Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een dikke vette vis

Door Lucas Kramer

Het is een koude, donkere ochtend in november. Ik zit in de roestige bus van papa en die maakt vreselijk veel lawaai. We zijn al vroeg aan het rijden om een dag lang te gaan vissen. De verwarming van de bus is al een tijdje kapot. Ik heb het hartstikke koud en heb mijn knieën tot aan mijn kin opgetrokken en mijn armen om mijn benen heen geslagen. Ik probeer mezelf warm te krijgen. Papa lijkt geen last te hebben van de kou. Ik zie hem niet rillen – zoals ik af en toe – of zijn handen warm blazen of zoiets. Wel steekt hij een sigaret op. ‘Wat?’ vraagt hij nors als hij ziet dat ik naar hem kijk. ‘Niks hoor.’ Ik houd er niet van als hij zo nors doet. Hij heeft sinds gisteravond al zo’n rothumeur en dat haat ik. Hij liep maar te tieren door het huis. Toen hij vloekend de afwas stond te doen had mama voorgesteld om er vandaag anders even tussenuit te gaan. Hij liet even zijn handen in de bak met sop hangen. Zwijgend had hij naar de geiser voor zich gestaard, alsof die hem iets probeerde in te fluisteren. In stilte droogde ik twee mokken af. ‘Misschien’, had hij uiteindelijk gemompeld, maar later die avond had hij met mama een plannetje gemaakt. Hij wou wel even een dagje vissen. Ik hoorde het toen ik op de trap zat. Ik hoopte dat hij vandaag wat vrolijker zou zijn, maar ik merk het nog niet aan hem. Mijn buik tintelt ervan, ik klem mijn armen nog wat steviger om mijn benen en probeer nergens aan te denken. Ik kijk alleen naar de witte strepen op het wegdek, die in de lichtbundel van de koplampen verschijnen en daarna onder de auto verdwijnen.

We komen aan op de visstek als de ochtendschemering invalt. Ik hoor een paar vogels fluiten als ik uit de bus stap en de schuifdeur opengooi. Zoals gewoonlijk pak ik de hengels en de viskoffer. Mijn vader volgt me met de hengelsteunen en de stoelen. Hij loopt nog een keer terug voor visvoer en emmers. Ik hoor de schuifdeur dichtslaan terwijl ik de stoelen uitklap. De waterplas is spiegelglad. Hij doopt de emmer in het meer en mengt het water met visvoer. Niet lang daarna splijt het water open door de eerste voerbal. Even rimpelt het voor het weer bewegingloos blijft liggen alsof er niets is gebeurd. Ik kijk naar hem. Zijn zware wenkbrauwen staan nog steeds in een frons. Wat moet ik nu doen? ‘Wil je wat koffie?’ vraag ik. Hij knikt en gooit de laatste bal in het water.

We vissen de hele ochtend. Ik kan niet goed stil blijven zitten omdat ik het zo koud heb en huppel heen en weer. ‘Mag ik even stukje lopen, ik heb het zo koud.’ ‘Is goed jongen.’ Hij kijkt me niet aan. Ik loop langs een dikke rietkraag waar ik niet overheen kan kijken. Na een tijdje word ik nieuwsgierig waar ik precies ben. Ik spring omhoog om boven de rietkraag uit te kunnen kijken. Steeds zie ik voor minder dan een seconde een landschap. Als een diashow waarin de dia’s snel worden doorgedrukt. Water. Water. Water. Ik draai me om. Weiland. Weiland. Weiland. Ik draai me weer naar het water en probeer papa te spotten. Het lukt. Ik stop meteen en loop weer door. Tussen de rietkragen bevindt zich een vissteiger, ik ga er op staan en kijk naar mijn vader, die nog steeds in zijn stoel zit. Ik zwaai naar hem, maar hij zwaait niet terug. Ik staar maar wat over het water en dat bevalt me wel. De zon breekt plots door de wolken en ik richt mijn gezicht er naar toe. Ik doe mijn ogen dicht en laat de warmte over mijn gezicht stromen. Na even dromen loop ik weer terug, want ik wil niet te lang wegblijven zodat hij zich zorgen om me gaat maken. Terwijl ik terugloop voelen mijn benen plots heel zwaar, ze willen niet lopen naar waar ik ze naar toe stuur. ‘Kom op, lopen’, spreek ik mezelf toe. En ik loop.
‘Nog wat gevangen?’ vraag ik aan hem.
Hij schudt nee.
‘Wil je anders wat eten?’, vraag ik.
‘Mmh. Heb jij al honger?’
‘Niet echt.’
‘Ik ook niet.’ Hij staat op en pakt een hengel. ‘En die klotevissen ook niet.’
Ik ga zitten en pluk aan het gras.
Terwijl hij bezig is met de ene hengel begint de klikbeet op de andere te piepen. ‘Ja, pap, raak, pak de hengel.’ Ik wijs er driftig naar.
Hij geeft de hengel waar hij mee bezig was aan mij. ‘Draai deze lijn vlug naar binnen.’ Hij grijpt vlug de hengel waar de vis aan zit. De top trekt zwaar naar beneden. ‘Ja jongen, dit is een vette vis. Ik voel het. Haha. Eindelijk.’
Zo snel als ik kan draai ik de lijn van mijn hengel naar binnen en leg die op het gras. De molen van mijn vaders hengel ratelt heftig. ‘Oh, dit is een sterke. Hij loopt flink uit. Maar je gaat het niet winnen jongen, je gaat het niet winnen.’ En dan breekt de lijn. ‘Wat een kutzooi.’, schreeuwt hij en gooit de hengel in het gras. Hij trapt zijn stoel om. ‘Klote kutzooi. Wat een kutgedoe.’ Hij rent naar de bus, gaat zitten en slaat een paar keer hard op het stuur waarna hij zijn handen voor zijn gezicht doet. Ik draai mijn hoofd om en staar naar het strakke water. Wat nu?

Vlug doe ik nieuw voer in de voerkorven en wat extra maden aan de haken en gooi de hengels weer in. Mijn hart bonst als een gek, want ik heb maar een paar keer eerder met de hengels geworpen, en dat ging niet altijd even goed. Ik mocht het ook nooit doen van papa. Ik leg de hengels weer in de houders en ga op mijn stoel zitten. ‘Kom op vissen, er zit wat lekkers aan. Kom op. Bijt nog een keer.’ Ik bijt wat op mijn nagels en kijk naar de top van de hengel. Pluk wat gras. Kijk naar de top van de hengel. Niets. Een vogel scheert over het wateroppervlak. Bijt weer op mijn nagels. Niets. Draai me om en kijk naar papa in de bus. Hij zit nog steeds met zijn gezicht in zijn handen. Kom op nou vissen. Ik grijp een bal voer en gooi die in het water. Weer splijt het water zich waarna de rimpels uitvloeien, en dan is alles weer stil. Kom op nou vissen, kom op nou. Na uren lijkt het wel, hoor ik de deur van de bus dichtslaan. Papa gooit mijn broodtrommel op mijn schoot. Hij gaat in zijn stoel zitten en opent zijn broodtrommel. De randen om zijn ogen zijn rood en hij ziet er nog witter uit.
‘Er zit tonijnsalde op uw brood. Dat vind u lekker toch?’, zeg ik.
‘Ja, dat is lekker jongen. Maar je had niet mijn boterhammen hoeven smeren.’
‘Ik doe het graag voor je.’
‘Het is niks vandaag. We blijven nog twee uurtjes. Als we dan niks hebben gevangen gaan we naar huis.’
Ik eet mijn brood met pindakaas op en hoop vurig dat een dikke spiegelkarper zich alsnog vastbijt. Een hele dikke vette sterke vis. Die je een half uur lang moet uitputten. Maar er gebeurt niets. Mijn vader zakt steeds verder weg in zijn stoel. Hij ziet er moe uit. Kom op nou, kom op nou, kom op nou. Bijt bijt bijt. Maar er gebeurt niets. Plots staat hij op en begint zwijgend de lijn in te draaien. Ik begin met opruimen.

Als ik thuis ben wil ik de spullen in de garage leggen maar papa houd me tegen. ‘Ik ruim het wel op, ga jij maar lekker spelen.’ ‘Dank je pap.’ Ik wou naar binnen gaan. ‘O en jongen.’ Ik draai me om. ‘Ik uhm, had niet zo moeten schelden vanmiddag.’ ‘Het geeft niet.’ Hij krabt wat vuil onder zijn nagel vandaan. ‘Ik zit niet zo goed in mijn vel. Komt wel weer goed.’ Ik knik en zeg nogmaals. ‘Het geeft niet.’
Binnen ligt mama in bed in de woonkamer. Haar hoofd ligt diep weggezonken in haar kussen. Ik loop naar haar toe en geef haar een kus. ‘Hey jongen. Heb je nog wat gevangen?’ Ik kijk naar haar en naar oma die naast haar zit en naar mijn vader die ook de woonkamer in is gelopen. ‘Uhm, ja, heel veel.’ Mijn vader kust mijn moeder ook. Ik kijk alledrie weer om beurten aan. ‘Ja drie van zulke jongens’. Papa beeldt uit hoe groot de vissen waren. ‘Dus het was een fijn uitje.’ Pap en ik knikken allebei. Dan brengt papa oma naar huis.

Als ik ‘s nachts wakker word, hoor ik mama overgeven. Mijn vader slaat hard op een deur en is aan het schelden. Als het weer een tijdje stil is gaat mijn slaapkamerdeur zachtjes open. Ik doe alsof ik slaap. De deur gaat weer zachtjes dicht.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam