleen.’ ‘Maar hoe kom ik hier dan?’ Vraag ik verbaasd. ‘Ik ben hier nog nooit geweest.’ ‘Vast wel,’ antwoordt hij rustig. ‘Je moet hier eens geweest zijn anders zaten we hier nu niet.’ ‘Nee, nog nooit in mijn leven.’ Zeg ik ongeduldig. ‘En je hebt ook nog niet verteld hoe ik hier ben gekomen.’ ‘Vertel jij het mij maar.’ Zegt hij weer. Hij kijkt bedenkelijk. ‘En dat klopt, nog nooit in je leven.’ Ik frons mijn wenkbrauwen. Geërgerd door zijn vage beantwoording richt ik mijn blik weer op het vuur. Hij legt zijn hand op mijn schouder. ‘Maakt het uit?’ Vraagt hij voorzichtig. ‘Hoe je hier gekomen bent, bedoel ik? Je wilde hier zijn, en dat is gelukt.’ Hij staat op. Ik kijk hem twijfelend aan, maar voor ik iets kan zeggen pakt hij mijn hand en trekt me overeind in een omhelzing. ‘Nu kunnen we voorgoed samen zijn. Je kan hier bij mij blijven, of we kunnen samen ergens anders heen als je het bos niet fijn vindt.’ Zegt hij vrolijk. ‘En als ik terug wil?’ Vraag ik. ‘Terug?’ Vraagt hij beteuterd. ‘Waarom zou je nog terug willen? Blijf lekker bij mij, alleen hier kunnen we samen zijn.’ Zachtjes voel ik hem zijn lippen op de mijne zetten. Het laatste beetje verstandigheid dat ik nog heb verlaat mijn hoofd en ik verlies controle. Hij kust mijn wang. Ik voel mezelf duizelig worden. Zijn greep verstevigt om me op te vangen, maar ik voel zijn armen steeds harder om mijn lichaam klemmen. ‘Je doet me pijn,’ zeg ik. ‘We hebben het toch leuk samen.’ Fluistert hij in mijn oor. Zijn vriendelijke glimlach verandert in een scheve grijns. Ik kijk in zijn ogen en voel opnieuw de pijn van eerder door mijn lichaam razen. Hij staart me aan maar zegt niets meer. Zijn grijns zegt me genoeg. In paniek probeer ik los te komen. Ik duw tegen zijn schouders en probeer weg te draaien. Maar wat ik ook doe, ik lijk me alleen maar verder in zijn greep te werken. Al worstelend draai ik mijn hoofd van hem af. Hij drukt zijn lippen hardhandig op mijn nek. Een schroeiende pijn gaat door mijn hele lichaam heen, het brandt. Tranen rollen onbedwingbaar over mijn wangen. Zijn grijns en zijn ijsblauwe ogen zijn het laatste dat ik zie.

Mijn ogen gaan wijd open en mijn hart klopt in mijn keel. Voor een paar seconden heb ik het gevoel naar adem te moeten snakken. Ik veeg de tranen uit mijn gezicht. Het duurt even voor ik mijn omgeving in me heb opgenomen en een gevoel van opluchting toe kan laten. De kleuren van mijn eigen vertrouwde slaapkamer hebben me nog nooit eerder zo gelukkig gemaakt als ze nu doen. Ik laat mijn hoofd weer wegzakken in mijn zachte kussen en weet een voorzichtige glimlach op mijn gezicht te krijgen. Deels om me uit het ongemak te trekken en deels omdat ik mezelf nog altijd blijf verbazen over wat er in mijn hoofd kan afspelen. Ik slaak een diepe zucht en draai me op mijn zij. Een hevige pijn komt opdoemen uit het niets. Voorzichtig laat ik mijn vingers langs mijn nek glijden. Ik voel een droge schrijnende plek. Verstijfd ga ik rechtop in mijn bed zitten en zie nog net twee ijsblauwe ogen in het donker verdwijnen.

2 reacties

Marône Welbergen

Auteur woensdag, 13:52

Dankjewel!

Ben Dragon

woensdag, 12:25

Knap werk!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch