Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Dievenklauw

Door Ravi Blanken

Het is ergens midden in de nacht als het gegil van een mevrouw Julius uit zijn slaap rukt. Diep sliep hij niet –bijna nooit-, maar al lag hij in winterslaap, van zulk hysterisch gekerm ontwaakt iedereen. Het is niet het soort staccato gegil dat een plotseling voorbij schietende muis of een vallende vaas veroorzaakt. Eerder woede of verontwaardiging. Het houdt even op, dan gaat het iets afgezwakt weer verder. Wat ze roept kan hij niet verstaan, al komt het uit de kamer naast de zijne. In deze toestand is het moeilijk een stem te herkennen, toch denkt Julius deze stem voor het eerst te horen.

Als hij ‘s nachts door dit soort lawaai uit zijn slaap wordt gehaald komt het meestal van beneden. Eerst hoort hij dan gegiechel, het piepende tuinhek, het zoeken naar sleutels, een sleutelbos die op de tegels valt, lachen. Dan gaan ze vaak de keuken in, er gaat wijn open, er worden twee glazen gepakt (als de vaat al even niet gedaan is twee mokken). Binnen enkele minuten volgen uit de woonkamer de eerste klanken van Édith Piaf of andere Franstalige muziek die Julius niet kan duiden. Daarna is het stil. Een kwartier, een halfuur, voordat ze naar boven komen. Julius weet het niet precies; in die stilte valt hij vaak in slaap, daar heeft hij zichzelf in getraind. Soms wordt hij pas wakker als de mevrouw, hoe geruisloos ook, weer naar buiten sluipt. Soms slaapt hij overal doorheen en ziet hij pas ’s ochtends de lege flessen.

Dit keer is het anders, dit keer is er iets gebeurd. Om beter te kunnen horen wat er loos is gaat hij rechtop in zijn bed zitten. Het is koud in zijn kamer, hij slaat zijn deken om zijn bovenlijf. Geruisloos, zonder de mevrouw te laten merken dat hij wakker is, leunt hij opzij om in het bijkamertje, een nis waar net een stoel en een bureau in passen, op zijn wekker te kijken. 3:11. De wekker heeft hij bewust zo gesitueerd dat hij er vanuit zijn bed niet op kijkt, net als zijn schoolboeken en schriften. Zo kan hij ’s nachts slapen en overdag leren, zonder dat die twee elkaar onnodig beïnvloeden.

Om morgen fit en uitgeslapen te zijn voor zijn proefwerk natuurkunde, moet hij zo snel mogelijk weer in slaap zien te komen. Na de uitslag van zijn vorige toets berekende Julius dat een acht komma acht of hoger zijn gemiddelde cijfer ophaalt naar een negen. Sindsdien zwoegde hij nog harder dan gewoonlijk: woord voor woord las hij elk hoofdstuk tot hij de uitleg kon dromen. De oefenopgaven maakte hij zo vaak dat hij na een tijdje de juiste getallen kon invullen zonder ze te berekenen, waarna hij, om te kunnen blijven oefenen, de getallen in het opgavenboek verving. Wat er ook aan de hand is, het mag zijn acht komma acht niet in gevaar brengen.

Haar verbolgen kreten hebben plaatsgemaakt voor een zelfverwijtend gejammer. Er is een probleem, analyseert Julius, dat de mevrouw zelf niet kan oplossen, niet in haar toestand tenminste. En Cliff slaapt overal doorheen, dus die gaat het ook niet doen. Met korte passen hoort hij haar door Cliffs kamer ijsberen en vraagt zich af of hij in actie zal komen. Alles groeit door aandacht, zo ook problemen. Hij besluit af te wachten. Dan hoort hij haar met grotere passen de gang op lopen.

Voor zijn deur komen de schaduwen van haar pumps tot stilstand. Even niks, dan langzaam de klink omlaag. Voorzichtig gaat de deur open, maar komt met een holle klap weer tot stilstand in de dievenklauw aan de binnenkant.

‘Hallo?’

Haar stem klinkt warmer dan in de consternatie van zo-even. Nu weet Julius zeker dat hij de stem niet eerder heeft gehoord. Dit is een nieuwe.

‘Wat is er?’ vraagt Julius met een stem alsof hij net wakker wordt.

‘Sorry dat ik je wakker maak,’ zegt ze zacht, ‘ik heb je hulp even nodig.’

Julius slaat de deken van zich af. Als zijn ogen aan het licht gewend zijn ziet hij een jonge, slanke vrouw, waarschijnlijk dichter bij Julius’ leeftijd dan bij die van Cliff, met donkerblond, opgestoken haar en dikke, blauwe make-up met een parelmoeren glans boven haar ogen. Zwarte klontjes mascara plakken als slaapzand tussen haar wimpers. Met een potlood heeft ze een zwarte lijn om haar lippen getrokken en alles daarbinnen als een kleurplaat met donkerrood ingekleurd. Onder haar leren rok draagt ze een zwarte netpanty en laarzen met veters aan de zijkant, die iets boven haar knieën wijd uitlopen als een vaas. Op haar strakke grijze shirt zit een geelrode, natte vlek, van haar linkerborst bijna tot aan haar rokje, waar morzels half verteerd eten van dezelfde kleur aan kleven.

‘Waar is Cliff?’ vraagt Julius. Een penetrante, zure lucht dringt zijn kamer binnen.

‘Cliff is een beetje ziek,’ zegt de vrouw rustig, ‘daarom heb ik je hulp nodig. Hij moet verschoond worden en daar ken ik hem niet goed genoeg voor.’ Zuchtend bestudeert ze de vlek op haar shirt. ‘En zelf ik kan ook wel schone kleren gebruiken.’ Ze lacht onhandig, de foundation rond haar mond craqueleert als een oud schilderij.

Ik ben de enige die dit op kan lossen, denkt Julius, en trekt zijn ochtendjas aan. ‘Als jij je even wast in de badkamer,’ zegt hij, ‘dan pak ik een schoon shirt van Cliff als hij die nog heeft, anders krijg je er een van mij.’ Opnieuw barst haar masker bij het lachen, dit keer leest hij iets van vertedering aan haar gezicht af. Best knap is ze, oordeelt hij. Bij het “mooi-lief-of-lekker-spel” dat hij met zijn klasgenoten soms speelt zou ze in de categorie lekker terechtkomen. ‘De badkamer is hier,’ wijst hij, ‘ik haal eerst wel een plastic tas voor je natte shirt, als jij je dan even wast, maak ik intussen Cliff schoon.’

Half overdwars, met beide voeten over de rand, ligt het zwaar ademende lijf met kleren aan op zijn buik in bed. De deken ligt op de grond, tussen een paar oude sokken, een wandelschoen, een lege verhuisdoos en hard geworden sinaasappelschillen. Al slaapt Cliff in de kamer naast hem, vaak komt Julius er niet. Waarom zou hij? De laatste keer was maanden geleden toen Cliff hevige koorts had en Julius hem af en toe een kop thee en paracetamol moest brengen. Op het nachtkastje, achter een halflege fles cassis, ligt nog steeds de lege drukstrip, al kan die ook van daarna zijn.

Als Julius het raam open heeft gezet, trekt hij Cliffs schoenen en broek uit. Procedureel als een ambulancebroeder die geleerd heeft zijn eigen aannames te negeren en alle mogelijkheden te onderzoeken, schudt Julius aan Cliffs schouder en roept zijn naam. Als een reactie inderdaad uitblijft, trekt hij het tengere, maar door het gebrek aan medewerking (wat in feite tegenwerken is) lompe lijf op zijn rug. De kleverige brei, waarvan een deel in de grijze stoppels rond zijn mond plakt, verspreidt een warme damp. De blauwe uitslag op Cliffs slappe tong verraadt de rode wijn als aanstichter van dit tafereel. Met afgeknepen neus begint Julius het bevuilde houthakkersshirt los te knopen.

‘Zo,’ zegt de vrouw even later opgelucht in de deuropening, het uitgespoelde grijze shirt in haar hand, ‘dat ziet er al een stuk beter uit.’

Haar volle borsten worden omhoog gedrukt door een strakke rode beha. ‘Ik zal nog even een schoon T-shirt voor je pakken,’ zegt Julius.

‘Nog één ding,’ zegt ze beneden in de keuken met haar jas over een oud shirt van Julius, een leren tas om haar schouder. Op het geribbeld aluminium woningcorporatie-keukenblad een lege en een halflege fles rode wijn, de geur van etensresten en oud vocht. ‘Ik vind het lastig om erover te beginnen.’ Ze slaat haar ogen neer.

‘Zeg maar gewoon.’

‘Ik krijg nog geld van hem.’ Ze gebaart naar boven. ‘Honderd euro.’ En als een reactie uitblijft zegt ze er twijfelend achteraan: ‘Voor de stomerij.’

‘Blijf hier wachten,’ zegt Julius. Even later komt hij met drie biljetten in zijn hand terug de keuken in. ‘Hier is twee keer vijftig en twintig extra voor een taxi. Er vanuit gaande dat je hier in de stad woont moet dat genoeg zijn.’

Meewarig lachend moffelt ze de biljetten in haar tas. Het tl-licht accentueert het samenknijpen van haar ogen, het trillen van haar onderlip. Haar hele gezicht lijkt nu te barsten. Ze steekt haar hand uit: ‘ Ik heet Louise trouwens.’

‘Julius.’

‘Je bent een bijzondere jongen, Julius,’ zegt Louise. Ze opent de deur, zet een stap naar buiten, draait zich dan weer om en zegt zacht: ‘Zorg alsjeblieft dat je nooit als je vader wordt.’

‘Het is goed, ga maar,’ antwoordt Julius en ziet hoe Louise snotterend met de rug van haar hand een streep vochtige mascara over haar jukbeen uitsmeert. ‘Hij is mijn vader niet.’

Als hij Cliff gecontroleerd heeft, schuift hij de dievenklauw op het slot en kijkt op zijn wekker. ‘Drie uur negenendertig,’ fluistert hij, ‘het kan nog.’

1 reactie

Mariëlle Nooijen

zaterdag, 15:31

Mooi verhaal en goed geschreven. Je merkt dat er een groter verhaal achter schuilgaat, waar je heel graag achter wilt komen.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch