Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een vrouw die wacht

Door Leen Verheyen

Toen ze ging slapen, wist ze dat hij die nacht zou komen. Elke nacht al had ze hetzelfde voorgevoel gekoesterd. Elke nacht al was haar verlangen tevergeefs gebleken. Die nacht echter werd ze gewekt door gestommel aan de andere kant van de slaapkamerdeur.

Het kan niet anders of ze moet bij het openen van de deur gemerkt hebben dat de man die voor haar stond niet de man was waarop ze wachtte. Maar ze nam hem in haar armen en deed alsof ze het verschil niet zag.

Je bent veranderd, zei ze zacht. Ze nam zijn door de zon getekende gezicht in zich op. Ze bekeek de neus die scherper was dan gedacht, de oren die groter leken. Kom, fluisterde ze en ze zei hem te gaan zitten aan de keukentafel. Ze zette de waterketel op het vuur en ging naast hem zitten. Waar is je koffer, vroeg ze. Ze dacht aan de koffer die ze twee jaar eerder had ingepakt en meegegeven. Ondergoed, kleren, water, iets te eten, toiletpapier, want je weet maar nooit, daar in de woestijn. Waar is je koffer, vroeg ze. Hij zei niets en liet zijn handen dwalen over het tafelblad. Ze zag dat er vermoeidheid in zijn ogen lag. Vertel, zei ze, vertel me waar je bent geweest die jaren.

Praten ging moeizaam, hij zei iets over vlakten met zand en dagen zonder regen. Over hoe anders het was dan hier. Er was een dorp, zei hij, gebouwen die eerder kogelgat waren dan huis. Ze waren er met de auto heen gereden. Met zeven waren ze. De jongen die naast hem zat was zijn broer. Zo noemden ze elkaar. Ze deelden een kamer, verhalen, uren en dagen van verveling, van wachten.

Ze hadden gelachen toen ze met de auto het dorp binnenreden. De muziek stond luid. De zon brandde. Ze waren uitgestapt op een plek die vroeger plein moet zijn geweest. Nu was er enkel zand. Het dorp leek verlaten. Aan een van de gebouwen stond nog bouwmateriaal. Alsof iemand geprobeerd had opnieuw te beginnen. Alsof iemand zich daarna had bedacht.

Er liep een kat over het plein. Zijn broer was gaan zitten, had geprobeerd om de kat te lokken. Ze zag er uitgehongerd uit. Nog voor hij iets te eten uit zijn zak had gehaald, hadden de schoten weerklonken.

Ze waren gaan lopen, hadden schuilhoeken gezocht. Maar waar schuilen als zelfs de huizen geen muren hebben? Ze hadden met moeite de figuren op de daken kunnen onderscheiden. Hij wist wat hij moet doen. Hij wist dat hij moest schieten. Maar al wat hij zag was die kat.

Pas een paar uur later was het stil geworden. Het leek alsof hij uren in trance had doorgebracht. Hij had niet geschoten. Hij had niets gedaan. Al wat hij zag was die kat. Het bloed dat ze oplikte van de grond.

Ze keerden terug naar de wagen. De banden waren stukgeschoten. Ze moesten de anderen op de hoogte brengen, vragen om hulp, versterking. Ze moesten melden dat ze iemand hadden verloren.

Het spreken stokte. Hij staarde naar zijn handen, wist niet of hij zijn hand op de hare kon leggen. Ze zweeg en stond op. Ze maakte thee en haar handen trilden toen ze het kopje voor hem neerzette. Voor het eerst keek hij in de bruine ogen die hij kende van de foto’s.

Wil je slapen, vroeg ze, het moet een lange reis zijn geweest. We kunnen morgen praten. Ik heb je lakens gewassen. Ik heb gewacht. Ik wist dat je zou komen.

Hij keek haar aan en zweeg. Hij deed geen moeite haar van haar illusie te bevrijden. Hij zweeg alleen en knikte.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch