Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

En voilà, en later, en dat was dat.

Door Hans Depelchin

Als ik er nog niet ben, ben jij er ook nog niet, want ik ben er nog niet om naar je te kijken.
Ik heb me lang afgevraagd of een blinde echt bestaat.

Plots ben ik er wel. En voilà: jij ook. Ik noem je ‘papa’. Ik zie mezelf in je zwarte ogen. Je hebt me verlost.
Tegen alle verwachtingen in huil ik niet. Ik hoor gedempte stemmen in ontlading. Het zijn er veel door elkaar en ietsje helderder dan daarnet, toen ik nog om en om wentelde in die warme waterzak tussen mama’s ingewanden. Omdat ik door je ogen en de doffe klanken overweldigd word, vergeet ik dat ik rillend en poedelnaakt in je handen lig.
Mama bijt onze navelstreng door. Zij verlost me voor de tweede keer. Ik heb haar nooit gevraagd of het pijn doet. Ze komt moeizaam overeind. De matras kraakt. Jij buigt naar haar toe. Ze neemt me vast bij mijn polsen die de diameter hebben van een oogbol. Ze leest in mijn pasgeboren handpalmen dat ik snap dat alles met groeien te maken heeft, en met krimpen daarna, en dat ik me daar niet druk over wens te maken. Daarom huil ik niet. ‘Leiderschap’, zegt ze. ‘Leiderschap voor later.’
Mama kleedt zich traag aan. Ze zoekt haar evenwicht tegen de vensters links en rechts en de kleine kastjes daarboven, waar ze haar kruiden, haar zalfjes en haar bessensap bewaart. Ze waggelt naar de deur, voorovergebogen en met haar handen op haar knieën. We deinen heen en weer terwijl ze zich voortbeweegt. De kralen aan de voordeur tikken tegen elkaar en maken het geluid van zachte regen. Jij schuift een gordijn opzij. Daarachter staan vier houten bakken met stro en lamsvelletjes. Je wikkelt me nog snel warm en volgt mama naar buiten. De lucht heeft de kleur van de bellenplant. Een felroze, verkwikkende dageraad.

En voilà, tussen het hoge gras, als reusachtige coconnen: onze caravans in alle tinten pastel. Het volk voor onze deur. Mama wandelt moeizaam verder door de troep supporters, als een kind dat leert lopen. Jij volgt haar met mij in je armen. Als we in het midden van de groep staan, vormen de mensen een kring om ons heen en beginnen ze keelklanken uit te stoten, op hun billen te slaan en om hun as te draaien. Ik heb haar nooit gevraagd wat het betekende. Maar ik herinner me dat het voelde als een zegening. Ik word bepoteld door donkere handen, bewonderd door zwarte ogen en besprenkeld met vocht waarvan ik de oorsprong niet wil kennen.

En voilà, verderop: de heuvel met het kasteel. Uit de heuvel maak ik op dat wij in een dal wonen. De bewoners van het kasteel hebben eeuwen geleden een muur gebouwd die de heuvel van het dal scheidt, als een bakstenen slang van oost naar west. De muur vertoont een barst ter hoogte van de eerst eik die grenst aan de vijver. Een kasteeljongen en een caravanmeisje kunnen er Pyramus en Thisbe spelen, of Romeo en Juliet, de een met zijn mond en de ander met zijn oor tegen de stenen.
‘Op het einde gaan ze wel dood,’ zeg je, papa, als je het verhaal vertelt rond het vuur, ‘maar daar moeten we vroeg of laat toch over nadenken.’ Dus denk ik erover na. Want liever vroeg dan laat.
Mama fluistert: ‘De aronskelk. Zie je hem, tussen de bomen daar? De aronskelk bloeit veel te vroeg.’ Ik beeld me in dat ik er muntthee uit slurp, als uit een vaas. Ik neem me voor om de barst te zoeken.

En voilà: de broertjes en zusjes in lompen. Iedereen familie. Onze papa’s gaan elke ochtend kristallen zoeken aan de grenzen en komen elke avond beteuterd thuis met goud dat ze weggooien, omdat ze goud niet kennen. Onze mama’s doen de was in de rivier, zingen samen liederen rond het kookvuur en vegen bij zonsondergang de modder af van onze gezichten. We hebben de hele dag geploeterd in de plassen in het bos, soms in ons blootje, maar altijd met een band in ons haar, dat lang moet zijn omdat het moet.
Mijn broertjes en zusjes roepen dat ik de barst moet vergeten. Ik hurk erbij neer en leg mijn oor tegen de stenen. Ik hoor de kasteeljongen. Hij hijgt. Hij waarschuwt. Soms steekt hij zijn tong door de barst en voel ik een veeg speeksel in mijn oorschelp. Dan huiver ik. Mijn broertjes en zusjes roepen dat ik ermee moet stoppen. Ze wachten tot ik klaar ben. Niemand rept een woord, ’s avonds, in een kring rond het vuur, in de omhelzing van jouw verhalen.

En later, aan de oever van de vijver: een man met een lange jas die ons horloges wil verkopen. We botsen tegen hem op. Hij knoopt zijn jas open. Links en rechts blinkende, kristallen uurwerken. Ze zetten bliksems in onze pupillen. We kijken in zijn blauwe ogen en stuiven uit elkaar, het bos in. Vijf minuten later komen we terug met een jutezak vol naaktslakken, om te ruilen. Hij schudt zijn hoofd.
‘Ze zijn heel lekker’, probeer ik. Hij schudt opnieuw zijn hoofd en legt zijn koude hand op mijn kruin. ‘Je kunt betalen met je leven.’ Wij schieten in de lach. Hij laat zijn blik over mijn ontluikende borstjes glijden, en verder naar beneden, naar de rafelige snijwonde tussen mijn benen die op een rozig foutje lijkt van iemand die niet goed kan knippen. Hij draait zich om en verdwijnt tussen de eiken, op het donkere pad naast de muur met de barst.
’s Avonds rond het vuur rept niemand een woord. We luisteren niet naar je verhalen, papa. We wisselen blikken uit. We voelen gevaar, maar we zwijgen. Je vraagt niet wat er aan de hand is als je me ziet omkijken naar de heuvel met het kasteel. Je knikt onmerkbaar en spreekt verder, terwijl je in je pauzes met je tanden een stuk vlees van je konijnenpoot trekt. De volgende ochtend begint onze permanente dronkenschap. We lachen, maar het is een wrang plezier.

En nog later: de poorten van het kasteel die met veel lawaai open slaan, monsters die naar beneden stormen met fakkels, hamers, houwelen, speeksel, zweet en tongen uit hun mond, een gat uit de muur slaan en verzamelen in het dal, rond onze caravans, nu plots als paddenstoelen zo klein. We horen vuisten bonken op de deur. De kasteeljongen zet zijn mond tegen de spleten van onze caravan en brult als een wildeman.
Mama roept: ‘De aronskelk. Ik heb het nog zo gezegd. De aronskelk.’ We beginnen ons bezit samen te binden. Mama neemt je bij je schouders vast en smeekt: ‘Laten we vluchten.’ Je trekt je los en sist: ‘Nee. Laat ze maar komen.’ En dat was dat.

En nog veel later: de stad. Iedereen is ons vreemd. We zijn vreemden voor iedereen. We komen regelmatig samen, maar wat geweest is, wordt doodgezwegen. We zitten in kleermakerszit rond een omgekeerde emmer. We buigen ons over mama’s pan en graaien naar goulash met zuurkool. We likken onze vingers af, kijken naar elkaar en denken niet aan de modderplassen, de verhalen rond het vuur, de barst en de tong, de lange jas en de man, de pastelcaravans en de glorie van mijn geboorte.
Mama zit ineengedoken achteraan in de tent. Ik hoor haar fluisteren: ‘De aronskelk bloeide te vroeg.’ Jij slaat met je vlakke hand op de grond, papa, en je gezicht loopt vol rode wijn, van je kin tot je kruin. Je hoest. Er parelen druppels zweet in de bruine nerven langs je slapen. ‘Pittig’, zeg je, terwijl je me aankijkt. ‘Lekker, maar pittig.’
Ik zeg dat ik volgende week met zes broertjes en zes zusjes in een kraakpand ga wonen. De eigenaars zijn voor twee maand op reis. ‘Goed’, zeg je en je hoest voort. Je hemd is gescheurd en hangt in rafels over je schouders. Ik denk aan de snijwonde, toen, tussen mijn benen, en het koopwaar, nu, op dezelfde plek. Ik denk aan waar ik me vanavond strategisch kan opstellen om zoveel mogelijk kristal te verdienen. Ik denk aan alle mogelijke kinderen tussen mijn ingewanden.
Je houdt je kraag voor je mond terwijl je blijft hoesten. Ik hoor mama fluisteren: ‘Ik zie jullie niet.’ Ze staart naar de kralen in haar handpalmen.
We schrikken op door de schaduw van een poot die omhoog komt en het geluid van een urinestraal die oorverdovend tegen het strakke nylon klatert. Ik verslik me. Een man zegt: ‘Sorry, hij had jullie niet gezien.’

Uiteindelijk, in een kring rond jullie graf, maken we vuisten en denken we: ‘En nu ons tijdperk.’ We blijven daar een leven lang met gesloten ogen staan.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch