Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Dubbel

Door Elke Everaert

Het is niet de eerste keer dat dit hem overkomt.

Als hij op zakenreis is, gebeurt het wel vaker: in het midden van de nacht wordt hij wakker en nog voor hij zijn ogen heeft geopend, weet hij dat er iets niet klopt. De nacht voelt breder aan dan anders – overvalt hem. Sommigen zouden het intuïtie noemen. Hij wijt het aan zijn lijf; het kan uit de net iets te harde of zachte matrassen afleiden dat hij niet in zijn eigen bed ligt.
Gewoonlijk zoekt hij dan het knopje van het nachtlampje. Enkele seconden licht zijn genoeg om de ruimte te laten krimpen. Zijn positie is weer gedefinieerd. De misplaatstheid trekt op.
Onwillekeurig zoekt hij zijn smartphone. Op het schermpje verschijnt een foto van zijn vrouw en twee identieke zonen. Hij leest hoe laat het is en berekent hoeveel tijd hij nog heeft tot het alarm zal afgaan. Dan doet hij zuchtend het licht weer uit.
Heel af en toe blijft er nog wat van dat onbestemde in de kamer hangen – een zoemende mug – waardoor hij de slaap niet meer kan vatten. Ook voor die gevallen heeft hij een tactiek: hij probeert zich het hotel waar hij verblijft voor de geest te halen: zoveel verdiepingen, op elke verdieping zoveel kamers, zoveel andere mensen omringen hem dus – in een kopie van zijn kamer, in een kopie van zijn bed. Hij onderscheidt zich op geen enkele fundamentele manier van hen. Oké, misschien is hij bovengemiddeld groot, maar voor de rest doorsnee.
Als zij kunnen slapen, moet het hem ook lukken.
Hij negeert dat er – ondanks het late uur – bedrijvigheid is: hier en daar wordt nog gestommeld, gedoucht, gehijgd en gegeten. In zijn hoofd bestaan alleen slapende mensen. Hij telt ze. Het werkt altijd. In minder dan vijf minuten is hij weer één van hen.

Het is niet de eerste keer dat dit hem overkomt.

Ook nu knipt hij meteen het licht aan, maar hij schrikt van de plotse beweging naast hem en springt in een reflex het bed uit.
Dan een stem.
‘Wat is er, schat, heb je beneden iets gehoord?’
Het duurt even voor hij beseft dat dit zijn vrouw is en dat zij hem een vraag heeft gesteld.
‘Nee, ik wilde je niet wakker maken, sorry, ik wist niet dat jij hier was.’
‘Waar zou ik anders zijn? Je hebt zeker iets geks gedroomd. Je bent in de war.’
‘Maar nee, je weet toch dat ik niet droom.’
‘Iedereen droomt. Hoeveel keer moet ik je dat nog zeggen? Jij weet gewoon niet meer wát je hebt gedroomd. Kom maar terug in bed. Je bibbert.’
Hij gehoorzaamt. Het deken is klam en lijkt zwaarder dan anders. Zijn vrouw slaat een been over het zijne. Haar schaamhaar schuurt even langs zijn dij. Hij kan de aanraking moeilijk verdragen.

Hij denkt aan het personeelsfeest waar ze die avond naartoe geweest zijn. Zijn vrouw heeft er gedanst. Zo vreemd is dat niet, ze houdt immers van dansen. En ze was ook niet de enige op de dansvloer – natuurlijk niet. Toch ergerde hij zich plotseling aan haar. Op dat moment kon hij niet verklaren waarom, nu snapt hij het ineens: het is de egoïstische manier waarop ze danst – alsof de anderen niet bestaan. Ze had even goed haar kleren kunnen uittrekken.

Plots ziet hij de handen van zijn collega’s naar haar borsten grijpen. Tegelijkertijd beseft hij dat het een hersenschim is. Misschien heeft hij toch gedroomd. Waar komt dat haarscherpe beeld anders vandaan? Hoe het ook zij: lust hing op het feest als een aura rond haar. Dat wat hij is kwijtgeraakt, heeft zij weten te behouden. Nog steeds brengt zij hoofden op hol. Zij is géén flauw afkooksel van zichzelf geworden. Een zware job als verpleegster, een man die vaak van huis is, een tweeling en een woonkrediet dat nog meer dan 10 jaar loopt – niets heeft haar niet kunnen temmen. Ze is onaangetast.
Hij zou trots moeten zijn; hij ligt nu in bed naast die vrouw die zo begeerd wordt. De waarheid is dat hij walgt. Toch windt de afkeer hem op. Hij voelt hoe zijn geslacht ongewenst groeit.
Hij wil haar slaan. Na al die jaren is ze nog altijd schaamteloos zichzelf. Hoe doet ze het in godsnaam? Hij kent het antwoord wel: de wereld vergeeft haar die wildheid, omdat ze van nature licht is – in alle betekenissen van het woord. Ze hoefde dus niet te veranderen
Bij hem ligt het anders: zijn drift is zwart. Als sinds zijn puberjaren voelde hij zich oud. Niet enkel zijn lange lichaam, ook zijn ziel wierp een schaduw. Die donkerte trok spijtig genoeg vooral vrouwen van het dramatische type aan. Daartoe behoorde zijn vrouw hoegenaamd niet. Toch belandden ze op een nacht – iets meer dan een decennium geleden – door omstandigheden in hetzelfde bed. Ze bleken op elkaars lijf geschreven, waren uitersten van dezelfde intensiteit. Seks was als in de spiegel kijken en daar een tegengestelde versie van zichzelf vinden. Zijn bandeloos zwart vatte vuur, haar lichtheid kreeg diepgang. Sindsdien waren ze onafscheidelijk. En hun liefde liet zich niet beteugelen door de tijd – iets waar veel bevriende koppels jaloers op waren.
Alles veranderde langzaam maar onherroepelijk, toen er kinderen kwamen. Nee, niet alles – blijkbaar was híj het. Als vader vond hij zijn zwaarmoedige kant onaanvaardbaar. Hij zag het als zijn plicht die te verbergen. Zonder dat iemand daarom vroeg, heeft hij op die manier zichzelf verbannen. De jongens hadden recht op een normale papa.
Het ging hem beter af dan hij had gedacht. Tot nu. Hij kan zijn eigen leven niet meer in.

In paniek springt hij uit bed.
‘Ik ga even naar beneden. Misschien heb ik toch iets gehoord.’
‘Denk je,’ vraagt zijn vrouw slaapdronken.
‘Ik ben direct terug. Slaap maar verder.’
Snel trekt hij een T-shirt aan. Dan gaat hij in het donker de trap af. De nacht, die hij vroeger als zijn natuurlijke biotoop beschouwde, jaagt hem angst aan. Bijna gelooft hij zijn eigen leugen. Het zou hem niet verbazen in de keuken een inbreker aan te treffen.
Hij doet het licht aan. Er is niemand.
In een poging zichzelf te kalmeren schenkt hij zich een glas water uit. Hij komt tot het besluit dat hij zijn vrouw kwijt is. Ze moet een minnaar hebben, hoe houdt ze het anders bij hem uit. De gedachte is onuitstaanbaar. Hij is nu alleen nog maar boos, voornamelijk op zichzelf.
Hij ijsbeert door de kamer. Die is te klein. Iets drijft hem naar buiten – de duisternis in. Op automatische piloot wandelt hij naar het bos dat aan hun tuin grenst. Hij komt er tegenwoordig te weinig.
De maan is op een haar na vol en giet een glazige glans over de wereld. Onder zijn blote voeten kraken de herfstbladeren. Hij wil naar de omgewaaide beuken, een open plek waar hij vroeger regelmatig naartoe ging met zijn vrouw. Op nachten als deze bedreven ze er de liefde. Meer dan drie jaar geleden zal het niet geweest zijn. Toch lijkt het een eeuwigheid.
Hij stokt. Op één van de vermolmde stammen zit een vrouw. Ze lijkt verdacht veel op de zijne en is volkomen naakt. Dat verbaast hem niets. In het maanlicht lijkt haar huid doorzichtig.
Hij stapt naar haar toe, maar ze merkt hem niet op. Ineens veert ze op en begint te dansen. Hij probeert weg te kijken. Tevergeefs. Zijn begeerte neemt het over.
Plots verschijnt er vóór de vrouw een man die verdacht veel op hem lijkt. Het verwart hem.
De dubbelganger legt zijn arm om de middel van de vrouw en lijkt precies te weten waar zij heen wil. Dat moet ook. Anders zou ze zich nooit door hem laten leiden. Hun bewegingen worden steeds geiler. Hij kan het niet langer verdragen.
Nooit eerder in zijn leven heeft hij gevochten. Maar nu slaat hij de man moeiteloos in elkaar. Een klap in het gezicht volstaat om hem te vellen.
Nog voor de vrouw goed en wel beseft wat er aan de hand is, brengt hij zijn handen rond haar nek. En hij duwt. Vastberaden. Ze spartelt heftig tegen, maar hij blijft duwen. Tot ze eindelijk ophoudt. Tot ze niet meer beweegt.

Het eerste zonlicht baant zich een weg tussen de kalende bomen en geeft de man die als een blad viel, weer vorm.
In de schemering tussen slapen en waken ruikt hij het al: hij is thuis.
Na enkele minuten duwt hij zich recht. Dan pas voelt hij de pijn. Hij brengt een hand naar zijn hoofd, alsof hij zich ervan wil vergewissen dat het er nog staat. Als hij vervolgens met een vinger zijn neus raakt, krimpt hij ineen. Boven zijn lippen ontdekt hij een straaltje opgedroogd bloed. Er komen flarden van de nacht terug, maar hij kan er kop noch staart aan krijgen en geeft het uiteindelijk op.

Volkomen kalm keert hij terug naar huis. Hij weet wat hem te doen staat.

geen reacties
1 Poetry slam

Samen Slapen

Ben Oranje

0 Poetry slam

Ik ben net niet

Reinier Punt

0 Fictie

De dijk

Wendy Wierdsma

0 Non-fictie

Kwijt

ANJA KWARTEN

0 Fictie

Stromen

Sonja Coenen

0 Non-fictie

Als ik ga

Heidi Hulst

2 Poetry slam

kindje

Jacqueline Brouwers