Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

De vlucht van een Arend

Door Esther van der Meer

De vlucht van een Arend

12:06 uur
‘Neem me niet kwalijk, ik moet nu echt naar binnen om de lunch klaar te maken.’ Ze pakt de post van de postbode aan en bukt voorover om het tuingereedschap in haar andere hand te nemen maar is zich bewust van haar borsten die door het bukken nu zichtbaar zijn. In plaats van het gereedschap te pakken legt ze kuis haar rechterarm schuin voor haar borst langs, draait zich om en loopt via het smalle paadje naar de voordeur.
De postbode kijkt nogmaals naar het woonkamerraam dat als een groot televisiescherm in de gevel hangt. Kijk je over de tafel die voor de vensterbank staat dan zie je door het raam aan de achterkant van het huis een droogmolen in de tuin staan. Er hangen witte lakens aan. Zojuist zat de zoon van de vrouw nog aan de tafel. Kennelijk is hij de kamer uitgelopen. Normaal zwaaien ze altijd even naar elkaar. Het is een vast ritueel, een ijkpunt midden op de dag tijdens zijn ronde over het eiland.

11:48 uur
Als met een mitrailleur worden de woorden op het papier gestanst. Rakketakketak. Hij tilt zijn vingers als een pianist hoog op en laat ze met kracht op de zwarte toetsen van de ouderwetse typemachine neerkomen. Hij componeert zijn laatste bericht. De laatste tekst die zal getuigen van zijn bestaan. Ze zal het weten. Ze zal het voelen. Wat staat ze daar nu al zo lang met de postbode te doen? Ze zou moeten weten dat het al kwart voor twaalf is geweest. Ze heeft de aardappelen nog niet eens geschild. Ze weet dat hij er niet tegen kan als hij niet om twaalf uur luncht. Waarom kwelt ze hem toch altijd zo? Ze staat daar zeker al een half uur te smoezen. En waarom kleed ze zich als een zestienjarig delletje? Die jurk zou nog niet eens als vaatdoek dienst mogen doen.

11.50 uur
Het gesprek tussen de moeder en de postbode ging als volgt:
‘Hij houdt er zo van om in de ochtenduren aan de tafel te zitten werken, weet u. Hij heeft hem vijftien jaar geleden overdwars tegen de vensterbank gezet zodat hij uitzicht heeft over de weilanden en richting de duinen kan kijken. Daar kan hij zo intens van genieten.’ Met haar rechterhand houdt ze de stof van haar zomerjurkje voor haar borstbeen bijeen, zich iets te veel bewust van haar eigen bloot.
Ze gaat verder. ‘En misschien ook wel om niet afgeleid te worden door mijn aanwezigheid. Ik snap het wel hoor. Als je steeds iemand ziet zitten en je er continu bewust van bent dat er nog iemand in dezelfde ruimte is dan denk je misschien dat je iets moet zeggen. Dus zit hij het liefst met zijn rug naar mij toe. Mijn aanwezigheid verstoort zijn creatieve proces. Zoiets heeft ie weleens gezegd. Maar als hij maar gelukkig is, weet u. En hij zit daar altijd zo fijn te werken. Urenlang, en zo gedisciplineerd. En na de lunch vindt hij het heerlijk om lekker in de middagzon te dommelen in de stoel van mijn overleden man. Dat is voor mij ook fijn, want ik word altijd zo verdrietig van die lege stoel. Soms ga ik zelf in zijn stoel zitten. Om er maar niet naar te hoeven kijken, snapt u.’
De postbode knikt en zegt: ‘Volgens mij heeft ie weer een pagina af. Kijk maar’. En inderdaad, wanneer ze door het raam het huis inkijken zien ze Arend triomfantelijk met een wit vel door de lucht zwaaien. Zoals hij daar staat lijkt het alsof hij met zich een witte zakdoek overgeeft aan de vijand.

11.50 uur
Ze staat natuurlijk weer eens te roddelen. Dat ik al jaren probeer een roman te schrijven maar dat ze denkt dat het me niet lukt. Dat ik een nietsnut ben, een slome en domme nietsnut met schrijversaspiraties maar met het talent van een deurkruk. Zij weet natuurlijk niet dat het allemaal allang in mijn hoofd zit. Ik hoef het alleen nog op papier te zetten. Maar het hoeft niet meer. Rakketakketak. Hij staat op, trekt het A-viertje uit de typemachine en wappert ermee door de lucht. ‘Alsjeblieft, je wilt toch zo graag iets op papier zien, moesje van me. Hier heb je het. Ja, kijk maar goed want meer komt er niet.’ Zie ze daar nou staan. Ze weten niks. ‘Niks, niks, niks.’ De woorden slaan tegen de muren van de woonkamer maar de kamer houdt zich stom.

11:51 uur
Hij legt het papier op tafel neer en zakt weer op zijn stoel. Hij kijkt naar buiten en ziet in de verte een grote truck over de weg rijden. Op de aanhanger staan kleurige onderdelen van een kermisattractie. Hij wist helemaal niet dat er kermis was geweest in het dorp. Of nog zou komen. Het doet er ook niet toe, hij zal toch niet gaan. Hij heeft als kind ooit één keer de kermis bezocht. Hij was misselijk van opwinding in een botsauto gestapt maar was bijna direct klemgereden door een aantal jongens uit het dorp. Hij was blijven zitten en pas uitgestapt nadat de ronde was afgelopen. De negen witte plastic muntjes die nog in zijn broekzak zaten had hij onderweg naar huis in de sloot gegooid. Ze verdwenen niet onder water maar bleven tussen het kroos drijven, als stille getuigen van zijn laffe afdruipen.
Hij kijkt weer naar het papier dat voor hem op tafel ligt. Helemaal geen slechte brief, al zegt ie het zelf. Maar dan valt zijn oog op een typefout. ‘Nee, nee, nee’.
Hij grijpt een rood potlood uit de stenen mok dat op de tafel staat. Door zijn ruwheid valt de beker op de grond. Met een venijnige haal zoals de juf dat ook altijd deed streept hij vaarbel door.

12:07 uur
‘Arend, ik haal nog even de was binnen en dan begin ik snel aan de lunch’. Ze praat al terwijl ze door de gang richting de woonkamer loopt. ‘Sorry hoor, dat het wat later is dan normaal. De postbode had zo’n dramatisch verhaal. Zijn buurvrouw is vorige week na negen maanden bevallen maar het meiske is na twee uur overleden. Waarschijnlijk is er in de baarmoeder iets misgegaan met de navelstreng. Hij breng nu de rouwkaartjes rond, is het niet vreselijk…’ Ze doet de deur van de woonkamer open.
‘Arend?’ De stoel aan de tafel is leeg. Ze draait zich om in de hal en kijkt langs de trap schuin omhoog naar de eerste verdieping. ‘Arend, ben je boven?’ roept ze. Ze draait zich weer om en kijkt vanuit de deuropening nogmaals richting de tafel. Er liggen scherven naast de linker tafelpoot. Op twee grote scherven is ‘ama’ en ‘iefst’ te lezen. Het waren de restanten van een koffiebeker die Arend ooit voor haar kocht voor moederdag. Ze had hem nooit gebruikt.
‘Arend?’

12:00 uur
De witte lakens hangen in een vierkant om hem heen. Ze deinen zachtjes in de warme zomerwind. Hij is niet meer helemaal bij bewustzijn, het nylonkoortje van de droogmolen zit strak om zijn hals maar hij voelt het snijden in zijn huid al niet meer. De geur van Witte Reus dringt zijn neus nog binnen. Het is de laatste indruk die zijn hersenen opslaan. Het is de meest vertrouwde geur die hij heeft gekend, en tevens de meest verstikkende.

1 reactie

Jennifer Jernberg

donderdag, 18:53

Mooi verhaal. Verrassend ook!

0 Fictie

Hap

Anje Gnodde

0 Non-fictie

Een plekje

piet struyf

0 Poetry slam

Verhuizen

Frans Smolders

0 Fictie

plein

Marijke Jasperse

0 Poetry slam

Iets Paars

Desta Matla