Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een vrij man

Door Victor Eremita

Ik probeerde niet te kijken en juist daarom keek ik. Dat is logisch, want elke menselijke poging om een handeling bewust te vermijden, leidt noodzakelijk tot de niet te onderdrukken neiging om precies datgene wél te doen. Mijn ogen schoten, bijgevolg, steeds weer naar de plek die ik niet wilde zien: het tweepersoonstafeltje achterin de kroeg. En elke keer als dat gebeurde, ging er weer een schok door me heen. Het was alsof ik het telkens weer voor het eerst zag, alsof ik keer op keer vergeten was wat ik even daarvoor ook al had gezien. Maar dat was natuurlijk niet daadwerkelijk zo. Want hoe had het beeld van zijn hand op haar bovenbeen, de manier waarop hij haar zachtjes streelde, me ooit kunnen ontschieten?

De afgelopen drie maanden, sinds het uit was dus, had ik haar nauwelijks gezien. Op mijn initiatief handelden we de meeste zaken telefonisch af. Ondertussen was ik steeds in de – ik geef het toe – niet onaangename veronderstelling geweest dat ze diepbedroefd thuis zat, vol liefdesverdriet en immer hunkerend – naar mij. Alles had daar immers op gewezen. Vooral haar verhulde doch overduidelijke toenaderingspogingen – het meermaals terugkeren voor ‘vergeten’ spullen, het ongevraagd oprakelen van dierbare herinneringen – toonden aan dat ze nog steeds hopeloos verliefd op me was. Tenminste, dat was wat ik dacht. Maar nu bleek dit allemaal een illusie te zijn. Ze hunkerde wel, maar niet naar mij. Nee, een andere kerel was het object van haar begeerte, één of andere hippie nota bene. Ik bekeek de langharige armoedzaaier naast haar nog eens goed. Wat moest ze verdomme met die gast? Hij paste totaal niet bij haar. Dat ik hem niet kende, hem zelfs nog nooit eerder gezien, was irrelevant bij het vellen van een dergelijk oordeel. Zoiets zag je gewoon.

Gelukkig was Bob daar, en – nog belangrijker – een meter bier. Ik pakte een glas uit de tree en klokte het in één keer achterover. Dat had ik even nodig. Vrijwel direct voelde ik mezelf kalmeren: het bonken van mijn hart in mijn keel nam af en het trillen van mijn handen stopte helemaal. Of ik merkte het trillen simpelweg niet meer, dat kon natuurlijk ook. In ieder geval hielden tegelijkertijd mijn dwangmatige blikken naar de achterkant van de kroeg op en begonnen ook de gesprekken van mijn vrienden weer tot me door te dringen. Niet veel later lachte ik zelfs alweer. Eerst nog wat gekunsteld om een droge opmerking van Jos, later luidop – en daardoor wellicht enigszins krankzinnig – om wat ik zonet allemaal had gedacht en gevoeld.

Waar had ik me in hemelsnaam zo druk om gemaakt? Het was per slot van rekening mijn eigen keuze geweest om haar te verlaten. Ik was degene die de relatie beëindigd had en tot nog toe had ik daar geen moment spijt van gehad. Alles was beter nu. Vooral de ongelimiteerde hoeveelheid tijd en vrijheid die ik plots tot mijn beschikking had, beviel me goed. Voor het eerst sinds lange tijd hadden de dagen weer genoeg uren en konden ze weer naar believen worden ingevuld. Ik hoefde nu geen zaterdagavonden meer te verkwanselen aan het kijken naar talentenshows en ook van de volslagen irrationele shopmiddagen, die mevrouw eens in de zoveel weken noodzakelijk achtte, was ik voorgoed af. Ik kon, kortom, eindelijk weer mijn eigen dingen doen, dingen die ík leuk vond. Een hele middag – languit liggend op de bank, in een prettige eenzaamheid – lezen uit een vuistdikke roman bijvoorbeeld. Of, zoals vanavond, mezelf klemzuipen met mijn vrienden. Ook dat uiteraard.

Ja, het was echt beter – veel beter zelfs – dat we uit elkaar waren.

Hij gleed met zijn hand langzaam omhoog en terwijl hij dat deed, fluisterde hij iets in haar oor. Ze lachte. Ze lachte, godverdomme! Ik verslikte me in mijn bier en morste daardoor het halve glas over mijn witte overhemd. Om me heen lag iedereen in een deuk. Zelf lukte het me niet om te lachen, zelfs niet een beetje. In plaats daarvan balde ik mijn vuisten en maakte ik aanstalten om op te staan. Ik moest hier wat aan doen. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor haar. Vooral voor haar. Zij zou immers doodongelukkig worden met dit inhoudsloze individu aan haar zijde. Hij zou haar binnen de kortste keren vervelen met zijn pretentieuze gezwam over dertien-in-een-dozijn rockbandjes en zijn irrealistische dromerijen over een rechtvaardigere samenleving. Want ja, hij was het type dat – in een poging zichzelf een identiteit te verschaffen – anderen tot in den treure lastigviel met dat soort leeg gelul. Dat was overduidelijk. En wat de lach betrof, die hij haar net bezorgde? Dat was – zo zou achteraf blijken – een toevalstreffer: iets eenmaligs, een unicum. Humor bezat onze hippie namelijk ook al niet. Hij had haar – kort samengevat – dus niets te bieden. Zij verdiende iets beters, iemand die haar wel waard was, en het was mijn taak om haar dat duidelijk te maken. Ik zou de hippie bij zijn belachelijk lange haren grijpen en hem de tent uit sleuren.

Het bier dat ik niet gemorst had, dronk ik in één teug op, waarna ik opstond van mijn kruk. Dat laatste deed ik resoluut, ook al leek niemand dat echt op te merken. Het lege glas hield ik ondertussen in mijn hand: je wist maar nooit of dat nog van pas kwam. Zonder nog iets tegen mijn vrienden te zeggen, zette ik me in beweging en werkte ik me tussen de mensenmassa door naar achteren. Hierbij botste ik bruusk tegen een jong gastje op, dat door mijn schuld zijn bier verloor, maar zich – nadat ik hem even agressief had aangekeken – juist tegenover mij verontschuldigde. ’Sorry man, sorry..!’, stotterde hij. Ik zei niks terug, duwde ook nog wat andere mensen opzij en kwam zo bij de plek waar ik moest zijn: de tweepersoonstafel waar zo meteen nog maar één iemand zou zitten. Ik omklemde het glas in mijn hand nog wat steviger.

Net op dat moment gebeurde er echter iets: mijn ogen kruisten heel even de hare. Ik stond gelijk aan de grond genageld, wist even niet wat ik moest doen, keek daarom wat verwilderd om me heen, zoekend naar een uitweg, en besloot toen maar gewoon door te lopen, quasinonchalant, alsof ik ergens naar onderweg was. Het toilet iets verderop bood uitkomst; hier kon ik me even verschansen. Ik ging snel naar binnen en ging bij de roestvrijstalen pisbak staan, zonder dat ik daadwerkelijk hoefde te urineren. Er kwamen slechts een paar druppeltjes uit. De dronkenlap naast me, die half slapend, half brakend voorovergebogen met zijn voorhoofd tegen de muur leunde, merkte dit vast niet op. Ik keek hem van opzij aan, terwijl hij iets mompelde in de trant van ‘alle wijven zijn kuthoeren’. Hij had haar ogen niet gezien. God, die ogen. Nee, besloot ik, ik kon die hippie niet de tent uitvegen, hoe graag ik dat ook zou willen. Dan zou ik mijn kansen bij haar voor eeuwig verspelen. Ze zou me nooit meer kussen, terwijl ik nu niks anders verlangde dan dat: een kus van haar. Geen lange, hevige kus en ook niet van dat gekloot met onze tongen; nee, gewoon een korte, zachte kus.

De tering, dacht ik, toen ik mijn handen waste en mezelf aankeek in de gescheurde spiegel: was ik echt zo’n slappe lul die zich liet meeslepen door zulke sentimentele gevoelens? Ik moest verdomme eens rationeel gaan nadenken en beseffen dat wij niet voor elkaar gemaakt waren. Wij pasten nog minder bij elkaar dan dat zij en die hippie bij elkaar pasten. Zij was een onzeker, een twijfelaar die daardoor nooit tot daden kwam, terwijl ik juist altijd precies wist wat ik wilde en daar vol voor ging. Zoiets botste. Ik ergerde me continu aan haar besluiteloosheid, zij voelde zich voortdurend geïmponeerd door mijn daadkracht. Dat was vroeger zo geweest en dat zou in een gedeelde toekomst ook zo zijn. Het zou een kansloos liefdesavontuur worden, waaraan ik me niet moest wagen – niet weer.

Ze stond naast de tweepersoonstafel, op het moment dat ik het herentoilet uitstapte. De hippie, die ook nog eens een uitslover bleek te zijn, hielp haar net in haar jas. Opnieuw kruisten onze blikken elkaar, maar dit keer wendde geen van ons zich af. Ze glimlachte zelfverzekerd en kwam naar me toegelopen. Toen ze voor me stond, pakte ze me voorzichtig bij mijn bovenarm.

‘Jammer dat ik je nu pas zie, ik ga net naar huis’, zei ze.

‘Met hém?’, ik knikte over haar schouder naar de hippie.

Zonder zich aan mijn minachtende intonatie te storen, antwoordde ze:‘Ja, met hem, Victor‘.

Ze kneep even in mijn bovenarm, keek me nog eens diep aan en kuste me toen. Kort en zachtjes, op mijn wang. Daarna draaide ze zich om en verdween ze in het gedrang. Ik keek haar na, mezelf afvragend waarom ze me in hemelsnaam had gekust. Had ze me dat verdomme niet kunnen besparen?

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch