Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een goed gesprek in Huize Avondrood

Door Ries Roowaan

‘Volgens mij kennen we elkaar nu al zestig jaar…’

‘Het kan ook 61 of 62 jaar zijn. Wat maakt het uit? Het blijft een verdomd lange tijd,’ zei Ferdinand en probeerde de aandacht te trekken van de barman, die onverstoorbaar naar zijn telefoon bleef kijken.

Dick zag Ferdinands gezicht bevriezen. Voorzichtig legde hij een hand op zijn arm.

‘Je begint niet weer over de slechte manieren van de jeugd.’

‘Maar het is toch waar! Die jongen wordt niet betaald om met zijn scharreltjes te… Hoe heet het eigenlijk wat hij daar doet?’

‘Geen idee, maar het heeft in ieder geval weinig met werken te maken’, zei Dick en maakte aanstalten om op de bar te roffelen, maar nog voordat zijn vingers het hout konden raken, keek de barman al op.

‘Wat mag het zijn, heren?’

‘Voor mij nog een lekker koud biertje. En jij? Weer een glaasje druivensap?’

‘Ja, graag… Of misschien… Is dit werkelijk de beste wijn die jullie hebben?’ vroeg Ferdinand en keek even naar zijn lege glas.

‘Jazeker meneer, onze wijn komt van de allerbeste chateaux. We hebben een lokale agent in de hand genomen, die voor ons door heel Frankrijk reist en overal het neusje van de zalm inkoopt’, hoorde Dick hem zeggen en herkende de zinnen uit de prospectus, die de jongeman blijkbaar uit zijn hoofd had geleerd.

‘Het beste van het beste’, ging de barman verder, ‘het beste van het beste is immers maar net goed genoeg voor de bewoners van de Residence des Quatre Fleurs de Philippeville, zoals onze directeur altijd zegt.’

‘Ja, maar tegen die mooie secretaresse van hem heeft hij het gewoon over Huize Avondrood’, zei Dick.

‘Dat zou ik niet weten, meneer, dat zou ik echt niet weten.’

De jongen liep terug, pakte de fles die een paar meter verderop bij de spoelbak stond, schonk Ferdinands glas vol en tapte ondertussen met vlotte hand een biertje. Dick bekeek het ritueel in de spiegel die de gehele achterwand van de bar besloeg. Hij zag ook zichzelf achter de uitgestalde flessen gin en exotische likeuren: een vermoeide man zonder enig vuur in de ogen, veel ouder dan hij zich voelde.

‘Kan ik u verder nog van dienst zijn?’

Zonder het antwoord af te wachten draaide de barman zich alweer om en liep naar zijn vaste plek bij het raam.

‘Weet je wat ik niet van de jeugd begrijp? Niet de gebrekkige opvoeding… Mijn moeder had acht kinderen; zij had echt geen tijd om me te leren met mes en vork te eten. Dat kwam pas later, toen ik ging werken.’

‘Dat is allemaal erg lang geleden, Dick.’

‘Van jou heb ik ook veel geleerd. Je bent al die jaren een echte vriend geweest. Een echte vriend…’

‘Dat is allemaal erg lang geleden, erg lang geleden’ zei Ferdinand, naar het scheen tegen niemand in het bijzonder.

‘Ja, het is lang geleden en voor de jeugd van tegenwoordig is het natuurlijk allemaal anders… Maar wat ik werkelijk niet begrijp, is het gebrek aan ambitie. Hij staat daar maar wat en over tien jaar staat hij daar nog steeds maar wat.’

‘Maar dan zijn wij er niet meer’, zei Ferdinand en prutste met twee vingers langdurig aan zijn oor, ‘bovendien is niet iedereen zoals jij.’

‘Ja, dat zal wel… Waar hadden we het ook alweer over?’

‘Je zei dat we elkaar nu al zestig jaar kennen. Of misschien waren het 61 of 62 jaren.’

‘We hebben samen heel wat meegemaakt.’

‘Dat verdomde gehoorapparaat’, zei Ferdinand, ‘het piept en het kraakt dat het een lieve lust is. Soms versta ik helemaal niets meer.’

Dick keek achterom. In de hoek zat Roderick van Zwalsbeeck met een krant te wapperen. Roderick leefde al jaren in zijn eigen universum. Hij stelde zich meermaals per week aan hen voor, maar vandaag waren Dick en Ferdinand aan dit ritueel ontsnapt. Blijkbaar had Roderick een redelijk helder moment. Verder was de bar leeg. De andere bewoners van het vijf-sterren-bejaardenoord waren zonder twijfel druk bezig met zwemmen, Nordic walking en bridge. Te druk in ieder geval om een glas te drinken of misschien vonden ze het nog te vroeg. Voor Dick en Ferdinand was het nooit te vroeg: Dick hield niet van zwemmen, Nordic walking of bridge; Ferdinand vond het te vermoeiend, altijd al gevonden. Vroeger hadden hij en Grace weleens bridge gespeeld, maar zij was alweer tien jaar geleden overleden, ongeveer tegelijkertijd met Dicks vrouw.

‘Zoveel jaren… Zo’n lange vriendschap…’

‘Zeker, een verdomd lange tijd.’

Dick draaide het bier met duim en wijsvinger in de rondte. De kou van het glas kroop via zijn arm langzaam richting borst, buik en hoofd.

‘Ik vind dat je geen geheimen met je mee in het graf moet nemen. Je moet proberen met iedereen in het reine te komen, voordat het te laat is.’

‘Dan heb je nog een hele klus voor de boeg’, zei Ferdinand die zo te zien zijn gehoorapparaat weer getemd had.

‘Pardon?’

‘Nou ja, als jij alle oude vetes bij wilt leggen, dan ben je wel even bezig.’

‘Ik denk dat het goed is om oude rekeningen alsnog te betalen, wie weet excuses te maken, misschien hier en daar een bekentenis te doen.’

‘Vind je dat echt?’

‘Ja, dat denk ik de laatste tijd steeds vaker, vooral midden in de nacht, als ik de slaap niet kan vatten.’

‘Ach, het was niet allemaal slecht’, zei Ferdinand, terwijl de uitdrukking op zijn gezicht snel milder werd, ‘Grace zei altijd dat ik wel wat van jouw vechtlust en honger naar succes kon gebruiken. Ze had gelijk, zonder twijfel had ze gelijk. Ik woon hier alleen maar dankzij het geld dat zij heeft ingebracht. Nou ja, je weet wat ze altijd zei: wie niet steelt of erft, moet werken totdat hij sterft. Dat lot is ons bespaard gebleven, waarmee ik overigens niet wil beweren dat jij je geld gestolen zou hebben.’

‘Wat maakt het uit, of je het zelf verdiend hebt of geërfd? Zelf was Grace in ieder geval niet erg actief… Heeft ze ooit een dag gewerkt?’

‘Dat hoefde volgens haar niet. Oud geld werkt niet, zei ze. ’

‘Die Grace, altijd het neusje in de lucht…’

‘Ja, in gezelschap wel, maar als we met z’n tweeën waren, kon ze uitgesproken grof zijn. Overdag een onberispelijke mevrouw, ’s avonds een bouwvakker en ’s nachts erg veeleisend… Dat viel niet altijd mee’, verzuchtte Ferdinand.

‘Ja, ik weet er alles van…’

Even keek Ferdinand verbaasd naar Dick, maar begon vervolgens direct weer aan zijn oor te frommelen.

‘Wat zei je? Ik verstond even helemaal niets.’

‘Ik zei dat ik weet dat Grace erg veeleisend kon zijn’, schreeuwde Dick bijna. Het gewapper met de krant stopte abrupt. Zelfs de barman keek op. Dick gebaarde dat er niets aan de hand was en dat de jongen zich weer gewoon aan zijn telefoon kon wijden.

‘Hoe weet jij dat ze veeleisend was? Heb ik je dat verteld?’

‘Ja, dat heb je me dikwijls gezegd, Ferdinand, daar heb je meer dan eens over gesproken.’

‘Word ik soms vergeetachtig? Is dat wat je me wilt vertellen?’

Met zijn wijsvinger volgde Dick een diepe nerf: hij keek naar het hout van de bar alsof hij het voor de eerste keer zag.

‘Nee, je wordt niet vergeetachtig. Echt niet, maar ik dacht wel… Ik dacht dat het nu tijd is om schoon schip te maken. Echt schoon schip maken, ook met jou.’

Dick keek op en verwachtte dat Ferdinand hem weer verbaasd of zelfs licht achterdochtig aan zou staren, maar in plaats daarvan was hij in de weer met zijn gehoorapparaat. Hij had de buisjes uit zijn oren gehaald en keek aandachtig naar de twee doorzichtige stukjes plastic met de ragfijne draadjes in hun binnenste. Op de bar leken ze nog het meeste op de kleine, fragiele weekdieren die Dick van vroeger kende, van het strand bij een harde aflandige wind.

‘Praat jij maar. Ik hoor toch niets meer, alleen maar bijgeluiden. Ik word er helemaal mesjogge van.’

‘Goed…’

‘Ik hoor echt niets meer…’

‘Ja, dat is goed.’

Ferdinand keek op, draaide heen en weer op zijn barkruk, wreef lang over zijn kin en begon toen opeens veel te hard te praten. ‘Barman, mag ik nog een glas rood van je? Tap ook gelijk maar een biertje voor mijn buurman. Dat dorstige hert naast me heeft altijd ruimte voor een pint.’

Midden in de laatste zin maakte Ferdinand een breed gebaar dat hij halverwege leek te vergeten; zijn hand bleef doelloos in de lucht hangen. Dick wendde zijn ogen af en zag zichzelf achter de uitgestalde flessen. Hij herkende zich maar nauwelijks in de afgeleefde bejaarde die met lege blik naar een punt ver achter de spiegel staarde.

6 reacties

Joachim Winter

zaterdag, 11:52

Een verhaal dat de auteur gevoelig heeft verteld. Je herkent de angsten van oude mensen en kunt met ze voelen. Wat herinner je je en wat vergeet je? Waren de relaties van mensen compleet anders dan eerder werd gedacht

Barbara Broekman

donderdag, 09:37

Spannend verhaal! Vooral door wat er in de lucht hangt en NIET gezegd wordt…..

Armand Serpenti

dinsdag, 15:39

Een warme en invoelende vertelling die vanuit een stil standpunt een vitaal beeld neerzet van een ongemerkte gang naar het einde van het leven, van een vriendschap voor het leven.

Peter Janssen

zondag, 22:34

Uitstekend kroegverhaal. De dialogen zijn zeer levensecht, het thema vergankelijkheid is knap uitgewerkt, het taalgebruik is plastisch en virtuoos.

Arthur Ritsma

dinsdag, 23:17

Goede sfeer- en karaktertekening. Verhaallijn klopt. Er is weinig fantasie voor nodig om dit gesprek voor je ogen te zien gebeuren.

Gerd Busse

zondag, 14:27

Een heel leuk verhaal – ik heb ervan genoten! Is er meer van Ries Roowaan te lezen?

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch