Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Dwaallichtje lichtjes

Door Marleen Riemersma

‘Ik fietste eens door de stad. Toen zag ik een lichtje, precies in de tramrails. Knipperend! In de tramrails. Het was een rood lichtje, knipperend een lampje. Van de fiets afgevallen ofzo. Helemaal klem in de tramrails. Hij knipperde zo levend. Zó levend! Knipperend lampje lichtje en rood! Ik dacht: nog even en hij is voor altijd kapot.’
‘Heb je hem toen gered?’
‘Ik vond het zo zielig voor dat lichtje, knipperend lichtje lichtje lampje fietslampje rood knipperend knipperend bevend bang zo levend! Zó levend!’
‘Och!’
‘Terwijl ik wist dat er een tram aan zou komen die, die…’
‘Maar je hebt hem niet gered.’
‘Ik dacht: hij zal straks stukgaan.’

Ze woonden in een huisje. Een klein huisje en buiten was het donker. Alle lampen waren aan, behalve de minst gezellige. Het huisje was dus erg gezellig verlicht maar wel zó verlicht dat de smaak misschien verloren ging. Ze aten wortelsoep. Straks. Straks aten ze wortelsoep en nu maakten ze het. Zij sneed de wortels. Hij sneed de ui. Dat deed hij altijd erg langzaam, maar wel met zorg. Wortels! Oranje ronde schijfjes. Oranje! Oranje ronde. Hak, hak, harde schijfjes. Sommige rolden weg. Ze bukte.

‘Nog even.’
‘Nog even?’
‘Bijna.’
‘Dat weet je niet.’
‘Hij zei-’
‘Ik geloof er niet meer in.’
‘Nog even en het is afgelopen.’
‘Er komt geen-’
‘Nog even-’
‘-einde aan!’
‘-en het is afgelopen.’

Soep. Oranje. In een rondje en warm. Warm!
‘Vroeger was ik een tijdje geobsedeerd door pompoenen. Ik had er een fantasie over.’
‘Over pompoenen?’
‘Ja. Ik woonde in een huisje. Een pompoenhuisje. In een pompoen woonde ik – een uitgeholde pompoen – en er was een krukje, een pompoen was dat met houten pootjes eronder. Een pompoenkrukje en ik at pompoensoep. Er was een grote pan met pompoensoep, de pan was een uitgeholde pompoen – een kleinere uitgeholde pompoen, een uitgeholde pompoen in een uitgeholde pompoen – en de pompoensoep goot ik in een klein pompoenenkommetje. Het kommetje was ook een uitgeholde pompoen maar dan gehalveerd en het was een heel klein pompoenetje. Pompoenetje. In dat huisje was alles warm en oranje en alles was van pompoen. Er was volgens mij ook pompoenmoes of pompoensap of nee. Pompoensap komt veel voor in de toverboeken – de toverboeken! – misschien heb ik de pompoensap er later bij bedacht.’
Pompoen pompoen alles warm en oranje en pompoen pompoenwereld veilig klein een bubbel! Kommetje. Kommetje pompoensoep. Wat was er eigenlijk nog meer van pompoen? Een pompoentafeltje? Zacht! Alles was ook zacht! Pompoenplantjes? Nee. Later probeerde ik pas plantjes te maken uit zaadjes. Ik had ook pompoenzaadjes en er kwam wel een plantje uit maar ik had ze gezaaid in jampotjes binnen. Binnen. Ze konden niet goed genoeg groeien. Ik heb ze buiten gezet en toen gingen ze dood geloof ik. Pompoen. Pompoenhuisje rond en oranje zacht warm pompoen pom-
‘Ach, een pompoenhuisje.’

De soep pruttelde.
‘Het was-’
‘Ik heb weleens suikerbieten uitgehold. Op school. Leuk was dat.’
‘Suikerbieten zijn niet oranje.’
‘Nee, maar-’
‘In mijn herinnering had ik toen pijpenkrulletjes, in die pompoenfantasie. Hele blonde. En donkerblauwe kleren aan. Een fluwelige legging, die droegen we toen. En donkerblauwe linten in mijn haar.’
‘Ach, klein meisje.’
‘Ik had lievelingsschoenen. Mijn maat veranderde natuurlijk telkens – ik groeide! – en dus mijn lievelingsschoenen ook.’
‘De suikerbieten waren heel zoet, daar verbaasde ik me nog over. Gek eigenlijk dat-’
‘Lichtblauwe schoenen. Heel fel licht lichtblauw met gele veters – felgeel! – en een dikke, gele zool. Dat waren mijn lievelings.’
‘Ach.’
‘En donkerblauwe. Nachtblauw. Met suède, of lak. Nee allebei! Suède en lak én linten, donkerblauwe linten. Vooral dat vond ik er mooi aan. Ah, die schoenen!’
‘Och, wat lief.’

Ze maakten soep in het verlichte huisje. Samen, wortelsoep en buiten was het nacht. Het zwartsel sloot hen in, had hen allang ingesloten, en gluurde naar binnen. Het was er zo licht. En de soep was zo oranje.

‘We maakten ook weleens lampionnen van melkpakken. De mijne was groen, met raampjes. Donkergroen en vanbinnen natuurlijk zilver. Ik denk zilver.’
‘Lampionnen. Dat pompoenhuisje-’
‘Maar de suikerbieten waren specialer. We gingen ze uithollen en daarna gaatjes, of misschien zelfs gezichtjes, vormpjes, in de wanden hakken. Uithakken. Dat deden we op school. Dat mocht.’
‘De wortelsoep.’
‘Moet ik al dekken?’
Oranje en rond! Warm! En zo licht!
‘Nog even.’

‘We deden er kaarsjes in – toen waren het nog kaarsjes, misschien zetten ze er nu andere lichtjes in – we deden er kaarsjes in. Het gaf een mooi gezicht.’
‘Als ik nadenk over mijzelf in die pompoen, dan heb ik de nachtblauwe schoentjes aan, met de strikken. Mijn moeder-’
‘Het ruikt al lekker.’
‘Kon ik nog maar een keer van huis naar school lopen, zoals-’
‘Ik ga opdienen.’
‘Voorzichtig.’

‘Dat pompoenhuisje, hè.’
‘Ja?’
‘Zaten er in dat huisje ook gaten in de wanden? Rondjes? Een gezichtje? Zoals je soms ziet bij pompoenen en dus ook suiker-’
‘Nee!’
‘Maar van buitenaf-’
‘Niemand kon me zien! Het was veilig! Geen gaten!’
‘Maar als je een lichtje aansteekt in een pompoen, een uitgeholde pompoen met vormpjes-’
‘Nee!’
‘Dan zie je niks van de binnenkant!’
‘Donker kan altijd naar het licht gluren maar het licht kan nooit terugkijken nooit in het donker nooit!’
‘Maar dat is niet waar! Het verblindt! Je kan het binnenste van de pompoen niet zien als er een lichtje inzit!’
‘Hou je mond!’
‘Of misschien alleen heel vaag, maar het valt best-’
‘Het melkpak was toch zilver, zei je! Ja toch?’
Toch. De donkerte verdrong zich tegen het raam. Het was zo warm en het rook zo lekker. De lichtjes!

‘We kunnen er nooit uit.’
‘Liefje.’
‘We kunnen er nooit uit.’
‘Nog even en het is afgelopen.’
‘Gitzwart! Het zwart!’
‘Nog even en-’
‘Altijd! Altijd!’
‘-het is afgelopen!’
‘Ik dacht-’
‘Kom.’

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam