Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een geslacht van nestenbouwers

Door Afke Jong

Al voor het tweede jaar nestelen een stel kraaien in onze tuin. Ze hebben hun bivak opgeslagen in de hoge treurwilg waar ze vorig jaar voor het eerst hun nest bouwden. Ik houd niet zo bijzonder van kraaien, ik vind het lelijke agressieve vogels. Maar omdat ik me vereerd voel door hun keuze voor onze tuin maak ik voor dit stel een uitzondering.

‘Hé, zal ik met de pil stoppen?’ De vraag aan Ad, zo’n half jaar geleden, staat me nog scherp voor de geest.

‘Waarom?’

Ik ben 28, ik wil een kind, een gezin. Ik wil mezelf leren kennen als moeder, ik wil moeder worden omdat ik denk dat ik dat kan. Ik zie mezelf al voor me, het kind in het voorzitje van mijn fiets. Ik ben een makkelijke nuchtere moeder. Ik houd van mijn kind, dat is alles, ik overlaad het gewoon met liefde en dan komt alles goed.

Ad zat op de bank en dacht na. Hij protesteerde niet en dat vatte ik op als een ja. Zo’n groot besluit kun je onmogelijk nemen, dat valt gewoon. Bovendien wisten we altijd al dat we kinderen zouden krijgen. Dit was meer een kwestie van timing.

‘Dan stop ik ermee,’ zei ik ter bevestiging.

Kraaien denken er ook niet over na. In mei leggen ze een ei. Ze gaan aan de slag met het overgebleven nest en vliegen af en aan met takjes. Het wordt een grof en rommelig nest. Als dat maar goed gaat, denk ik.

Dan denk ik aan het nest dat mijn moeder voor me bouwde. De paar zielige takjes die ze op elkaar stapelde. Ze kwam niet uit een geslacht van nestenbouwers.
‘Mamma gaat even weg maar ze is zo terug!’ Mijn moeder boog zich over het bedje van waaruit ik toekeek hoe zich opmaakte. Ze draaide rond voor de spiegel om te zien hoe haar billen er uit zagen in haar rokje.
‘Nee, Mamma,’ ik strekte mijn armpjes naar haar uit, ‘blijf, Mamma!’
Maar Mamma maakte mijn armpjes los vanachter haar nek.
‘Toe, even lief zijn, ik ben echt zo weer terug.’ ‘Nee! Mamma! Ik ben bang!’ Ik wilde niet alleen blijven in het donkere huis. Ze pakte haar sigaretten, stopte ze in haar tas en stapte in haar pumps. Bij de deur draaide ze zich nog even om, ‘ga jij maar lekker slapen.’

De kraai lijkt haar nest nooit te verlaten. Dat kan ik natuurlijk niet weten want ik sta niet de hele dag te kijken maar toch prijs ik in gedachten haar volharding. Mijn moeder had een voorbeeld aan haar kunnen nemen, sterker, ík zou een voorbeeld aan haar kunnen nemen. Ik kan er niks van, dat weet ik nu al. Ik was nog maar net 4 weken zwanger en snakte al naar een sigaret!

Mijn kuiken trekt zich er niets van aan. Met zachte plofjes in mijn buik, eerst voorzichtig maar dan steeds duidelijker, laat het me weten, hier ben ik! Ad krijgt een weke blik in zijn ogen als hij zijn grote hand beschermend op mijn buik legt en zijn kroost voelt schoppen. Ik stel me de kleine voetjes voor, het mini-mensje dat rondzwemt in mijn buik, met een streng verbonden aan mijn bloed. Zo kwetsbaar, zo totaal afhankelijk van mij dat ik er duizelig van word. Ik zie de nicotine als een grijze wolk door de hersentjes stomen, de organen verschrompelen door het enkele glas wijn. Ik klem mijn armen om Ad en leg mijn hoofd op zijn borst. Ik durf hem niet te vertellen dat ik weer rook, als een stiekeme puber spoel ik mijn mond met mondwater. Wat ben ik voor een moeder als ik niet eens 9 maanden kan stoppen?

De verloskundige gooit er een schepje bovenop. Haar roze leesbril beslaat als ze een slok neemt van de kruidenthee, de bezorgde blik trekt een diepe groef in haar voorhoofd.
‘Ik ben niet helemaal tevreden over de groei.’ Dan geeft ze een moederlijk klopje op mijn hand, ‘het is nog allemaal binnen de marges hoor! Maar het zou wat steviger kunnen.’ Ze pakt er een lijstje bij.
‘Rookt u?’ Ik antwoord bevestigend. Ja, ik rook, en ja, ook soms een wijntje. Ik ben blij dat Ad er niet bij is. En ja, ik zal ermee stoppen, ik snap hoe belangrijk dat is, daar heb ik die plaatjes van baby- hersenen echt niet voor nodig.
‘Rauw vlees en rauwmelkse kaas vermijdt u toch hopelijk wel?’ Ik knik.
‘En koffie?’
‘Wat zegt u?’
‘Koffie?’
Koffie?! Straks gaat ze ook nog vragen of ik wel onbespoten groente eet. Wat denkt dat mens wel? Dat mijn moeder ook maar één glas wijn minder heeft gedronken toen ze zwanger was van mij? En ik ben toch goed terecht gekomen? Ik wil toch zeker geen watje van mijn kuiken maken! Zo eentje dat met een helmpje op leert fietsen?

Ik sta onder onze treurwilg en zie de oranje bekjes van de kleintjes. Het zijn er zeker drie. Als de ouders in de buurt komen met hun snavels vol wriemelend voedsel schieten de kopjes omhoog. Ik, ik ik! De kraaien verdelen het eten over de opengesperde bekjes. Ze vliegen af en aan maar hoe ze ook hun best doen, de kleintjes blijven piepen en vragen. De ouders lijken niet onder de indruk van het gekrijs. Ze voeren hun taak naar behoren uit totdat de kuikens groot genoeg zijn om uit te vliegen and that’s it.

Mijn moeder was ook niet zo onder indruk van mijn gepiep. Ze ging er vanuit dat ik vanzelf wel groot zou worden. Dacht ik dat haar moeder met kopjes thee klaar zat als zij thuis kwam uit school? Nee, natuurlijk niet, ze mocht niet eens naar school!

Hoe zal ik mijn kuiken voeden? Ik zie mezelf al zitten in de schommelstoel die we speciaal voor dat doel hebben aangeschaft. Hij staat in de fris geschilderde kamer naast het wiegje. Ad is een goede nestenbouwer en ik heb hem geholpen. Straks zal ik daar zitten schommelen, mijn kindje aan de borst, drijvend op een zee van geluk, wij tweeën. Ik zal het kindje op mijn schouder leggen voor een boertje.
‘Ugh!’
‘Goed zo!’ En dan knuffel ik mijn kindje en kus het lieve gezichtje.

Welke dromen had mijn moeder eigenlijk toen ze zwanger was van mij? Dacht ze ook aan geluk? Breide ze wollen sokjes?

De kleine kraaitjes staan wiebelig op de rand van het nest. Het zijn er inderdaad drie. Soms slaan ze wat met hun vleugeltjes maar voorlopig blijven ze nog veilig in het nest. Mijn kuiken houdt zich al dagen stil. Soms denk ik even het te voelen maar ik ben er niet zeker van. ’s Nachts droom ik duistere dromen. Ik val van de trap met het kindje in mijn armen en verpletter het onder mijn lichaam of het is gestikt onder het dekentje dat ik veel te hoog over het hoofdje heb getrokken. Zwetend word ik wakker, ik kan dit niet! Zijn wij hetzelfde, mijn moeder en ik? Ik durf er niets over te zeggen tegen Ad, hij is zo blij! Ik kruip tegen hem aan in bed en voel zijn sterke lijf. Hij zal een veilig nestje voor ons kuiken maken. Met hem durf ik het aan. Een gevoel van grote opluchting overspoelt me als ik na een paar dagen ons kindje weer voel. Zingend vertrek ik naar mijn werk.

Als ik thuiskom zie ik Ad in de tuin staan. Hij staart naar iets dat aan zijn voeten ligt. Ik voel meteen dat er iets mis is en ren naar hem toe. Er ligt een bloederig hoopje veren aan zijn voeten.
‘Wat een rotbeesten!’ Zijn stem schiet uit, ‘ze hebben hem zo het nest uitgeflikkerd!’
Ik kijk naar boven, de kraaien zijn nergens te bekennen. Lieve Ad, hij kent dit niet. Hij weet niet dat alleen de sterkste vogeltjes kunnen overleven. Ik hoor het Mamma nog zeggen. Al uren zat ze naar de tv te staren, ik had honger, ging ze nog koken?
‘Je bent acht! Moet ik nog steeds alles alleen doen? Je kunt toch naar de winkel gaan? Hoe moeilijk is het om een paar aardappels te schillen? Nou dan! Ik heb ook een leven!’
Ik ruimde mijn poppen op en ging aan de slag, zo doe je dat. We mogen dan slechte nestenbouwers zijn, mijn moeder en ik, we zijn wel overlevers. Ik sla mijn armen om Ad heen.
‘De natuur is hard,’ zucht Ad en onwillekeurig gaat zijn hand naar mijn buik. Ja, denk ik, de natuur is hard maar jij niet, jij zorgt voor de jouwen.
‘Ons kuiken heeft sterke genen en een lieve vader, hij redt ’t wel’.

We begraven het vogellijkje onder de wilg. Ik hoor mijn moeder lachen terwijl Ad het grafje graaft en ik steentjes verzamel om erop te leggen. Ik ben ook best een goede nestenbouwer.

1 reactie

Patricia van Santen

vrijdag, 09:36

vlot geschreven, in weinig woorden een pakkend verhaal neergezet en hele historie opgetekend. mooi gedaan.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch