Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Down

Door Patricia van Santen

Met mijn ene hand ondersteunde ik haar hoofdje, met mijn andere hand sprenkelde ik water over haar buikje. Het meisje kon nog niet zitten, ze was volkomen hulpeloos aan mij overgeleverd. Ik was me ervan bewust dat als ik haar los zou laten, ze onmiddellijk zou verdrinken in het babybadje.

Grimmig bedacht ik me dat het volgens velen ook beter was geweest als ze helemaal niet geboren was. Ik had voor haar moeten strijden, het moeten opnemen tegen de heersende opinie dat het egoïstisch was. Hoe meer dit werd gezegd, hoe meer ik me erin had vastgebeten om haar toch te willen. Het was mijn laatste kans op een kind, ik zou ervoor zorgen dat ze binnen haar eigen beperkingen een zo volwaardig mogelijk leven zou krijgen.

Zachte klassieke muziek vulde de ruimte. Er werd gezegd dat klassieke muziek kon bijdragen aan de ontwikkeling van de hersenen. Ik zou alles aangrijpen om haar te stimuleren het beste uit zichzelf te halen. Je kon nooit weten. Voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel dat ik nodig was, dat ik er daadwerkelijk toe deed. Het kleine meisje keek naar me en produceerde iets dat op een glimlach leek. Meteen voelde ik de stuwende kracht van onvoorwaardelijke liefde. Wij samen zouden er het beste van maken.

Maar toch. Nu ze geboren was, was de totale verantwoordelijkheid ook beangstigend. Stel dat ze meer pijn zou hebben dan van tevoren was ingeschat. Stel dat ze onder invloed van haar beperkingen, gefrustreerd agressief zou worden. Zou ik daar wel goed mee om kunnen gaan? Misschien zou ze me later zelfs verwijten dat ik haar geboren had laten worden.

Als ik haar nu zou loslaten, zou alles voorbij zijn. Ik had de macht over leven en dood. Net zoals ik had gestreden voor haar leven, zou ik haar nu ook de verlossing kunnen geven van de dood. Dit besef bracht me van mijn stuk, onwillekeurig liet ik mijn hand dieper het water in glijden.

Mijn meisje schopte levenslustig met haar beentjes in het bad, als wilde ze me duidelijk maken dat ze het er niet mee eens was. Het kon ook niet meer, net zomin als ik het natuurlijk daadwerkelijk zou doen. Nooit zou ik haar loslaten – maar de gedachte eraan was niet meer te stoppen.

Ik had altijd al van die vreemde gedachten gehad. De wat-als scenario’s. Als ik een duiker van de hoge duikplank zag springen, drong zich de gedachte bij me op hoe het zou zijn als er plotseling geen water in het zwembad meer was. Voor mij was er altijd latent gevaar aanwezig, direct tastbaar om de hoek, waarbij ik weinig voorstellingsvermogen nodig had om gruwelijke beelden toe te laten. Als kind kon ik me al levendig indenken hoe het zou zijn als ik de vork die ik naar mijn mond bracht, enkele centimeters hoger in mijn oog zou prikken. Het was niet dat ik het wilde doen, het was meer dat ik besefte dat ik het kon doen. Het was de duistere kant van het leven waarlangs ik balanceerde, alsof ik lopend op een bergkam af en toe bij wijze van zelfkwelling de diepe afgrond in moest kijken. En dan een wankele stap moest nemen in het luchtledige, waarbij ik mezelf op het laatste moment dan toch weer in balans bracht.

Als jong kind van drie jaar had ik eens bewust de stap in het luchtledige gemaakt. Het was mijn eerste echte herinnering – ook omdat er met mijn actie zoveel commotie was ontstaan. Ik weet nog precies hoe het voelde bovenaan de trap: als klein meisje had ik de leuning vast en zwiepte van voor naar achteren heen en weer, in een eigen schommelbeweging. De gedachte hoe het zou zijn als ik los zou laten drong zich in mij op, waaraan ik in een kinderlijke naïviteit en ongeremdheid gehoor gaf. De gedachte alleen was op dat moment voldoende om het ook daadwerkelijk te doen. Ik liet mij van de trap af vallen, om al koppeltje duikelend in een enkele seconde beneden te liggen. Mijn ouders schrokken zich lam, lieten direct een dokter komen. Hij kon niets vinden, zelfs geen hersenschudding. Met mijn houding, niet verkrampt maar als een lappenpop volledig meegaand in de beweging, had ik blessures vorkomen. Ik was ook niet geschrokken, eigenlijk ging de gehele scene langs me heen – alsof ik ook toen al het vermogen bezat om uit mezelf te treden en de situatie van een afstandje te bekijken. Waar maakte iedereen zich zo druk over?

Mijn ouders dachten natuurlijk dat ik gewoon gevallen was. Ik wist wel beter. Toch vertelde ik dat niet, toen ook al aanvoelend dat ze dat niet zouden begrijpen. En wellicht begreep ik het zelf ook niet precies. Het was de eerste en enige keer dat ik had toegegeven aan de lokroep van het duister. Toch bleven de mogelijkheden zich altijd aan me opdringen.

Vooral bij het autorijden kwam de gedachte regelmatig bij me op dat ik in een fractie van een seconde het leven een wending kon geven. Zomaar het stuur naar rechts kon zwiepen om dan tegen een vangrail of viaduct te botsen. De allesbepalende macht van het stuur in mijn handen. Natuurlijk kon ik de neiging om daadwerkelijk ongelukken te maken, voorkomen. Ik zou nooit iemand anders mee willen nemen in mijn morbide fantasie, noch zou ik mijn familie willen opzadelen met de gevolgen van een dergelijke actie. En nu ik moeder was geworden moest ik natuurlijk helemaal zuinig zijn op mezelf.

Ik schudde de gedachten van me af. Het was tijd om mijn dochter aan te kleden. Voorzichtig haalde ik haar uit bad en sloeg direct een omslagdoek om haar heen. Ik depte haar met een luierdoek, sprenkelde wat baby-olie over haar buikje en begon haar armpjes en beentjes zacht te masseren. Ik drukte een kus op haar lieve kleine voetjes. Welke stappen zou zij in de wereld gaan zetten? Op welke manier zou ik haar kunnen helpen om haar weg te vinden? En welke bestemming zou er voor haar weggelegd zijn?

Mijn ouders hadden me aanvankelijk niet gesteund in mijn keuze haar te willen houden. Het was hun manier om mij tegen mezelf te willen beschermen: het was duidelijk dat ze dachten dat ik het niet aan zou kunnen. Mijn vader had me voorgerekend wat een gehandicapt kind zou kosten – zowel de kosten voor de maatschappij, als de kosten voor mijzelf. Mijn moeder had lijstjes gemaakt waarmee ze me had willen helpen de voor- en nadelen op een rijtje te krijgen. Beiden hadden op hun eigen manier geprobeerd mij te helpen in mijn keuze. En me wellicht willen overtuigen.

Maar ik had het besluit over haar leven niet willen baseren op kosten of lijstjes. Zo was ik niet en wilde ik niet zijn. Hoe moet je een leven kwalificeren, langs welke meetlat, welke maatstaven mag je hierin hanteren? Voor mij was het altijd lastig om grenzen te trekken en daar consequenties aan te verbinden. Ik was meer de reiziger die plotseling aankomt bij een woestijn, om zich er vervolgens zonder na te denken gewoon in te storten. Zonder rugtas met overlevingspakket, zonder plan en zonder water. En misschien zou ik het, op basis van mijn flexibiliteit, nog redden ook. Net zoals ik mij als peuter had laten vallen van de trap zonder geblesseerd te raken.

Er zouden genoeg mensen zijn die de sprong niet hadden durven nemen. Mensen die altijd aan de rand van de woestijn bleven, omdat ze voortdurend bezig waren met wat er mis zou kunnen gaan. Mensen die nooit voorbereid genoeg zijn en denken vanuit angst.

Ik legde mijn meisje op het aankleedkussen en pakte de kleertjes die ik al had klaargelegd. Rompertje over de onwillige armpjes, gewurm van handjes door mouwen heen. Ik voelde me helemaal moeder, alsof ik uiteindelijk lid was geworden van de speciale groep vrouwen die oerwijsheden deelden. In werkelijkheid werd ik door andere moeders met medelijden aangekeken. Ik wist het wel. Met mijn meisje zou ik nooit helemaal lid kunnen worden van hun club.

Na mijn besluit om haar geboren te laten worden, waren mensen gestopt hun mening te geven. Ik had ook maar weinig kraamvisite gehad: mensen vonden het moeilijk om woorden te kiezen voor haar. Het was duidelijk dat ze me niet meer begrepen. Maar ach – eigenlijk was ik altijd al een einzelgänger geweest. Nu had ik tenminste nog mijn meisje dicht bij me.

Ik legde mijn dochter op mijn schouder. Ze sliep al tegen me aan. Ik wilde niet toegeven aan mijn angst, ik nam me voor haar nooit los te laten. Maar als de lokroep onhoudbaar werd, wist ik waar we ons samen het duister in konden werpen.

8 reacties

Maria Koster

maandag, 19:48

Bijzonder sfeerverhaal met origineel gegeven

Mieke B

vrijdag, 18:15

Goed verwoord. Intense blik in de geest.:)

Dragica

vrijdag, 15:35

Wou, heftige prachtige verhaal!

Janine

vrijdag, 13:58

Geweldig geschreven.

Joost

vrijdag, 10:37

Mooi met een beangstigend randje

Wendela Waller

vrijdag, 10:29

Prachtig, tranen in mijn ogen!

Antoinette

vrijdag, 10:23

Prachtig mooi!

Henk de Hoog

vrijdag, 10:18

Prachtig verhaal

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch