Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een plekje

Door piet struyf

Een plekje

Wanneer het allemaal begonnen en tegelijkertijd gestopt is, dat weet ik niet. Het moet ergens geweest zijn tussen mij twaalfde en veertiende verjaardag. Ergens in die periode is er een gedaanteontwikkeling schijnbaar gestopt en is er een andere begonnen. Waar het gebeurde is iets duidelijker. Het eindigt en begint bij een gevoel waar ik een levendige herinnering én een locatie aan kan koppelen, op een zelf afgedwongen eigen plekje; een geïmproviseerd kamertje op de overloop. Een ruimte aan de voorkant van het huis met een raam voorzien van een goed ouderwets rolluik met een, voor mij, typisch rolluiklint van stevig wit katoen met aan de randen een in de lengterichting lopende rode streep. Een overhoekje op de gang waar voorheen overbodige dingen werden opgestapeld. De ruimte werd afgeschermd van de rest van de gang door een paravant, die net hoog genoeg was om drie vijfde van de afstand van de grond tot het plafond te overbruggen. Rechtstaand op mijn tippen kon ik er net overheen kijken. Maar die moeite deed ik niet. De te kleine, half doorschijnende doeken maakten er een doorzichtig en aan de randen open drieluik van, waarachter zich een schimmenspel voltrok. Een kamertje net groot genoeg voor een bed onder het raam, een bureautje met bureaustoel en een kast die voor het grootse deel gevuld was met rommel die mij niet toebehoorde. De muur aan het voeteinde van het bed was versierd met een op het behangpapier getekende grazende koe. Boven het hoofdeinde prijkte een eigenhandig geschilderde poster van een verbodsbord met daarin het symbool van de Afrikaner Weerstandbeweging.
Op de gang kwamen drie deuren uit die elk toegang gaven tot een kamer; de dichtstbijzijnde deur naar de slaapkamer van mij tweelingbroer, één naar de slaapkamer van mijn ouders en één naar de slaapkamer van mijn anderhalf jaar oudere broer, die de kamer in de nacht deelde met mijn acht jaar jongere broer. Tegen de tussenmuur, die de eerste twee deuren van elkaar scheidde, hing op schouderhoogte een bakelieten lichtschakelaar. Onder de schakelaar stond op de vloer afwisselend een kleine roze of een grote blauwe, soms tot aan de rand gevulde, plasemmer. Je zou mijn plekje van toen kunnen vergelijken met een ruime versie van Harry Potter zijn welvertrouwde krappe bezemkast. Maar dan eentje die niet afgesloten kon worden. Zo eentje waar je ook de voetstappen en het kraken van de trap kon horen, maar waar daarenboven het licht steeds aan en uitging wanneer iemand in het donker de trap gebruikte. Ook een kamertje waar je ‘s nachts wakker werd van het klikkende geluid van de schakelaar dat niet alleen het licht, maar ook het geluid van een op de grond vibrerend plastieken deksel en de daaropvolgende spetterende stroming van afgedreven vochten aankondigde. Een kamertje waar je niet afgezonderd werd als straf maar waarin ik mezelf vrijwillig terugtrok. In dit kamertje waar de ranzige zure walm van geblende, in een plastieken emmer gerijpte urine soms de overhand had, is het volgens mij op een bepaald moment allemaal gestopt en begonnen. Geborgen onder een dekentje met een koptelefoon en muziek in de oren, ben ik er gestart met het behouden en maken van mezelf, mijn metamorfose. De ontwikkeling die ik daarvoor heb ondergaan leek vanaf toen gestopt.
Het klinkt waarschijnlijk voor de een al wat erger of toch niet zo erg als voor de ander. Bij mezelf kwamen die indrukken heel hard binnen en nam ik ze er allemaal graag bij. Maar langzamerhand verdwenen ze. Een grijze troebel steen nam, als stollende lava, mijn doen en laten, ooit geïnspireerd door gevoelens ontsproten uit indrukken van waarnemingen en ervaringen, over. Het einde van de eerste metamorfose. Diep vanbinnen bleef een waakzame kern, waarin gevoelens hun plek hadden, zich verder ontwikkelen. Geheel in contact komen met de nieuwe dictatuur kon die kern niet. Waarnemingen en ervaringen werden vanaf toen door het gevoelscentrum wel gedetecteerd maar de communicatie met de buitenwereld werd door de grijze massa; de dictator, het brein, overdacht en beredeneerd en gecensureerd. Zoals in kijken zonder zien, horen zonder luisteren, doen zonder willen of wenen zonder tranen.
Hoe dit allemaal zover is kunnen komen vraag ik mezelf soms ook af. Of het allemaal geen inbeelding was en of dat niet gewoon ik was, een eerder melancholisch jongentje. Nu alles een beetje helderder in mijn hoofd is, liggen de oorzaken voor de hand. Naar mijn gevoel was er in mijn opvoeding weinig plaats voor emoties en hoe deze te uiten of te ontvangen. Daartegenover stond, naar mijn mening, het overgrote deel van mijn opvoeding in het teken van het voorbereiden op en het ontwikkelen van zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en een staat van weloverwogen geestelijke tevredenheid. Hoe mijn broers hierover denken laat ik in het midden, ik kan alleen zeggen dat ik het zo ervaren heb. Alles ligt in de herinneringen van mijn jeugd verborgen. Maar het ligt eraan hoe je naar die herinneringen kijkt, vanuit het brein of vanuit het gevoel dat die herinneringen opwekken. Het lijkt erop dat herinneringen voornamelijk werden aangehaald en verteld als zijnde anekdotisch. Dat deze enkel werden beredeneerd en er niet bij stil gestaan werd wat de gevoelens daarbij waren. Een, op het eerste zicht, stom voorbeeld kan ik wel aanhalen om het duidelijk te maken.
Als kind hebben we veel gesport. Als we van school kwamen gingen we met z’n drieën vaak meteen in de tuin of op de koer een balletje trappen. Meestal stond ik in het doel. De tuin was opgedeeld in twee delen, een stuk moestuin door een betonnen padje gescheiden van een grasveldje met een border. Vele honderden uren hebben we daar gevoetbald. Op zich was het waarschijnlijk dikke lol. Het klinkt stom of belachelijk maar de herinneringen die mij het meest bijblijven van het voetballen in mijn jeugd zijn de herinneringen aan de bal. Tegenwoordig is in het professionele voetbal ook veel te doen over de rare curves die een bal kan maken. Vooral doelmannen hebben er last van. Wel mijne heren doelwachters je moet weten, die frustratie had ik als kind wel vaker. Je moet maar eens proberen een plastieken bal van “Ijsboerke” te pakken te krijgen wanneer er een serieuze lel op gegeven wordt. De bal had de curve van de vluchtroute van een, door een in het water gegooide steen, opgeschrikte vis, die door schichtige bewegingen probeert te ontsnappen. Wij noemden zo een bal in het vakjargon “een windbal”. Op zich wel een leuke anekdote van hoe het was puur als je het je voorstelt als een filmpje. Misschien zelfs zo grappig dat het een Youtube hit zou kunnen zijn wanneer een kind tien keer op dezelfde manier door de windbal in de maling genomen wordt. Veel mensen zouden er mee lachen en ik ook moet ik toegeven maar daarbij zou ik, uit plaatsvervangende schaamte van het doelkind, me ook wel afvragen waarom die kinderen, wanneer de ouders het zich konden veroorloven, geen deftige voetbal hadden.
Ik kan niet zeggen dat we nooit een deftige voetbal gehad hebben, dan zou ik liegen. Mijn tweelingbroer kreeg ooit van zijn peter een lederen voetbal die na enige tijd op het zaaibed van de buurman belandde. Dat gebeurde wel vaker. Het was dan de kunst om de bal te halen, achterwaarts voetje voor voetje terug te keren volgens identiek dezelfde route. De voeten passend in de afdrukken in de aarde die reeds aanwezig waren en de sporen met een krabbertje of een stokje weg te wissen. Maar die ene keer kwam de buurman net door het poortje piepen. Hij nam de bal mee naar zijn tuinhuisje en de volgende dag vonden we de bal in onze tuin terug. Een bal vakkundig vermoord door een dodelijke steek van een riek. Ik kan me niet herinneren dat hier veel woorden werden aan vuil gemaakt behalve dan dat elk gevolg zijn oorzaak heeft.

Een herinnering die ik daar ook plaatste, maar tegenwoordig word ik er terug droevig van.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch