Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Een zool weet alles

Door Luz Day

De aandrang overviel me voor het eerst in de zomer van 1996 toen ik met mijn ouders de dijk van Nieuwpoort bewandelde. We waren sinds een halve dag aan de kust en we hadden de weg reeds drie keer afgelegd. De wind die vastberaden tegen mijn linkerwang sloeg, in mijn rechterooghoek de grauwe appartementsgebouwen. Wanneer ik mijn ogen neersloeg afwisselend mijn rechter- en linkerschoen. Rood, groen, rood, groen, dacht ik. De cirkeltjes zaten aan de onderkant van mijn Kickers, maar ik wist perfect dat rechts rood was en links groen. Ik zag ze glashelder afgetekend op de hielen van mijn zolen. Gisteren had ik Seppes naam op mijn linkerzool geschreven met mijn gouden balpen, in een cirkel rond de groene bol, ik vroeg me af of het nog zichtbaar was. Bij de terugkeer naar ons vakantiehuis zou alles zich omkeren, maar alles zou uiteindelijk toch hetzelfde zijn. Kleurloos, eentonig en verschrikkelijk teleurstellend.
Mijn ouders bespraken wat ze die dag zouden eten, het netelige dilemma ging tussen spaghetti bolognaise en een salade met kip. Ik bedacht hoe vaak ze dit gesprek reeds gevoerd hadden, hoe vaak ze het nog zouden voeren, hoe vaak ik het nog zou voeren.
Ik constateerde de aanwezigheid van zweet onder mijn oksels. Ik had het een maand eerder voor het eerst opgemerkt tijdens de speeltijd. De zon brandde hard op tere kinderhuiden en de vakantie leek tegelijk dichtbij en veraf. Ik vond het intriest dat er weer iets zou eindigen, maar vooral dat het even later weer gewoon opnieuw zou beginnen. De weeë geur die opsteeg van onder mijn oksels leek mijn droefenis alleen maar te versterken.
Ik keek naar drie kinderen in go-carts wiens krullende haren wild boven hun hoofden dansten. Ik hoorde hun ouders, beiden met even ongetemde krullen, hen aanmanen voorzichtig te zijn. Straks zouden ze ook bespreken wat ze zouden eten, of ze hadden het al gedaan. Ik hoorde hoe mijn vader toegaf.
Een maand eerder had de schoolbel veel luider geklonken dan alle andere keren. De intense galm schoot recht naar het plaatsje tussen mijn ribben en navel, daar waar blijde verwachtingen ontstaan.
Het was al sinds begin juni broeierig warm, wat de hunkering naar vrijheid alleen maar vergrote. Toen het eindelijk zover was wist ik niet wat ik met die ongebondenheid moest aanvangen. Het idee dat verlangen een fijner gevoel is dan ontvangen overviel me die eerste ochtend van de vakantie toen ik wakker werd en constateerde dat ik niet wist hoe mijn dag te vullen. Zweet had de lakens aan mijn huid vastgelijmd, het beloofde weer een warme dag te worden. Ik dacht na over mogelijke boeiende activiteiten tijdens het ontbijt, maar ik was inspiratieloos. Ik hield dan maar, bij gebrek aan beter, mijn fiets uit de berging.
Vorige zomervakantie mocht ik nog tot in het dorp fietsen om pistolets te gaan halen bij de bakker. Die ochtend kwam de mededeling dat ik dit jaar niet verder mocht dan het einde van de straat. Tegenover vorig jaar was ik een jaar ouder en logischerwijs zou ik dan meer mogen, verder mogen fietsen. Maar ouders volgden de laatste maanden die logische volgorde niet meer. Ze waren de kluts kwijt.
Er was iets veranderd in België. Ik was nog maar negen jaar, even oud als de meisjes, maar zelfs ik voelde het.
De foto’s hingen overal. De meisjes op de foto’s waren constant in mijn leven aanwezig. Ze keken toe hoe ik het voedsel dat mama bereid had in mijn mond duwde vanuit de muur waar de keukentafel tegenaan stond. Vanaf dat ze er hingen at ik tergend traag en niet te enthousiast, want wie weet hadden zij geen eten bij zich. Ze keken toe hoe ik met mijn klasgenoten fluisterde tijdens de lessen vanuit het prikbord aan de muur waar een heleboel educatief materiaal hing. Het educatief materiaal bekeken we nooit, het hing er gewoon omdat de muur van een klas een kakofonie van lesmateriaal hoort te zijn, anders is het gewoon een lokaal. De foto’s bekeken we wel regelmatig. Zelfs de stoere jongens van de klas staarden tijdens de lessen met een bedroefde blik in hun ogen naar de meisjes. Ik probeerde tijdens de lessen niet al te veel in interactie te gaan met mijn vriendinnen, want daar kregen de meisjes niet eens de kans toe. Ze keken die ochtend op me neer vanuit het grote raam aan de voorkant van het witte huis dat aan de andere kant van de straat stond. Ik stopte voor het raam en keek eerst naar de foto’s en dan naar mijn splinternieuwe fiets. Net gekocht bij fietsenzaak Schampels. Nog voor ik de winkel betrad wist ik dat ik een paarse wou. De andere fietsen konden nog zo mooi en kwalitatief zijn, een paarse moest ik hebben. Misschien moest ik maar eens huiswaarts keren.
Het linkse meisje deed mij een beetje aan mezelf denken. Hetzelfde ronde hoofd, dezelfde ogen, dezelfde mond en hetzelfde kapsel. Ik verbaasde me er elke dag over dat niemand plots naar mij toeliep, mij omarmde en in de lucht gooide terwijl een massa mensen om mij heen scandeerden: ‘We hebben haar gevonden! Nu de andere nog!’
Ze waren nog steeds niet terecht. Overal waar ik kwam zocht ik naar hun gezichten. Van zodra ik hen zou herkennen zou ik naar hen toelopen en ze in mijn beste Frans aanspreken. Ik had de scène al meermaals herhaald in mijn hoofd. Het eindigde er altijd mee dat de meisjes plotsklaps Nederlands spraken en mijn beste vriendinnen werden.
Mijn zoektocht stopte nooit. Ik had de indruk dat niemand er even intensief mee bezig was als ik, ondanks alle foto’s die werden opgehangen. Anderen zochten niet overal waar ze kwamen naar hun gezichten, want anders was het al lang gebeurd dat iemand mij plots in zijn of haar beste Frans aansprak. Er werd niet voldoende gezocht. Elke dag glipten ze een beetje meer uit onze handen.
In Nieuwpoort ging mijn zoektocht gewoon voort. Mijn ouders raakten aan de praat met het krulgezin terwijl ik naar de gezichten zocht. Voor het eerst besefte ik dat ik hen waarschijnlijk niet meer zou vinden. Ze waren reeds een jaar geleden verdwenen. Het was te laat.
Ik had me die eerste maand van de vakantie verveeld. Ik keek reikhalzend uit naar augustus, de maand waarin we aan de kust zouden verblijven, de maand waarin de vakantie dan eindelijk echt zou beginnen. Maar echt beginnen doet iets nooit, het passeert alleen maar.
Gisteren had mijn beste vriendin Sofie K me gebeld – die zo werd genoemd wegens twee naamgenoten in de klas, Sofie V en Sophie. Ze had gezegd dat ik de naam van mijn liefje op de zool van mijn schoen moest schrijven en dat ik er dan een hele dag niet mocht naar kijken. Ik moest de schoenen dragen, anders telde het niet. Als de naam er na een dag nog op stond was het ware liefde. Sofie K had dat van haar zus Julie K – in haar klas zaten alsook Julie D en Julie D2 – vernomen en het zou echt kloppen. Julie K had namelijk Thomas op de zool van haar schoen geschreven, zonder dat haar vriendje Thomas daarvan op de hoogte was. Daarna was ze op stap geweest met vrienden en was ze de naam op haar zool helemaal vergeten. De dag nadien gaf Thomas haar een ring en zei hij dat hij van haar hield. Dat had hij nooit eerder gezegd. Plots herinnerde Julie K zich wat ze de dag voordien had gedaan en keek ze vluchtig naar haar zool. De naam stond er nog. Ik giechelde in de hoorn en ik zei dat ze wat verzon. Maar Sofie K had het gezworen op het hoofd van haar konijn King Kong én op dat van Baby Spice, dus het moest wel waar zijn.
‘Een zool weet alles,’ had ze gefluisterd door de telefoon.
Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en zakte lichtjes door mijn rechterknie waar ik mijn linkervoet op liet rusten. Seppes naam was verdwenen. Niets bleef, besefte ik, en ik besloot ook niet meer te lang te blijven.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch