Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

ENGELENHAND

Door Pieter Ewals

‘Mijn naam is Elisabeth Swyncop en ik ben uw raadsvrouw.’
Met een zachte klik valt de deur in het slot.
‘Aangenaam mevrouw Zwijnekop. Wat fijn dat u mij op komt zoeken. Excuus voor deze sobere ruimte. Ik kan u niets aanbieden, geen koffie, geen thee, zelfs geen glaasje water. Waarom hebben we hier afgesproken en niet in een fijn horeca etablissement, dat is toch veel prettiger, vindt u niet, mevrouw….’
‘Elisabeth Swyncop. Ik zal u vertegenwoordigen, meneer Dreuff. U bent op het politiebureau, weet u dat?’
‘Ach Elisabeth. Is het goed als ik u bij uw voornaam noem? U bent zo jong, vast nog geen dertig, maar zo ernstig: dat mantelpakje, het duffe kapsel. Dat mag best iets vrolijker, hoor! U doet mij denken aan mijn vrouw Ada toen ik haar leerde kennen. Ernstig, een beetje saai en toch parmantig, maar ze is goed voor mij hoor, al vijftig jaar. Goede moeder ook: de kinderen zijn netjes opgevoed en vooral door haar. Keurige luitjes zijn het geworden. Nu staan ze op eigen benen, hebben zelf een gezin, en op visite komen ze niet, geloof ik. Ik moet bekennen dat mijn geheugen wat achteruit gaat. De lasten van de leeftijd! Elisabeth is het toch?’
‘Uw vrouw is dood, meneer Dreuff.’
‘Och, dat spijt me! Wat moet dat naar voor d’r zijn. Overlijden is geen pretje hoor, dat kan ik u verzekeren want ik heb heel wat mensen zien gaan. Onder mijn handen, maar vaker op zaal, en bijna altijd pijnlijk, lelijk of allebei. Alleen heel af en toe is de dood mooi; genadevol en goed. Ik ben chirurg, weet u. Kijk, mijn handen: slanke vingers en kortgeknipte nagels, geen trillingen waardoor het scalpel uit schiet of de hechtdraad verknoopt raakt. Prachtig vak, mevrouw …hoe was uw naam, zei u?’
‘Noemt u me maar Elisabeth. We zijn op het politiebureau, meneer. Uw vrouw Ada is thuis dood aangetroffen. De politie kwam omdat er klachten waren van de buren. Herinnert u zich dat?’
‘De buren hebben geklaagd? Dat kan ik me niet voorstellen. Wij zijn zeer kalm, houden de heg bij en zeggen altijd gedag. Ada is wel in de war. Dan zet ze overdag de televisie hard aan, of trekt alsmaar het toilet door, maar verder is er voor de buren echt geen aanleiding om te mopperen. We dragen sloffen in huis…’
‘De klachten betroffen stank. Het stonk.’
‘Ze zal overstuur zijn, mijn Ada. De laatste tijd gaat ze achteruit, weet u, ze vergeet veel en ze herkent me meestal niet. Het ergste is dat ik moet helpen met haar douchen en aankleden. En naar het toilet gaan! Het huis is niet meer zo schoon als vroeger, maar dan hoeft de politie toch niet te komen, Elisabeth.’
‘Luister meneer Dreuff. Uw vrouw is een niet-natuurlijke dood gestorven. Iemand heeft haar gedood.’
‘Waarom weet ik daar niets van? Je liegt, Elisabeth! Het is gewoon niet waar!’
‘De rechercheurs hebben foto’s genomen en er is proces verbaal opgemaakt, meneer Dreuff. Ada is vermoord.’
‘Arme Ada. Vermoord! Ze is niet meer de oude. Ik herken haar niet meer, en zij mij evenmin. Dan wil ze me wegjagen omdat ze me voor een inbreker houdt, ze pakt de pook en dreigt te slaan. Ze kan best vinnig zijn, hoor! Maar meestal zit ze in de keuken en wrijft alsmaar over het tafelblad of het aanrecht. Ze staart voor zich uit, maar ziet niets. Praten doet ze niet meer. Alleen zwijgen of mompelen. Ik moet haar voeren. Simpel eten, hoor, ik ben geen goede kok: boterhammetjes met jam, witte bonen in tomatensaus uit blik; het smaakt haar niet meer, ze eet nog minder dan een vogeltje. Ze drinkt lauwe, mierzoete thee, met slurpgeluidjes.’
‘Meneer Dreuff…luistert u nou eens. Ze is doodgebloed omdat iemand haar halsslagader met een scalpel heeft opengesneden. De scalpel lag naast haar op het hoofdkussen.’
‘Haar plas laat ze lopen. Dan moet ik haar afdrogen en verschonen en dat valt niet mee! Daarna doe ik haar de peignoir aan, met eronder een hemdje. Ik kam haar, geef een kussen dat ze als een pop in de armen neemt en dan zet ik haar maar weer in de keuken, aan de tafel die ze wrijft en strijkt tot etenstijd. Na het tv-journaal leg ik haar in bed, op een zeiltje, voor het geval dat, snapt u?’
‘Ada was al weken dood, meneer Dreuff. Dat roken de buren en waarschuwden de politie. Die scalpel, was die van u?’
‘Vroeger, ik ben chirurg weet u, heb ik wel eens een schaar of klem van het ziekenhuis meegenomen. Ook een scalpel, ja! Zo verdomd handig in huis, maar dat was vroeger. Ik ben nu met pensioen, mevrouw, al jaren. Kijk mijn handen: ze beven een beetje, mijn knokkels zijn dik, de pinken zijn krom, neen, opereren kan niet meer.’
‘Heeft u uw vrouw gedood, meneer Dreuff?’
‘…’
‘Meneer Dreuff, heeft u mijn vraag gehoord?’
‘Ja, mevrouw Swyncop. Ik hoor uw vraag. Ik ben niet doof en evenmin gek.’
‘En wat is het antwoord?’
‘…’
‘Uw antwoord, meneer. Wat is er gebeurd met Ada?’
‘In mijn carrière heb ik vaak op de grens van leven en dood geopereerd. De binnenkant van de mens ken ik als geen ander: talloze röntgenfoto’s en scans heb ik gezien, angiografieën, myografieën, endoscopieën, het lichaam ken ik van boven tot onder, maar het Leven heb ik nooit gevonden kan ik u verzekeren. De essentie van de mens is onzichtbaar en ontastbaar net als de dood. Wat is het verschil en, belangrijker, wat maakt het uit?’
‘Gaat u verder, meneer Dreuff. Wát maakt het uit?’
‘Ik ben oud. Versleten, verschrompeld en moe, maar ik ben nog wel steeds Charles Dreuff. Voor Ada gold dat niet. Ze was geen schim meer van haar vroegere zelf. Haar wezen was aangetast, een proces dat haar met hart en ziel op vrat. Ontluisterend en fataal: geen remedie of pil, geen mogelijkheid tot opereren. De dood had haar met zijn wrede klauwen en tanden in zijn greep.’
‘Dat moet vreselijk zijn geweest voor u, dokter Dreuff. U was machteloos, kon niets voor haar doen. Als chirurg en als arts stond u buiten spel, maar niet als echtgenoot…Wat gebeurde er toen?’
‘Natúúrlijk heb ik thuis spulletjes uit het ziekenhuis, instrumenten die een mensenleven meegaan. Af en toe gebruik ik het bij kleine reparaties.’
‘En?’
‘Op een morgen, het werd al licht buiten, zo’n grauw licht waarbij je hoopt dat het ontzettend gaat regenen zodat de lucht opklaart en de zon doorbreekt, op die morgen lag Ada naast me op bed. Op haar rug, zacht snurkend met open ogen en ze merkte niet dat ik wakker was. Haar magere hand met het dunne vel en de dikke, blauwe aderen greep alsmaar in het laken zonder het te pakken te krijgen. Dat loze graaien, het hield niet op. Het stonk in de kamer naar oude urine, naar faeces. Diarree. Het laken was nat, smerig nat, en het was een onmenselijke aanblik. Ik keek naar haar en zij keek naar boven, door het plafond heen naar iets of niets; ik weet het niet. Er brak iets in mij, ik hoorde het.’
‘Er knapte iets in u?’
‘Ja. De draad tussen Ada en mij was gebroken. Ik stond op, opende de gordijnen en buiten op straat was het stil. Het moest nog vroeg zijn, zo vredig, en ik nam een besluit. In de la van mijn bureau pakte ik de scalpel. Ik voelde me uitverkoren en mijn daad was er een van genade. Ik was de hand van een engel.
Ze heeft niet geleden, mijn Ada, en toen het ademen ophield was de rust in haar lichaam terug gekeerd. Geen klauwende hand, geen mummelende mond. Ik liet haar daar liggen, legde de sprei over haar heen en sloot de deur van de slaapkamer.’
‘Tot de politie kwam en aanbelde. U liet hen binnen en sprak geen woord. Alsof u wist dat het zo zou gaan.’
‘Natuurlijk wist ik dat! Ik wist wat ik had gedaan. Ik ben niet in de war of dement. Was het maar waar! Kón ik maar vergeten, kón ik het maar negeren, mevrouw Swyncop! Maar spijt heb ik niet. Geen berouw, en vergiffenis vraag ik niet. Ik heb gedaan wat ik moest doen.’
‘Wat kan ìk voor u doen, meneer Dreuff?’
‘Niets, mevrouw, helemaal niets. U bent raadsvrouw, maar ik heb uw raad niet nodig. Ik ben volkomen tevreden. Niet gelukkig, maar wel, nou ja…in vrede. U kunt gaan.’
Elisabeth Swyncop klopt op de deur.
Haar uitgestoken hand zweeft een tel als een witte vogel in de lucht en trekt zich dan terug. Ze loopt weg, naar buiten. Achter haar sluit de deur zich met een zachte klik.

Pieter Ewals

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam