Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een hond kopen

Door Astrid Huysenwoudt-Heutsz

Een hond kopen

Het zijn de zenuwen. Geert stapt het toilet van dit restaurant binnen, in opperste verwachting, en het laatste wat in zijn gedachten kan opkomen wordt onontkoombaar: iemand bevestigde de toiletpot aan het plafond — Geert zet zich tegen de muren af en klimt. Indachtig gehouden waar we ons nu bevinden, en de walgelijke toestand waarin we er ons bevinden, is het uit voorzorgsmaatregelen verstandig te stellen dat dit verhaal pas zal afgelopen zijn zodra Geert erin geslaagd is zichzelf schoon te vegen.

Allereerst is er het ontspannen van de riem. Men maakt de handen vrij door de voeten nerveus in de plafondlijnen te knellen en de knieën lichtjes te buigen. Ondersteboven opent met een broek op dezelfde wijze als in de richting van de zwaartekracht; men trekt het uiteinde van de riem naar rechts, haakt los, en sleurt de sluiting naar links; het openen van de rits kan wat mentale misselijkheid veroorzaken, maar het hurken slaat alles: voelt als het zich optrekken zonder ledematen. Geert is iemand die het liefst naakt zijn grote boodschap doet, vanwege (a) het waanbeeld dat hij het achterste van zijn hemd zou bevuilen, en (b) de (vaak ingebeelde) hardheid van zijn mest die zijn psychische zelf ertoe dwingt de benen zo breed mogelijk te spreiden. Tegen sokken heeft hij geen bezwaar. Deze keer neemt hij echter de wijze beslissing zijn kostuumbroek niet tot over zijn knieën te trekken; het bleek reeds onmogelijk dat te doen zonder naar beneden te donderen.

‘Had ik nu maar een tijdschrift,’ bedenkt Geert, die zijn zinnen dient te verzetten. Het bloed stroomt hem naar het hoofd. Hij sluit zijn ogen. Zijn bril valt aan diggelen tegen de toiletvloer; wat hem stoort, maar hij concentreert zich hard genoeg om de kracht in zijn onderbenen niet te lossen, en tegelijkertijd te ontspannen. Dit lukt niet. Deed hij daarnet de toiletdeur wel op slot? Hij moet zich ontspannen. Geert kijkt rond en laat zijn gedachten opslorpen. Eerst het wc-rolletje, dat hem niks teruggeeft behalve de totempalen die Frederik ervan knutselde toen hij acht was, en die Geert op de terrastafel had laten kapot-regenen, daarna de ecologische lamp die hem van tussen zijn knieën verblindt, waarna hij begint te luisteren naar het metalig getik van zijn bungelende riem. Frappant, bedenkt hij, hoe die riem samenhangt met mijn huidige toestand.

De dure riem kreeg hij op Kerstavond van schatrijke tante Sonja. Zij was in een vrijgevige bui, omdat ze dat jaar veel ellende had te verteren. Tante Sonja stond er namelijk voor bekend slechts haar oppervlakkige gevoelens met geld te kunnen uiten. Zij wilde geliefd zijn, en trakteerde — nadat ze iedereen apart een cadeautje gaf, reeds naar ieders frustratie tegen de regels van het naampjes koppelen in — iedereen op een weekend Disneyland Parijs. Onder druk van de kinderen ging men al snel op dit voorstel in. In de wachtrij van een hotdog-kraam in Main Street U.S.A. vroeg Geerts jonge dochter ineens wat haar papa eigenlijk doet voor werk. Geert antwoordde dat hij op het snijvlak tussen informatica en architectuur navigeert. Steve klopte op zijn schouder, om zich voor te stellen. Hij was een aannemer uit Mol. Het was een mirakel en het maakte Geerts dag goed eindelijk een contact te hebben gelegd dat niet volgens de reguliere kanalen van zijn netwerk verliep: het zou namelijk wel eens een kwadratering van het aantal zakenpartners kunnen betekenen. Het gaf Geert voor de rest van het weekend een aangename reserve zelfvertrouwen die zich liet blijken zodra Geert zijn verbeelding de vrije loop liet en begon te fantaseren over alles wat mogelijk zou kunnen zijn indien elk belangrijk contact zo vlot als dit werd gelegd — er nooit bij stilstaand dat hij iemand met zijn ontwerp kon teleurstellen.

Ondertussen in het restaurant, aan zijn tafel, merkt Steve op: ‘Hij praat veel hé.’

‘Godverdomme, wat praat hij veel,’ beaamt Katrien, Steve’s vennoot.

‘En dat verhaal over de bosklassen van zijn zoon…’

‘En dat oorlogsverhaal van die nonkel, dat is niet iets om trots op te zijn, in mijn ogen.’

‘Maar ik denk dat het een goede kerel is.’

‘Ik denk het ook; hij is erg onzeker. Dat is net goed..’

‘Steak-friet?’

‘Voor mij, dank u.’

‘Tartaar?’

‘Zal voor Geert zijn.’

‘De sole meunière?’

‘Voor mij he, dank u.’

‘Frietjes komen zo dadelijk.’

‘Beginnen we al?’ vraagt Steve.

‘Laten we even wachten.’

Het huilen stond hem nader dan het lachen. Geert wenst een kreeft te zijn die zich van zijn schaal slaagt te ontdoen. Hij verwijt zichzelf telkens opnieuw in dergelijke situaties verzeild te geraken. Ook al verschilt zijn gevoel niet zo veel van wat anderen ook vaak voelen. Zouden anderen in het midden van hun bestaan weten hoe hun schaal hen om de huid is gegroeid? Hun karakter, hun lustneigingen, hun vrienden, hun walgingen, hun beroep, hun levensgezel? Al zijn kennissen laat hij mentaal aan zich voorbij glijden en hij bedenkt dat velen voelen dat er niet zo veel meer aan hun schaal te veranderen is. Ineens voelt Geert zich door zichzelf bedrogen, want nergens vindt hij een reden die hem ervan overtuigt waarom de dingen gegaan waren zoals ze gegaan zijn. Evengoed was alles anders nu: de gebeurtenissen die op hem zijn toegesneld, gingen namelijk niet van zichzelf uit. Zijn levensloop komt nu aan hem voor alsof een schoolvriend tegenover hem zit — of eventueel daarbeneden — en hem alles vertelt wat Geert al die jaren miste; Geert had de vriend helemaal anders voorgesteld.

Hoe komt het dat hij nu pas in deze situatie tot dit besef komt? Het lijkt erop dat hij in deze avontuurlijke positie het vlees van zijn vlees voelt, en de kracht die het bezit; namelijk de ernst inzien van het feit dat hij zijn eigen leven onrechtmatig heeft geadopteerd. Wat moet hij beginnen tegen het ondubbelzinnige gebrek aan innerlijke noodzaak? Allereerst niet leven alsof alles noodzakelijk nu gebeuren moet. Zijn psycholoog vroeg hem onlangs met welk dier hij zichzelf zou vergelijken, en hij had een olifant geantwoord, vanwege zijn dik vel, maar had ze het hem in deze situatie gevraagd, dan zou hij antwoorden dat hij een duif is die opspringt wanneer er graan wordt gestrooid.

Nieuw gas moet zich in zijn bol blazen. En iets wat ermee gepaard gaat. Misschien laat hij een tatoeage zetten. Een tarantula. Op zijn rechterschouder. Daarom is deze vergadering zo belangrijk, bedenkt Geert ineens: in nieuwe mensen herkent iemand altijd iets nieuws van zichzelf.

‘Dus je denkt dat hij zal bijten?’ vraagt Steve.

‘Natuurlijk zal hij bijten. Ik zie geen enkele reden waarom niet.’

‘Hoe lang doen we dit nog, eigenlijk?’

‘Tot we ervan kunnen leven,’ antwoordt Katrien vastbesloten, ze grist een friet uit de schaal en bijt ze in twee.

‘Maar…’

‘Borrelt het geweten weer, beertje?’

‘Ik wil niet dat we betrapt worden.’

‘Hoe kunnen we betrapt worden? We zetten acht grote projecten op, Geert ontwerpt en maakt de plannen, de klanten geven een voorschot, wij, in onze euforie, kopen met dat geld twintig appartementen in Athene of Detroit, en we laten ons failliet verklaren. Domheid is niet illegaal.’

Alles is altijd zo moeizaam gegaan, piekert Geert, een stap vooruit en twee achteruit. Met Liesbeth trouwen ook. Toen we de datum hadden vastgeprikt, de zaal hadden gereserveerd, de uitnodigingen hadden uitgestuurd, met verschillenden dj’s hadden gepraat en er de beste uitgekozen, de traiteur hadden besteld en het menu tot in de veganistische alternatieven hadden samengesteld, viel de priester dood. Gelukkig kwam er een vervanger, maar het was toch even schrikken, met ruzie tot gevolg. En nu nog. Ik weet niet of ze ermee zal doorgaan. Ik weet niet of ik ermee zal doorgaan. Geert hangt nog steeds te bungelen en er komt maar niets. Maar het vreemdste is dat hij zich zo diep in onbeweeglijk gepieker verstrikt, dat hij zijn uitwendige toestand vergeet, en zijn bedoeling ermee. Misschien, bedenkt hij, moet ik een hond kopen, dan leer ik vanzelf nieuwe mensen kennen.

Zo blijft hij een halfuur zitten. Wanneer hij zich naar beneden laat glijden, zonder zijn broek en slip weer op te trekken, herinnert hij zich de zakenlunch. Ze zullen weten wat ik gedaan heb, bedenkt hij, en uit schaamte kiest hij ervoor het restaurant te verlaten via een achterdeur. Hij gaat een hond kopen, om Liesbeth een plezier te doen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch