Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

door wintertenen en zomerzolen

Door jan bulsink

Het laatste huis van dit jaar stond aan het einde van een doodlopende zandweg, op de rand van de bewoonde wereld. Het was alleen te voet bereikbaar. In mijn aantekeningen stond: ‘controleren op bewoning’. Waarom wist ik niet meer. Die vroegste aantekeningen zijn altijd lastig te onthouden. Voor een kerstverhaal zou ik er sneeuw bij moeten verzinnen, maar hier was het gewoon een herfstbos; koud, nat, een sompig glad pad. Niets schoot me te binnen. Gezin, leeftijd, kinderen… werk… bijzondere gebeurtenissen? Mijn hoofd echode leegte. Ik had geen idee wat ik hier nog moest doen. Mijn jaar was klaar.

Een flakkerend licht lokte me naar mijn bestemming.

De kamer was leeg, de haard gedoofd. In de hoek stond een boom, de kaarsjes waren half opgebrand. De kerstsok hing aan de spijker bij de schouw. De ruimte had net dat wat één persoon nodig heeft; een tafel met een stoel, een sofa bij de schouw. Het plaatje was compleet. In elke kerstfilm zou de situatie op deze manier worden gearrangeerd. De kamer was klaar gemaakt voor de nacht.

‘Te laat’ was mijn eerste gedachte, ‘hier is op me gewacht…’

Het was de afgelegenheid van die plek, de rust van het woud en het ontbreken van een volgend bezorgadres dat me een gevoel van thuiskomen bezorgde. De na-warmte hier was behaaglijk. Dit was gewoon de laatste schoorsteen van het jaar. Een gevoel van rust, van veiligheid, klaar zijn, met gevoel van uitputting, zorgde er voor dat ik daar ging zitten, in slaap viel…

Ze kwam op kousenvoeten binnen. Ik heb haar niet gehoord…

Ze zal een nieuw blok op het vuur hebben gelegd, want ik werd wakker van de vlammende warmte. De kamer flakkerde in het licht van de haard en de olielamp boven de tafel.

Ze zat op de grond bij het vuur. In het tegenlicht zag ik niets van haar. Haar armen om haar opgetrokken benen, haar hoofd rustend op haar knie, klein, tenger, sterk, zo keek ze me aan, volgde elke beweging die ik maakte. Haar leeftijd kon ik niet inschatten; meisje, oma, vrouw? Ik zag alleen haar silhouet en twee glimmende ogen. Ook haar stem gaf haar leeftijd niet prijs: “Dit is het mooiste cadeau… ik had iets anders gevraagd, maar, dat u er bent….” Terwijl ze me bewegingloos bleef aankijken zei ze zonder cynisme, gewoon oprecht blij: “Had u koude voeten? Wintertenen… Kerstmannen lopen toch altijd door de sneeuw? Dan krijg je dat toch? U was laat, ik had u eerder verwacht…” Haar ogen glommen en ze sprak aan een stuk door.

“Als kerstman heb ik nooit last van wintertenen, ik heb zomerzolen…”

De vrouw hield haar mond. Mijn domme opmerking galmde na in de stilte van dit kleine boshuisje. ‘Zomerzolen’. Ik had dat woord nooit gehoord, sommige dingen gebeuren gewoon.

“Ik was moe… drukke kerst… Kerstman, het hoort niet… ”

Mijn holle ‘ho-ho’ lachje liet ik achterwege, dat paste hier niet .

Ze keek me met grote ogen aan: “U praat…”

“Maar, mevrouw, echt … Ik zou hier niet moeten zijn…”“Natuurlijk moet u hier zijn, u mag hier zijn…! Niemand weet het, niemand komt hier. Aan wie zou ik moeten vertellen dat u hier bent… Bovendien ben ik maar een vrouw alleen, toch?”, zei ze zacht.“De Kerstman zou niet in deze situatie bij een vrouw alleen moeten zijn…”

“Wat voor kwaad schuilt daarin? Ik ben alleen, ik ben van niemand, geen man kijkt naar mij, nooit…

Toch ben ik een vrouw, ik wil gezien worden, een keer… Kijkt u wel eens naar vrouwen?”

De kinderlijke eenvoud van die vraag verzachtte me. Er school geen kwaad in. Ik ging wat voorover zitten, mijn ellebogen op mijn knieën.

“Ik ben een oude man, te oud om naar vrouwen te kijken. Mensen zien mijn pak, niemand ziet nog de man in dit pak… eigenlijk ben ik mijn eigen rol, speel ik in mijn eigen toneelstuk… niemand noemt mij nog bij mijn naam…” Het klonk onbedoeld wel erg pathetisch.

“Hebt u… mag ik.. Wilt u wat drinken? Ik heb nog wat warme wijn… moet ‘m nog wel weer even opwarmen, zullen we samen een glaasje, één glaasje?”

Ze kwam in beweging. Zij stond verbazend soepel op uit die gehurkte houding. Haar lange groene kamerjas lag om haar voeten heen op de grond. Langs de boorden van de jas had ze allemaal rode sterren genaaid. Ze leek een magiër, een koningin, vierde hier zo haar eigen feestje.

“Wat zijn dat, ‘zomerzolen?” vroeg ze terwijl ze wegliep.

Haar voeten zaten in twee zelfgemaakte warme sloffen die oren hadden.Ze zag me kijken “Vind je ze mooi? Het zijn Jap en Jinneke, of beter het waren Jap en Jinneke; mijn twee huiskonijnen. Nu geven ze me nog steeds warmte… warme voeten… Maar uw zomerzolen..?”

“Ik heb van mezelf warme voeten, dat is ’s winters een uitkomst maar zomers een probleem. Te warm, zweterig, glibberig in gesloten schoenen, vreselijk ’s avonds voor ’t naar bed gaan…”

Deze vrouw was zichzelf. Ze roerde in de warme wijn. De zware geur vulde de kamer,

het zou mijn kamertje kunnen zijn. Natuurlijk heb ik andere rommeltjes, mijn schrijfwerk, mijn leeswerk, mijn lijstjes, eigenlijk moet ik gewoon zeggen ‘mijn enorme berg zooi’. Maar verder… in het sobere, basale van deze inrichting herkende ik mezelf.

“Is ‘t rommelig hier? Vrouwen zijn meestal netter, ik ben niet zo van de spulletjes… maar ik voel me soms wel vrouw… af en toe… Hebt u m’n verlanglijstje gelezen? Verscheur het! Alstublieft… Ik schaam me er voor, nu….”

Ze schonk de wijn met zorg in aardewerken bekers, twee warme aardappelkoeken ernaast. Moeiteloos hurkte ze neer bij de haard, leunde met haar schouder tegen mijn sofa. Ze staarde in het vuur, haar ogen kon ik niet meer zien. Maar haar mantel viel open bij haar hals.

De ontblote schouder ving mijn aandacht.

In stilte dronken we kleine hete slokjes. Ze hield de mok met twee handen vast en slurpte een beetje. “Wat een verrassing” fluisterde ze. De Kerstman… moet u nog verder? Of zit uw jaar erop? Hier kunt u niet blijven… Dat willen ze allemaal, die mannen… Maar niet bij mij. Is ie lekker?”

Ze hield de beker omhoog, ik stootte de mijne tegen de hare.

“Je wijn is heerlijk, maar om je de waarheid te zeggen: ik drink nooit gluhwein… Daar heb ik geen tijd voor. Als de mensen aan die gezelligheid beginnen ben ik alweer op weg naar ‘t volgende adres. Bij die gezelligheid hoort de Kerstman nou juist níet te zijn, toch?”

Ze zette haar beker voor zich op de grond en aaide gedachteloos over mijn knie: “Da’s lekkere zachte stof… maak jij je pak zelf?”

Ik kon de neiging maar nauwelijks bedwingen om mijn been terug te trekken. Alleen een vrouw kon die vraag stellen. Ik zou niet weten wie dat pak had gemaakt, ik heb het al eeuwen. Af en toe doe ik wat klein verstelwerk, maar het houdt zich verbazend goed door de tijd.

Haar hand bleef op mijn knie liggen. Mijn hele been gloeide… er groeide iets wat al lang niets meer van zich had laten horen. En nu liet het zich zelfs zien. Soepele stof beweegt gemakkelijk mee…

Ze ging verzitten en legde haar hoofd tegen mijn knieën.

Deze vertrouwelijkheid was ik ontwend. Ik weet niet wanneer ik voor het laatst zulk mooi vrouwenhaar zo dichtbij had gezien. Met haar schouders tegen mijn knieën, duwde ze mijn benen met haar hoofd iets uit elkaar. Zo kreeg ‘mijn Nico’ alle ruimte om te gaan staan… ik had hem al eeuwen lang verwaarloosd, maar met enige trots stelde ik vast dat het bloed kruipt, ook waar het niet gaan mag…

De warme alcohol verlamde mij. Ik was minder alert, hoopte alleen maar dat die mantel verder open zou zakken, tegelijk bleef mijn mond Kerstmannendingen brabbelen, belachelijke dingen over respect, begrip en dat een Kerstman ook best alleen kan leven.

Deze vrouw was eerlijker. Zij zei dat ze gelukkig was! Maar dat gelukkig zijn haar ook zwaar viel, dat je niet alles alleen kunt doen… en dat ze ook wel eens van een man wilde horen dat zij mooi was.

Ze ging staan, keek me aan… onzeker maar vastbesloten…

“Wat vindt u van mij als vrouw?” Haar groene elfachtige mantel gleed langzaam van haar schouders, haar ogen bleven strak op mij gericht. Alles in mij dronk haar beeld op, ze was een fabel, een sprookje, een elfje, zonder leeftijd, wijs, grijs, rijp… Mijn mannenlijf droomde dromen waar ik me als oude Kerstman voor schaam.

Het wonder van deze avond was haar warme vertrouwelijkheid. Ze waste mijn voeten en zei in al haar simpelheid: “En nu mag je naast me komen liggen” en dat deed ik. De volgende avond ging ik.

“Ik beloof u, dat ik niet jonger word”, zei ze.

Ik lachte mijn Kerstmannenlach: “Ik beloof je dat ik niet ouder word…”

Sinds dat jaar ben ik driehonderdvierenzestig dagen in het jaar Kerstman, die ontbrekende dag is voor ons.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch