Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Dinner. One Person. Now?

Door Maarten Vandenabeele

Het zou ons te ver leiden om minutieus uit de doeken te doen hoe en waarom ik hier verzeild ben geraakt. Er is een lange reis aan voorafgegaan, met een lauwwarme, ondefinieerbare vliegtuigmaaltijd, een uitgelopen shampoofles en een overvolle pendelbus. In het hotel verwisselde ik snel mijn bezwete polo voor een verfrommeld hemd en in de lift concludeerde ik dat hotelkamers overal ter wereld hetzelfde zijn. De receptioniste behandelde me als een rijke pasja en boog als een knipmes. Uit een subtiele luidspreker klonk een harp.

De avondzon kleurt de drukke zakenwijk rood. Forenzenstromen slingeren zich door metrodeuren. Taxi’s draven af en aan. Gigantische neonreclames conditioneren versufte geesten van weerloze voorbijgangers. En ik denk: een huisje in de polders heeft ook voordelen. Heb ik de platenspeler uitgezet voor ik vertrok? Ik huiver even.

Ik kijk uit op de drukste straat van de wijk Ginza in Tokio, geloof het of niet. Een pretentieloze wereldburger laat zich verwonderen.

Nu heb ik me laten vertellen dat de Japanse keuken exquis en zinnenprikkelend van aard is. En dat verse sushi niets gemeen hebben met de voorverpakte plastic schoteltjes uit de supermarkt, waarop flets visvlees en droge plakrijst enkel maar de schijn proberen hoog te houden. Het plastic visje maakt altijd vlekken; zijn ontembare spuitmondje spuugt sojasaus, zonder genade.

Maar men dient dus de platgewalste paden te verlaten om dieper in het hart van de Japanse geneugten binnen te dringen. Proef wat ongekend is en deontologisch niet onkies! Die vernieuwende moraal was me bijgebracht door niet zomaar een collega – zeven Japanmissies op zijn palmares – en ik vermoedde toen dat hij het over eten had. Later zou ik mijn naïviteit ontgroeien, met een perverse zoekgeschiedenis als rechtspraak.

Het experiment lonkte. Mijn reisgids had het over yakitori, okonomiyaki, tonkatsu, wakame en andere exoten. Maar dé lakmoesproef voor het diploma Japanse culinaire exclusiviteiten was de degustatie van iets, waarvan de beeltenis me tot dan nooit ofte nimmer te binnen was geschoten. Meer nog:mijn vocabularium was er simpelweg niet mee uitgerust. De delicatesse uit het Verre Oosten mocht met ‘zeekomkommer’ worden aangesproken. Holothuria forskali, voor de hipsters.

Ik las verder: de zeekomkommer is een organisme dat desgewenst verorberd wordt. Bereidingswijzen waren variabel, maar meestal worden de ingewanden van het schepsel gefermenteerd en koud genuttigd. Voor wie het aandurft.

Met het stadsplan in volle expansie baan ik me een weg door de steegjes, die zwak verlicht en stil langs de hoofdweg kronkelen. Het kruisje is glashelder aangebracht, maar waardeloos: huisnummers in willekeurige volgorde ondergraven mijn missie.

Een geisha verliest haar stoïcijnse blik als ze me hulpeloos ziet spartelen aan een flauwe bocht, die op kaart nergens te bespeuren valt. Een witgepoederde wang schuift een schaduw over de plattegrond. De geur van matcha en kersenbloesems bedwelmt me. Ik wil mijn geisha knuffelen, me tegen haar gouden rugkussentje vleien en haar inademen, even maar. Ranke vingers tokkelen op het plan, ze praat een taal vol geheimen, fluistert boeddhistische wijsheden.

Plots slaakt mijn geisha een kreet, ze wijst een straatje aan. Een speelse glimlach die me straks wakker houdt, begeleidt haar afscheid. Even geruisloos als ze verscheen, gaat de vrouw op in de duisternis. Was ze een verschijning? Daalde de heilige maagd net tot me neder?

Mijn maag knort: vooruit! Ik loop het steegje in, wandel over een onooglijk bruggetje. Ik hoor water: een klein kanaal, meer is het niet. Een zoemend drankautomaat lokt me enkele meters verder. Ik staar toverdrankjes in de meest ondenkbare kleuren aan. Op de huismuur, een meter of drie hoog, prijkt een straatbordje. In het Engels: een godsgeschenk! Het doel nadert. Mocht ik weten hoe de zeekomkommer rook, ik rook hem wis en waarachtig!

We zijn er bijna. Maar nog niet helemaal. Het juiste huizenblok heb ik al, dat is zeker. In een westerse stad mag je dan zeggen: mission accomplished. In Japan schrijft de stad een ander verhaal. De traditionele izakaya geeft pas zijn geheimen prijs als je de voordeur hebt gevonden. Je moet een test doorstaan, een bewijs van doorzettingsvermogen leveren, voor je mag deelnemen aan de maaltijd.

Ik zie lemen muren en houten, verticaal getimmerde plankjes. Een raampje als anomalie. En duisternis, veel duisternis. Was Tokio niet de stad van de neonreclame? Niet in de achterafstraatjes. Moet ik de muren betasten, op zoek naar een verborgen hendel, geheime nis, gecamoufleerde drukknop? Het lijkt me sterk.

Wat ruik ik? Een walm warme noedels? Ik snuif als een jachthond, mijn neus in de lucht: ik doe het echt. De wanhoop nabij. Een stuk muur zwaait open, licht flitst door de avond: een troep zakenlui zoekt keuvelend andere oorden op. Strak in het pak, smartphones monsterend. Ze zijn mijn sleutel. Ik hol in tegenovergestelde richting. Net voor de muur zich weer sluit, glip ik het licht in: binnen!

Een rieten scherm scheidt me van het paradijs. Ik voel mijn hart bonken. Het morsige schriftje op de toonbank maakt me niets wijzer. Een reserveringslijst? Een gastenboek? In steenkoolengels – de gestilleerde variant zijn de Japanners niet machtig en de gast past zich aan – probeer ik uit te leggen wat ik wil: “Dinner. One person. Now?” Ik praat tegen een rechterarm: het doorgeefluik belemmert verdere kennismaking. Maar ik meen te ontwaren dat mijn wensen worden verhoord; er is gestommel en het scherm schuift opzij. Aan de arm hangt een kranige oma vast. Met haar dunne, grijze haren en getaande huid lijkt ze stokoud, maar ze begeleidt me fluks naar een bamboe barkruk, die uitkijkt op de keuken.

Als een gewiekste dief gluur ik over mijn schouder. Het is hier verdacht stil. Een overwegend Aziatisch cliënteel stemt me echter tevreden. Dit moet de authenticiteit van de zaak bevestigen, denk ik dan. De weinige blanken hebben meer gemeen dan hun huidskleur: de lijvige Lonely Planet bijvoorbeeld, die ik maar al te goed herken. Het getater, waarmee ze zich van de doorgaans geruisloze Japanner onderscheiden. Op de archipel wordt louter functioneel gepraat. De lokale bevolking produceert geen kabaal, stoort niet. Welopgevoed en zwijgzaam leven ze zij aan zij, met karaoke en binge drinking als exorbitante dissonanten.

De keuken geurt teleurstellend in clichés. Mijn neus herkent sojasaus en nummer 63 van de Chinees, thuis om de hoek. Een trosje koks, in onberispelijk zwart, snijdt en kneedt, bakt en schikt: dit is genieten, hier op rij 1. Een jonge serveerster brengt me de menukaart voor toeristen; ik zucht opgelucht. Het meisje blijft slaafs wachten. Mijn blik scant en vindt ‘fermented intestines of sea cucumber’. Met mijn pink wijs ik het aan.

And a beer, please.

Sea cucumber and beer?

That is all, sir?

Yes. Is that ok?

Thank you, sir.

Ik heb geblunderd, voel ik aan alles. Het meisje buigt onnatuurlijk diep, schuift weg en ik hoorde de daver op haar stem; een te abrupt slot. Heb ik haar gekrenkt? Beoordeelde ze mijn “Is that ok?” als een sarcastische respons op de vraag of ik nóg iets erbij wou? Ben ik plots de lompe, onwetende westerling die, vol van zichzelf, geen goedbedoelde raad wou aanvaarden?

Ik verman mezelf en check nog eens de menukaart, die is blijven liggen. (Zie je wel. Een onprofessionele vergetelheid en het is mijn schuld. Ik beledigde haar.) Nu bemerk ik dat de sea cucumber niet opgelijst staat bij ‘main courts’. (Ik zei het al: Engels is geen wereldtaal.) Terwijl ik de prijs van yen naar euro omreken, probeer ik een glimp van het meisje op te vangen. Waar is ze?

Vanuit de keuken reikt iemand me een Sapporo aan. Ik slik mijn wroeging weg. Dan presenteert de dichtstbijzijnde kok me een onooglijk potje met een groene drab in. Het dingetje is een half espressokopje groot.

Wat kan ik zeggen? Snot, slijm: het zijn weinig eloquente maar des te treffender typeringen. De kok lacht breed en prevelt: “Sea cucumber. Good luck.

Wie heeft deze grap bedacht? Waar hangen de verborgen camera’s? Ik benijd de cultuurbarbaren, die McDonald’s nooit beliegt of bedriegt.

Jammeren lost nooit iets op. Ik moet het probleem tackelen en wel nu! Ik ruk mijn eetstokjes van elkaar en schuif ze tussen de juiste vingers. Tik, tik, tik: mijn hand is klaar. Het Sapporobier, mijn reddingsboei, sprankelt.

Ik peuter substantie uit het potje. Het loopt en glijdt. Ik vecht met groene blubber tussen houten stokjes. Mijn mond gaat open, mijn ogen dicht. Ik duw binnen, onder voorbehoud. En nu?

’s Zomers maak ik graag een strandwandeling. Van Oostende naar Middelkerke en terug. Dat zijn twintig golfbrekers. Ik klim er telkens traag overheen en snuif; ik trek de zeelucht tot diep in mijn longen. Hier ruik je pas het zilt van de zee. Uniek.

Ik heb zopas het zilt van de zee opgegeten. Het verscheen als een groen goedje en blonk uitdagend onder de doffe lampen van de izakaya. Mijn tong tintelt.

De kok, het meisje en de oma glimmen van trots. “Arigato. Thank you so much,” stamel ik. Eerbiedig buig ik het hoofd. Een scheurtje in mijn hart heelt.

1 reactie

Tseard Zoethout

vrijdag, 17:43

Hier wordt wat met taal gedaan (dat anderen ontberen)

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch