Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Editio Schrijfwedstrijd

Door Anton Pater

Barst maar, dacht hij, terwijl de pen tussen zijn vingers in tweeën brak. De woorden gaapten hem aan als valkuilen zonder bodem. Om hem heen blauwe en gele Post-it briefjes met daarop fragmenten van zinnen. Flarden van inspiratie, die moesten leiden tot een onontkoombaar verhaal. Pen, papier en Post-its verdwenen in een prullenbak, afscheid nemen ging nog nooit zo snel. Op weg naar de koelkast dacht hij aan de dood, die je in een flits je hele leven liet zien. Hij zag in een flits zijn verloren leven, en het voelde alsof er iets in hem stierf. Hij liep terug met een bierfles in de hand, alles aan hem bewoog zoals bedoeld: armen en benen, handen en voeten, tong en strottenhoofd. Toch was er iets weg, geamputeerd.

Hij passeerde zijn boekenkast, vol met klassiekers en aangevuld met een selectie van hedendaagse schrijvers. Daartussen vier boeken van zijn hand – Print on Demand – die hij nooit zo duidelijk zag als totaal misplaatst. Hij pakte ze eruit, ging zitten op de bank maar hij durfde zijn vruchten niet open te slaan. Hij wist wat erin stond: woorden die door de mallemolen van spellingscontroles, proeflezers, schrijfcoaches en herschrijfbeurten waren gegaan. Ieder woord had hij dertien keer gelezen – of waren het er dertig? Teksten ontdaan van misplaatste d’tjes en t’tjes, van al te uitbundige superlatieven. Van pretentieuze attributieve adjectieven en dubieuze mooischrijverij. Karige, houterige teksten bleven over, maar zijn teksten waren nooit karig genoeg. Hij las ze wel, die in de hemel geprezen romans van jonge debutantes. Ze konden hem weinig boeien, soms haalde hij het einde van zo’n verhaal niet eens.

Hij dacht aan het jaar ervoor, toen hij zijn beste tekst inzond voor de schrijfwedstrijd die hem nu deed vastlopen. Driemaal daags keek hij op de website, zijn verhaal werd zelden gelezen. Bij de afrekening viel hij buiten de boot en dat oordeel woog zwaar. De verhalen op de shortlist mochten die naam niet eens dragen, hoe had Mulisch dat ook alweer geformuleerd, wanneer het ging om waardeoordelen van juryleden en recensenten?
“Het valt niet mee om als olympisch ijsdanser beoordeeld te worden door kneuzen die nooit ofte nimmer jouw niveau halen”.
Een tikje arrogant misschien, maar deze herinnering aan de grootmeester deed hem goed. Ook Mulisch had de wind tegen, toen hij nog niet groot was.

Het bierflesje was bijna leeg, zijn hand lag op zijn boeken, hij was tweeënhalve maand drieënzestig.

De boeken onder zijn hand hadden hem kapitalen gekost. Schrijfcursus na schrijfcursus had hij erdoorheen gejaagd. Workshop na workshop had hij gevolgd. Hij sleepte zijn vrouw mee naar een schrijfvakantie op Kreta waar hij, godbetert, met soortgenoten schrijfoefeningen maakte terwijl het zweet via zijn pen op het papier liep. Ondertussen lag zijn vrouw met een Griek aan te pappen op het strand van Chersonissos.
In één keer doorzag hij de illusie: de schrijversgroepjes waarvan de leden elkaar veren in de reet staken. De neppe Facebookvrienden die het leven van de onbekende schrijver bezongen. De bundeltjes die her en der werden uitgegeven met daarin de gedrochten van wezens die willen spelen dat ze een schrijver zijn. Godallemachtig, wat een dwaasheid.

Wat een kansloze maskering van het falende naar erkenning smachtende schepsel wat we zijn. Het tekort dat gevuld wordt door woorden op papier, het gat dat gedicht wordt door een schrijfopleiding. De minderwaardigheid die gezalfd moet worden door de gedachte aan het winnen van een schrijfwedstrijd.
Hij smeet het bierflesje in een hoek, smeet zijn POD’s erachteraan. Het was niet genoeg. Hij vloekte: godallejezus het is genoeg! Maar het was niet goed genoeg. Hij liep de trap van de kelder af, in drie dozen stonden daar een stuk of honderd van zijn boeken. Romans die niemand wilde lezen, behalve vrienden en familie omdat dat nou eenmaal zo hoorde. Hij sleepte de dozen één voor één de trap op, gooide ze op een hoop in de achtertuin en toen hij een lucifer afstreek had hij niet de minste twijfel.

Hij verlekkerde zich al aan de oplaaiende vlammen toen hij wakker werd. In een universum waarin hij niet meer wist waar hij was werd het gesnurk van zijn vriendin een baken. Hij stapte uit bed, trok zijn ochtendjas aan en sloot voorzichtig de deur. Hij zette een kop thee en zakte naast de kat in de bank. Het beest deed een halve seconde één oog voor de helft open. Geen enkele respons op een aai over de bol. Hij bestond niet, barst maar, het is goed.
Genoeg.
Mijn god, dacht hij, wat een nachtmerrie.
In de stilte die alleen werd onderbroken door de secondewijzer van een klok pakte hij pen en papier.
Hij schreef twee woorden: Editio Schrijfwedstrijd

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch