Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Dood van de haan

Door Marie Veys

Na mijn spreekuur ga ik in een tuinstoel op het terras zitten. De villa is in verval. De tuin is verwilderd als een verlaten Eden. Alice staat naast de magnolia bij de vijver. Twintig is ze al. Ze draagt nog steeds haar moeders zwarte lange jurk die ze voor de begrafenis had aangetrokken. Ze hebben dezelfde lange armen en benen en dat brengt me in de war. Ongrijpbare zielen zijn ze. Waren ze bomen, dan waren het treurwilgen.

Bij elke beweging die ze maakt, moet ik denken aan het vrouwenbeeld van La valse van Camille Claudel. De zoom van haar jurk is achteraan losgekomen en stoffig door de aarde van het kerkhof en de bosweg. Zonder iets te zeggen, komt ze naast me staan.

Ik vertel dat ik haar moeder naar het ziekenhuis heb gebracht en dat ze haar in observatie willen houden. Ze reageert niet. Het verhaal van haar moeder is vaak verteld. Een theatrale persoonlijkheidstoornis, heb ik overwogen, en ook wel manisch-depressief. Misschien was het verkeerd haar nooit te laten behandelen. Maar waar ligt de grens tussen ziek en gezond? Grenst genialiteit niet aan krankzinnigheid? Bestempelen we afwijkend gedrag niet al te gemakkelijk als een ziekte?

Hoewel ik Alice alleen in profiel kan zien, weet ik dat ze heeft gehuild.

‘Wat denk je, vader, tijd voor een pastis?’

Ze haalt binnen twee glazen met ijsblokjes, een fles water en de pastis. We drinken snel, uit onwennigheid. Ze gaat op de rand van mijn stoel zitten en schenkt de glazen meteen weer vol. Ik neem een trek van mijn sigaret en staar naar de ondergaande zon, die, klaar voor zijn helletocht, tussen de al zwart wordende bossen schijnt. Rik is dood en niets is me nog duidelijk. Ik heb gekregen wat ik altijd wou: zijn vrouw en zijn dochter, zonder derde in het spel. Toch voel ik me niet bevrijd.

‘Zei je iets?’ vraagt ze.

Ze neemt een sigaret uit mijn pakje. Terwijl ik haar een vuurtje geef, kijkt ze naar de vijver. In nuchtere toestand zijn we formeel tegen elkaar, als vreemden.

‘Vader, mag ik je fiets lenen?’

‘Waar is de jouwe?’

Ze haalt haar schouders op.

‘Ik denk bij La Luna.’

Het onkruid dat tussen de stenen groeit, is hoog uitgeschoten.

‘Veel plezier.’

Zonder om te kijken fietst ze weg. Ik schenk nog wat pastis in.

De zon gaat langzaam onder. Te laat sla ik een horzel dood. Ik probeer de stem die me opjut te negeren, zoals ik de horzelbeet probeer te negeren. De gedachte wordt echter zo groot dat ik me uiteindelijk niet meer kan beheersen. Ik krab. Dan doet het er niet meer toe. Ik blijf krabben. Tot bloedens toe. Ik voel me zoals een boulimie-patiënte die urenlang aan de verleiding heeft kunnen weerstaan en zich nu aan suikerwafels en chips te buiten gaat.

Geen idee hoe lang ik heb geslapen. Wanneer ik wakker word, staat er een dunne maansikkel. Er is wat speeksel uit mijn mond gelopen. Een auto rijdt traag voorbij, de koplampen verlichten het bos. Gekraak. Een vogel klapwiekt.

‘Alice,’ roep ik, ‘Alice!’

De Alice naar wie ik roep, is het achtjarig meisje op de avond van de dood van de haan. Opeens was ze weg. Door de heisa met de haan waren we haar vergeten. Het was donker. Het had hevig geonweerd. Ik was naar buiten gelopen met Rik achter me aan. Ik zag haar het eerst, een witte glimp tussen de bomen. ‘Alice,’ riep ik. Ze maakte geen aanstalten om dichterbij te komen.

Dat het al meer dan tien jaar geleden is, maakt de herinnering niet minder pijnlijk. Opeens voel ik me oud en doodmoe. Sloffend ga ik naar binnen. De sleutel van de terrasdeur draai ik twee keer om. Het licht van het peertje in de badkamer doet pijn aan mijn ogen. Op mijn wangen tekent zich een blauwblonde schaduw stoppels af. Ik probeer mijn haren glad te strijken, maar hier en daar blijft er een weerbarstig. Mijn linkeroog is opgezwollen en bloeddoorlopen. Ik leg mijn bril op het wastablet en krab over mijn onderarm waar de horzel een rode bult heeft achtergelaten. IJskoud water over mijn gezicht. Ik poets mijn tanden langzaam. Het spoelwater kleurt rood.

De deur naar de studeerkamer staat open. Ik ga zitten in de roestbruine fauteuil van mijn vader. Met zijn rug naar boven opengeklapt in de zetel ligt De Profeetvan Khalil Gibran. Op de bladzijde waarop het boek is opengeslagen, heeft iemand met potlood onderstreept: Uw kinderen zijn uw kinderen niet.

***

In die tijd dat Rik herstelde van zijn auto-ongeluk, eind jaren zeventig, bracht hij op een dag van de markt in het dorp een kuiken mee. Na vijf maanden bleek het om een haan te gaan. Een bijzondere haan, met Indische voorouders. Hij had grijze weelderige pluimen en zijn poten waren bedekt met veren. Rik noemde hem de kleine musketier, ik noemde hem Bonaparte. Helene liet hem in de keuken toe, hij kreeg onze etensresten. Iedereen, behalve ik, was dol op de haan en hoe kinderachtig het ook mag klinken, ik voelde me buitengesloten. Nomen est omen. De haan mat zichzelf Napoleontische prerogatieven aan. Vaak zat hij onder de keukentafel, klaar om mij in mijn benen te pikken. Elke keer opnieuw schrok ik me te pletter.

Aan de dood van de haan houd ik enkel flarden van herinnering over. Er was een gigantisch onweer losgebarsten. Ik was kletsnat en slecht gezind thuisgekomen. Mijn maag rammelde en de twee glazen porto die ik bij een patiënt had gedronken, hadden me kloppende hoofdpijn bezorgd. Helene, Rik en Alice zaten aan de keukentafel. Helene stond op om de tafel af te ruimen. Moest ik alleen eten? Onder tafel pikte het beest me en toen verloor ik de pedalen. In één beweging heb ik het servies van tafel geveegd. Goud omrande borden met roze bloemen, het servies van mijn moeders moeder. De scherven vlogen in het rond, de jus op de borden besmeurde de muren tot tegen het plafond. De zwart-witte tegelvloer werd bezaaid met scherven. Met een kracht waarvan ik niet wist dat ik die had, duwde ik de eiken tafel om. Rik was opgesprongen. Helene hield haar hand voor haar mond. Alices gezicht vertrok tot een kramp. De haan klapwiekte. Op het aanrecht lag het vleesmes, ik griste het vast. Helene greep mijn arm, maar ik rukte me los.

‘Nee!’

De haan fladderde naar de hoek van de keuken waar ik hem bij zijn nek wegplukte. In mijn greep verstarde hij. Het werd rood, dan zwart voor mijn ogen. Geschreeuw. Misschien van mezelf.

Achteraf heb ik vaak gedacht dat ik toen een mens had kunnen doden.

Daarna was Alice plots verdwenen en ik stond buiten. Het goot. Hoewel het pikdonker was, wist ik dat het natte warme vocht op mijn handen bloed was. Een donshaartje was in mijn mond terechtgekomen. Ik rende de bossen in. In mijn kielzog, Rik met een zaklamp. Ik kreeg een tak in mijn gezicht en bezeerde mijn knie. Tussen de bomen zag ik een witte glimp. Ik riep haar naam, Alice. Het klonk dof, alsof ik onder water zwom. Toen ze me zag, bleef ze een seconde staan, om dan verder weg het bos in te lopen. Rik ging haar achterna. Zonder zijn stok mankte hij vreselijk. Verdwaasd keek ik hem na. Een hele tijd later, keerde hij terug. Alice had haar armen om hem heen geslagen.

Zwijgend liep ik het huis in, pakte de fles Marc de Bourgogne uit de barkasten wankelde de trap op naar de studeerkamer op de bovenverdieping, waar ik in mijn vaders stoel ging zitten. Helene en Rik liepen heen en weer door de gang. Opnieuw leek ik uit mijn eigen leven verbannen.

De deurbel wekte me. In de gang stond een taxichauffeur. Rik wees de man zijn koffer aan. Hij verontschuldigde zich en toonde de man daarbij zijn wandelstok. Op dat moment glipte Alice vliegensvlug langs me heen. Ze greep Rik bij zijn middel vast. Dan zag hij mij bovenaan de trap staan. Hij nam zijn hoed even af en bevrijdde zich vervolgens voorzichtig uit Alices omhelzing. Tot mijn verbazing zei hij:

‘Dank voor je gastvrijheid,’ zonder enig verwijt.

Het beeld van de afscheidnemende vader zal ik nooit van me af kunnen werpen. Jarenlang was ik jaloers op een man wiens vrouw en kind ik had ontnomen. Een man die uit respect voor zijn vrouw en zijn kind zijn dorp verliet. Enkel om te sterven was hij teruggekeerd naar het huis waarin hij geboren was. En wellicht ook om een laatste keer zijn vrouw en dochter terug te zien. Als toeschouwer. Nu hij dood is, blijf ik verweesd achter. Het verlangen om van hem te winnen, is zo groot geweest dat het elke ratio domineerde. Misschien heb ik vanbinnen altijd geweten dat ik geen winnaar ben.

2 reacties

Frederik Hertsens

zaterdag, 16:16

Top geschreven!

Guy

donderdag, 23:52

Dit ga ik nog eens herlezen, Marieke!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch