Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

De zomer van 71

Door Paul Buitenhuis

De zomer van 71

-De man in het witte bed kijkt me verbaasd aan, ik breng hem drinken maar er klopt iets niet. Ik ben hier nu 3 dagen verpleeghulp en ik snap er steeds minder van. ‘Drinken’ zegt hij weer, terwijl hij nu uit onmacht een gebaar van plassen maakt. Nu moeten we allebei lachen als hij ziet dat ik het begrijp. Hij kwam hier, op dezelfde avond dat ik begon, met zwaar hersenletsel door een auto ongeluk en hoe dan ook snapt hij beetje bij beetje hoe in de war hij is en dingen anders benoemt dan hij ze bedoelt. Op die avond van opname hadden we hem nog met z’n allen achterna gezeten toen ie loeiend door de gangen liep, maar daar wist ie nu niets meer van. –

Er zijn zomers die, pas lang nadat ze voorbij zijn, hun betekenis krijgen. Die van 1976 was er zo een. Natuurlijk hebben andere zomers ook wel wat zoals toen, met de eerste mensen op de maan. Ik keek midden in de nacht in het huis van een Ierse priester, de enige met televisie in het dorp geloof ik, naar iets wat niet waar kon zijn.

Maar achteraf is die van 71 toch anders.

Ik had net al mijn tentamens gehaald voor het eerste jaar geneeskunde, wat op zich al een wonder mocht heten en ik geloof dat ik verliefd op je aan het worden was. Ik had je net ontmoet, vlak voor ik begon op de neurochirurgie afdeling van het Wilhelmina gasthuis, ik had daarom mijn haar afgeknipt en nieuwe schoenen gekocht waar ik erg blij mee was. Later zei je hoe leuk je me vond, met dat korte haar, maar dat je niet wilde kijken naar mijn schoenen omdat die zo lelijk waren.

Aan alles voelde ik op een driesprong te staan of misschien wel een viersprong, wie zal het zeggen. Iets kondigde zich aan in die zomer waar ik geen weet van had.

Van alle wegen volgde ik die van de belofte, in vertrouwen, zoals ik dat van mijn moeder altijd gekregen had. Terecht of onterecht vertrouwen dat het met mij wel goed zou komen. De onvoorwaardelijkheid daarvan zag ik pas veel later.

Maar goed, ik melde mij aan als verpleeghulp, ik kreeg een wit pak en kon beginnen, de week erop.

En op zich was het ook wel spannend om patienten te zien, na een jaar boeken doorbladeren en colleges waar ik niet heen ging.

De eerste dag moest ik kasten inruimen met stapels beddengoed. Aan het eind er van trok de hoofdzuster er weer alles uit, het lag scheef. Ik moest denken aan die ene dag dat ik ooit op een timmerfabriek met vakantiewerk begon, ik kreeg instructies over hoe je kasten in elkaar moest zetten en op zich was ik niet ontevreden met het resultaat hoewel ze niet allemaal even recht stonden. De baas kwam kijken, keek mij aan, vloekte wat in zichzelf en zei toen : ”ennou opsodemieteren, weg wezen”. Dat was mijn eerste en laatste dag.

De tweede week had ik nachtdienst, net in een tropische week.

Ik liep me een rotje met po’s enzo, patienten brulden dat ze moesten pissen terwijl ze drinken bedoelden. Zoals ik al zei, ik had het gevoel alles verkeerd te doen.

Midden in de nacht werd een patient binnen gebracht na een ongeval met schedelletsel, bleef maar vragen waar ie was en dat ie naar huis wilde. Commotioneel gedrag kan heel irritant zijn, zeker als je het druk hebt.

Als het rustig was las ik Nivard voor, een jongen van mijn leeftijd met een dwarslaesie. Hij was ’s avonds laat met zijn dronken kop op een stilstaande vrachtauto gereden, al maanden geleden. Hij wachtte op een plek in een revalidatiecentrum. Alleen zijn hoofd kon hij bewegen en iedere drie uur moest hij als een pannenkoek gedraaid worden.

Toen ik jarig was kreeg ik een boek van Hermans van hem, het staat bij mij in de kast.

’s Nachts was het zwoel en stil, en buiten even pauze; ik stond onder het groen van de dichte bomen tussen de lantaarns. Aan de overkant, paviljoen II , achter sommige ramen licht.

Ik keek naar mijn nieuwe schoenen onder mijn witte broek van mijn verpleegpak en voelde , zonder enige aanleiding, een moment van geluk , tijdloos.

De wereld aan je voeten zoals mijn moeder zou zeggen.

En ’s ochtends rammelde ik op mijn oude fiets naar het station, naar huis, om te slapen.

De zon in mijn gezicht, en met een rotgang over de wallen waar de nacht in de dag was overgegaan.

Ramen waren open, uit cafe’s stoomde het leven en muziek, mensen schreeuwden dronken over de gracht; “Dancing queen, you are a dancing queen” zong ik mee, het leven klotste door het gangboord van mijn bestaan.

1 reactie

Lieneke

vrijdag, 14:51

Mooi geschreven!!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch