Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Derde Kerstmis zonder Daan

Door Kwan Aben-Lee

Ze zat aan tafel met de versleten jas om haar schouders. Haar lijf had allang opgegeven om te groeien, maar het leek alsof mijn zusje weer een jaar smaller was geworden. Met haar knokige handen pakte ze haar glas en nipte van het water. Klein als ze was, bulderde haar protest door de kamer. Niemand kon om de groene jas heen. Zelfs moeder niet.

Ik zag hoe haar adem stokte. Eén tel maar. Toen herstelde moeder zich en ging ze over tot de orde van de dag; de pan op tafel. Met opperste concentratie hing ze boven de zelfgemaakte appelmoes. Het opdienen luisterde nauw. Lauwwarm met extra kaneel, zoals mijn broer dat lekker vond. Voor mijn zusje zonder suiker, al wist iedereen dat ze die niet aan zou raken.

Ze vertelde me een keer dat ze van alles de grootste hekel had aan de appelmoes.
Ik zei dat ik vooral de beleefdheden haatte, al was moeders moment van bezinning een goede tweede. ‘Met gepaste soberheid,’ zei ik met een plechtige stem.
‘…gaan we het verdomme gezellig maken,’ zei mijn zusje.
‘Amen.’
Toen somden we al onze ergernissen op. Mensen die proficiat zeiden bijvoorbeeld. Of mensen die de straat overstaken als ze je zagen. Mensen die vegetarisch, maar wel vis aten en mensen die vroegen hoe het met je ging om te kunnen praten over hun eigen dode kanarie, konijn of opa. We wisten niet wat erger was; mensen die moeder zieliger vonden dan vader of mensen die over alles praatten behalve Daan.

Ik maakte me geen illusies. Mijn zusje werd enigszins gedoogd in huis, maar we wisten allebei dat moeder mij zonder pardon had ingeruild als ze daarmee Daan terug kon krijgen. Toch ondernam ik maar één poging om weg te lopen. De rest van de tijd vulde ik met schreeuwen in stilte. Na verloop van tijd schreeuwde mijn zusje mee, maar hoe we ook tekeergingen, we konden de harmonie niet vinden.
Zij kieperde pasta in de gft-bak, verstopte brood achter de toiletpot en stopte met vlees, vis en zuivel.
Ik kraste zijn naam in boeken, in de eettafel en in mijn huid.

Al die tijd zweeg vader. Hij opende hoogstens nog een fles. Moeder daarentegen praatte tegen iedereen die het horen wilde. Hoeveel zorgen ze zich maakte. Hoeveel slapeloze nachten ze telde. Hoe alle moeders dezelfde angsten hadden, maar dat zij, zij, zij alleen voor altijd en eeuwig de enige moeder was met recht van spreken.

‘Leg dat maar eens uit, ma,’ zei mijn zusje.
We hadden bedacht dat we midden op de dag zouden vertrekken. Zonder jas. Die lieten we hangen aan de kapstok. Haar jas naast de mijne, mijn jas naast de groene. Drie op een rij.
‘Leg dat maar eens uit, ma,’ echode ik.

Het plan was ’s ochtends ontstaan. Mijn zusje gooide de melk weg, ik ruimde de tafel af. Vijf bruine borden, één voor de vorm – en dat terwijl moeder nooit een kinderwens had gehad. Mijn zusje merkte op dat moeder dat nooit meer zei.
‘Wat niet?’ vroeg ik.
‘Dat van alles wat ze had kunnen worden, ze uitgerekend moeder was geworden.’ De manier waarop ze moeder zei, met de uitgerekte stilte tussen ‘moe’ en ‘der’ klonk precies als moeder. Ze had nooit een kinderwens, toch kreeg ze ons. Ze had veel in haar mars, toch werd ze moeder. En we vroegen ons af of Daans afwezigheid haar kinderwens eindelijk had aangewakkerd.
Mijn zusje wilde weglopen.
Ik wilde vooral verdwijnen.

We lieten er geen gras over groeien. De derde Kerstmis zonder Daan stond voor de deur. Mensen feliciteerden ons weer – Proficiat! – niemand stak nog over als hij ons zag en de dode kanaries, konijnen en opa’s werden niet meer opgevoerd.
Moeder was niet langer zielig.

Met twintig euro op zak zouden we wel zien waar we belandden. We vertrokken in dezelfde richting als Daan: de straat uit, bij het kruispunt naar links en na de stoplichten over het fietspad door het parkje. Ik stak mijn handen diep in mijn zakken en zag mijn zusje hetzelfde doen. Ergens wilde ik wel een arm om haar heen slaan, maar ik wist niet hoe, dus zweeg ik maar.
En het was in die stilte dat we hem hoorden, nog voor we hem zagen: vader. Hij fietste ons tegemoet met aan weerszijden van zijn stuur een plastic tas. Het gerinkel van glas dat tegen glas aantikte, klonk als een aankondiging, een belofte haast.
Mijn zusje en ik stapten van het fietspad om ruimte te maken.
Vader verminderde geen vaart in het voorbijgaan en wij keken hem na tot we hem niet meer hoorden.

‘Ik ga terug,’ zei ik tegen mijn zusje.
‘Ben je gelukkig dan?’ zei ze. Ze balde haar vuisten, haar gezicht werd langzaam rood en met een kracht in haar stem, die ik haast niet herkende, vroeg ze: ‘Ben je zo verdomd gelukkig dat je terug wilt? Naar huis?’
Toen stampte ze op mijn voet. En nog eens en nog eens, alsof ik een kakkerlak was die leefde bij haar gratie.
‘Stop!’ zei ik en ik probeerde haar tegen te houden, ‘Luister nou even!’
‘Lafaard,’ schreeuwde ze en ze zei dat ik geen haar beter was dan moeder, dat ze hoopte dat ik een keer dóór zou snijden en dat iedereen, maar ook echt iedereen wilde dat niet Daan, maar ik dood was. ‘Ook vader!’
De rest kreeg ik niet meer mee. Ik was vader achterna gerend.

Het was de derde Kerstmis zonder Daan.
De suikervrije appelmoes bleef onaangeroerd, evenals de lauwwarme met extra kaneel.
Voor de lieve vrede had ik de mijne opgegeten. Hij smaakte murw en zinloos.
‘Lekker,’ zei ik.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch