Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een vieze geur van rozen

Door Marike Vierstra

Een vieze geur van rozen

Gaat dit verhaal precies binnen de vijftienhonderd woorden passen? Sommige verhalen passen daar netjes in, maar dit verhaal is als een kikker die onverwacht op de neus van een schoen kan springen en dan weer in het gras kan verdwijnen. Ik moet goed opletten. Het verhaal begint en eindigt sowieso al in een zijstraat: in de Drievriendendwarsstraat.
De huizen daar, gunden elkaar weinig licht. De overkant kon ik bijna aanraken. Maar ik was er niet om het uitzicht gaan wonen. Voor mijn nieuwe verdieping betaalde ik een fijne, schrale huur. Mijn woning lag op de derde etage, waar aan de straatkant geen zon binnenkwam: een goede plek voor mijn bureau, voor concentratie op m’n afstudeerscriptie, geen afleiding door m’n ontrouwe vriend. Ik had hem trouwens geen sleutel gegeven, en mocht hij toch onverhoeds binnenpiepen omdat een van de buren had opengedaan, dan moest hij eerst tweeënzestig treden naar boven nemen.
Die trap ging langs de overloop, de wc en de voordeur van een bejaarde man: Gluuvers. Vervolgens verder omhoog, langs de voordeur en de wc van Kroon, een duiker die vanwege een alcoholkwestie gestopt was met werken. Dan pas, als bezoekers buiten adem waren, ging de trap naar mijn verdieping.
Vreet het te veel ruimte als ik nu al vertel dat die Gluuvers mijn post opende? (En dan die brutaliteit van hem om te zeggen: ‘Wat een rare vriend heb jij.’) Nee, ik moet me inhouden en eerst vertellen hoe ik hem leerde kennen.
Ik was toen tweeëntwintig, een leeftijd waarop ik nog dacht dat ik met iedereen op de wereld vrienden kon worden. Voor een deel was dat reeds mislukt. Maar als je zo jong bent, laat je je daardoor niet weerhouden koffie te drinken bij een stuurloze bejaarde. Soms zag ik hem in snackbar Bowie bij een automaat staan, waar hij z’n pensioen vergokte. Vaker wachtte hij me op, bovenaan de trap, op zijn overloop. Voeten in pantoffels, een van ouderdom glimmende broek, een spencer, een stropdas, en een verschrompelde havikskop: ‘Wat een gekke brieven krijg jij, buurvrouw.’
Hij had in de havens gewerkt, en het was hem aan te zien dat hij veel verstouwd had. Een plaquette voor ‘veertig jaar trouwe dienst’ stond vastgeplakt in z’n kleine woonkamer op een elektrisch Riha-orgel, vergezeld door een foto van een vrouw in een overgooier. Jong nog. Met over elkaar geslagen armen, volgde ze ons tijdens het koffiedrinken in die kamer. Daar was alles wat niet op voethoogte dwarrelde, degelijk bepluisd door stof.
Ik moet hier nog bij vertellen dat het toen buiten lenteweer was, maar dat Gluuvers zijn gaskachel stookte of hij een Russische winter moest doorstaan.
Op zijn eetkamertafel lag een vloerkleed. Op de koffie zat een oudemannenvel. Nadat ik het vel met een theelepel had opgetild, zag ik dat hij op het Riha-orgel oefende met Clavescribo, een vereenvoudigd notenschrift voor mensen die verdwalen als het ingewikkeld wordt. Maar dat doet er nu niet toe – wel dat het een goede gelegenheid was met Gluuvers over herrie te praten.
‘Weet u wel dat ik boven uw orgel kan horen?’
‘Maar die lui van Andersom en van de BB-bar dan!’
Ik moest toegeven: ‘Krankzinnige herrie.’
De weekenden bij de cafés beneden ons, begonnen op donderdagavond en eindigden zondagnacht met ‘Mexico’. Een nummer dat door iedereen in de cafés werd meegezongen, waardoor ik hoog, op de derde etage, op een snijpunt woonde van Gluuvers’ amateur orgelmuziek en Mexicooo! Om Kroon niet te vergeten, maar die komt straks.
Hoewel. Misschien kan ik hier alvast melden dat Kroon van Joe Cocker hield, en vooral van ‘I can stand a little rain’. (Een nummer dat ik niet meer kan horen zonder aan lijken en rozenstank te denken.)
Mijn vloer was zijn plafond. Hiermee bedoel ik niet die uitdrukking, maar de letterlijke versie. Het stro ertussenin bood geen bescherming tegen vijftien keer op een avond ‘I can stand a little rain’. Maar Kroon was geen man om aan te spreken op herrie. Tegen Gluuvers durfde ik wel.
‘Ja, maar, meneer Gluuvers. Uw orgel klinkt ook behoorlijk hard. En ik moet me concentreren op mijn scriptie.’
Hij had geen idee van wat een scriptie was, en het interesseerde hem nauwelijks. Mijn voorstel dat ik zou investeren in een koptelefoon voor z’n orgel, nam hij echter gulzig aan. Eén muziekbron minder. Dat scheelde toch wat, merkte ik in de week daarop.
Maar bij hem koffiedrinken, deed ik niet meer. De warmte in die kamer, het opgemaakte divanbed, en al die kleden en kleedjes, misschien uit de tijd van de vrouw met de overgooier? Ze verspreidden de oudemannenlucht royaal naar het trapgat: een zwetende schimmel, een nuffig puntje zuur, overgekookte melk.
Van Kroon rook ik gelukkig niets. Hij was een man zonder geur. Met hem heerste ik over de zolder van het pand, waar ik in mijn gedeelte een slaapkamer had. Kroon bezat er een werkhok waarin hij zijn duikflessen op druk hield. (Voor in een alcoholvrije toekomst?) In het middendeel van de zolder hing ik onder de hanenbalken mijn was op, boven een rubberboot van Kroon.
‘Die was moet weg,’ had hij gezegd, kort nadat ik bij Gluuvers op de koffie geweest was. Kroon had in een joggingbroek op zolder gestaan, z’n bolle hoofd krachtig op een ontbloot bovenlichaam. Ik schatte hem in de veertig. Hij had een vettige uitstraling, alsof hij zijn lijf met olie ingesmeerd had, maar daar was, zoals gezegd, niets van te ruiken. Ook keek hij scheel. Bij andere mensen is dat misschien aantrekkelijk, dat loensen. Kroon echter, hing met één oog in mijn ondergoed, en met het ander bij de deur van zijn werkhok, waardoor ik niet wist of hij iets van me wilde, of dat hij gewoon zijn deur wenste te openen zonder hangend wasgoed ervoor.
Hoe dan ook – ik moet nu opschieten, nog maar vijfhonderd woorden. Zal ik het halen? Ik heb te lang stilgestaan bij Kroon en bij het lawaai in dat pand, terwijl het nu dringend moet gaan over een aanpalende klacht.
De verse stank kwam van de eerste etage, van Gluuvers, en nam vervolgens de hele trap. Ik zou me er weinig van hebben aangetrokken, als ik niet kort daarvoor een boek gelezen had van Curzio Malaparte, De huid. Daarin had ik gelezen dat de lijken in Napels een lucht verspreidden die leek op de weeë geur van verwelkte rozen.
Hoewel ik toen al, van te nabij, met de dood had kennisgemaakt, kende ik de doden niet anders dan afgedekt door een kistdeksel. Het idee van een bejaarde, misschien sinds een week levenloos naast z’n orgel, maakte me misselijk van angst en walging. En bij zulke temperaturen moest het lijk ver in ontbinding zijn.
Om dat niet in m’n eentje onder ogen te zien, bonkte ik op de deur van Kroon. ‘I can stand a little rain’, barstte ook overdag door het oude triplex van zijn voordeur. Hij deed open in onderbroek en saunaslippers, en hij zag er weer ingesmeerd uit. Maar dat laat ik nu even voor wat het was, belangrijker is dat hij mee liep naar beneden, om te snuiven bij de bron.
‘Ruikt u het ook?’
Staand naast de wc-deur van Gluuvers, snoof hij met korte kleine rukken en toegeknepen lippen. Beiden hadden we minstens een week het orgel niet gehoord.
‘Iemand stinkt hier,’ besloot Kroon.
Daarbij keek hij met één oog naar de voordeur van Gluuvers en met het andere naar mij, waardoor ik me beledigd voelde, tegen anders weten in. Ik morrelde aan de deur, bonkte erop.
‘We moeten hem open trappen,’ zei ik.
Zoiets gaat in films meestal makkelijk. In dit geval moest Kroon uit zijn werkhok een schroevendraaier en een hamer halen om de deur uit z’n scharnieren te slaan, waarna we om beurten de deur met onze schouders aanvielen. Bij de laatste run van Kroon’s blote schouder tegen de deur, kraakte het triplex en vielen we samen met de deur Gluuvers’ woonkamer binnen.
De gore rozengeur, de oudemannenlucht opgestookt door de hitte in die kamer, de resten van een maaltijd van Tafeltje Dekje, Kroon’s blote borst tegen mijn T-shirt, toen we overeind gekomen waren. Ik herinner me nog dat ik hem wegduwde, voordat hij zich iets in z’n hoofd zou halen, hoewel ik bijna overmeesterd was door de stank, en vooral door de aanblik van Gluuvers.
Achter z’n orgel, koptelefoon op. Springlevend voor een lijk. Ik was die koptelefoon vergeten. Hij vloekte zoals een oude havenarbeider dat kan en schreeuwde, koptelefoon op: ‘Hier kunnen jullie voor dokken! Klerelijers.’
Ik riep: ‘Maar wat is dat toch, die lucht?’
‘Wat! Wat zeg je?’
‘Die rozenstank!’
‘Ik heb een nieuwe wc-verfrisser gekocht! Rozengeur! Ik kon kiezen: dennengeur of rozengeur!’
Ik moet zeggen: voor een oude man, bezat hij veel volume. En dat het drie dagen duurde voordat die deur van hem gerepareerd was, en dat de kosten daarvan een groot deel van mijn studiebeurs opslokten, nou ja. Vijftienhonderd woorden.
Over de post en hoe dat afliep, en over de ontrouwe vriend, een andere keer dan maar?

2 reacties

Dick Horstmann

donderdag, 06:39

Ik zou graag nog eens het vervolg willen lezen. Erg goed verhaal!

Cecile Oosterlee

dinsdag, 23:13

Wat een verhaal! Ik zie Gluuvers zo voor mij en de geur komt mij tegemoet.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch