Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Emigratie

Door Bunbuk Chagama

Zonder bewoonster zag de woning van oma Ria er uitgestorven uit. Het bed in de woonkamer (oma Ria kon geen trappen meer lopen) was onbeslapen. Het leek wel alsof de lakens hun adem inhielden, wachtend op een wonder zoals een kind rond deze tijd van het jaar op Sinterklaas wacht en niet kan slapen.

Op een dag, het was precies twee maanden geleden sinds de ambulance met rode zwaailichten en loeiende sirenes oma Ria was komen ophalen alsof ze een dragqueen was die ergens in een verlaten uithoek moest optreden, vroeg Aska aan mama:
Oma Ria is nu al zo lang in het ziekenhuis, misschien komt ze nooit meer thuis?

Hoeveel dagen lag oma Ria precies in het ziekenhuis? Aska was de tel kwijt. Voor haar gevoel had ze al honderd blaadjes van de kalender gescheurd. Buiten waren de bomen al helemaal kaal. De vogels hadden hun liedboeken ingepakt en waren naar warmere oorden vertrokken.

Mama die moe was van de dagelijkse strijd die ze nu al wekenlang voerde met haar jongste dochter Yoshino, omdat die haar winterjas niet wilde aantrekken als ze naar buiten gingen, en vreesde dat ze op een dag ziek zou worden omdat het met de dag kouder werd, zei tegen Aska, haar oudste dochter: ik weet het niet.

Ze stonden op het punt om met z’n drieën naar buiten te gaan, naar het park.

Zoals gebruikelijk wilde Yoshino haar jas niet aan. Mama’s geduld begon op te raken als de koekjestrommel die bijna leeg is, maar waar altijd een laatste koekje blijft liggen. Het gekke was dat Yoshino sinds ze geen jas aan wilde, niet meer ziek was geweest. Ze had alleen maar een beetje buikpijn van de decembermaand.

Toch buitelden in mama’s hoofd de doemscenario’s als spoken in het spookhuis op de kermis, over elkaar heen.
Het ergste scenario was dat Yoshino een longontsteking kreeg en net als oma Ria naar het ziekenhuis moest. Misschien had oma Ria haar lelijke, zware winterjas ook niet willen aantrekken en was ze daarom ziek geworden, vroeg Aska zich af?

Ze vroeg voor de laatste keer aan mama, met deze keer haar vraag vermomd als antwoord:
Misschien komt ze helemaal niet terug, oma Ria, he? Misschien gaat ze wel dood? Waarop mama zei: ja, misschien gaat ze dood, maar eerst komt ze terug naar huis. Daarmee was mama’s oordeel definitief. Aska zweeg.

Maar ze geloofde niet wat mama zei. Oma Ria had al lang beter moeten zijn. Als je zo lang in het ziekenhuis ligt, kom je niet meer thuis! Dan ga je emigreren naar de hemel. Net zoals tante Annick die naar de andere kant van de wereld was ‘gemigreerd’. Die zagen ze ook nooit meer terug. Ze zei het niet hardop. Mama had al genoeg verdriet. Tante Annick was haar tweelingzus. Het was alsof haar hart, als een chocolade letter in twee was gebroken. Soms kan je dan beter niet zeggen wat je denkt, net zomin je beter niet kunt denken wat je zegt.

Mama had het te druk om Yoshino in haar jas te krijgen. Ze leek wel op iemand die probeert een vlinder te vangen. Ze maakte met haar armen wilde bewegingen in de lucht met Yoshino’s jas als net. Maar Yoshino fladderde vrolijk door de gang en liet zich niet vangen. Na een tijdje gaf mama het op. Ze had zin om Yoshino achter het behang te plakken.

Aska moest aan haar juf denken. Die was ook ziek geweest, maar op de derde dag was ze al weer op school gekomen. Die twee dagen hadden een eeuwigheid geleken. Ze had haar juf ontzettend gemist. Oma Ria was al twee maanden ziek!

Ze was bijna uit Aska’s geheugen gewist zoals de namen van de stoute kinderen op het bord. Als die weer lief waren, doopte de juf de spons in de emmer water en wiste ze de stoute namen van het bord. Nog voordat het bord was opgedroogd, was alles vergeven en vergeten. Zo was het ook met oma Ria. Straks was ze ook haar naam vergeten.

Toen ze op weg naar het park langs het huis van oma Ria liepen, drukten Aska en Yoshino hun gezicht tegen het raam dat warm aanvoelde door de zon die als een enorme schijnwerper op een filmset op de voorgevels van de huizen scheen en de straat deed lijken op een wintertafereel uit een draaiboek.

Aska en Yoshino maakten van hun handen een kijkgat en gluurden naar binnen. Het was pikdonker. Ze leken op archeologen die op zoek waren naar goud en mummies in een graftombe. Je moest de sneeuw die ineens uit de hemel kwam neerdwarrelen wel wegdenken.

Ineens zagen ze iets opflikkeren. Het fladderde rond. Licht? Een schim? Ze schrokken. Was oma Ria thuisgekomen? Of was het haar geest die afscheid kwam nemen? Ze gilden. De ene nog harder dan de andere.

Toen zetten ze het op een rennen, achterna gezeten door de dood die holde met mama’s voeten, riep met mama’s stem en zwaaide met Yoshino’s jas: ‘Wacht op mij! Ik kan niet zo hard lopen! Ik ben niet zo jong meer! Het sneeuwt! Je moet je jas aan!’

Aska en Yoshino renden voor hun leven en hoorden al lang niet meer niet wat mama zei. Haar woorden smolten als sneeuwvlokken wanneer ze de grond raken.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch