Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ere wie ere toekomt

Door Esther Wilderjans

Voordat Liz terug naar België was afgereisd, nu bijna twee maanden geleden, had Port haar beloofd dat hij nog een paar dringende herstellingswerken aan de villa Bogart zou uitvoeren, zodat de bezichtigingen in optimale omstandigheden konden plaatsvinden. Hij mocht haar wel. De stuurse puber was een knappe vrouw geworden. Ze was bescheiden en rustig, ze had humor en ze straalde iets voornaams uit. Port had nog nooit iemand meegenomen naar de vuurtoren.

Terwijl hij op het parkeerterrein van de bouwmarkt nu de nieuwe muurplinten voor de villa Bogart aan het inladen was – de oude lieten op verschillende plaatsen los of stonden bol tegen de muur, verzadigd van de zilte, vochtige zeelucht die dag in dag uit de gevels van de huizen pekelde- werd zijn aandacht getrokken door een wolk gekleurde ballonnen in de verte. Ze zweefden boven de silhouetten van de smalle, zwartgeblakerde schoorstenen van de oude cementfabriek richting open zee. Port dacht aan de almaar toenemende plasticsoep en ergerde zich. De man die naast hem geparkeerd stond, zwierde een nieuwe, met karton omwikkelde wc-bril op de passagierszetel en bleef staan om een sigaret op te steken. Hij volgde Ports blik en toen hij de ballonnen opmerkte, zei hij trots: “De heropening van de cementfabriek. Toch al wel van gehoord zeker? Het is echt geweldig geworden daar. Mijn dochter werkt er. Drie jaar na haar diploma-uitreiking en zeker vijfhonderd vergeefse sollicitaties later, heeft ze eindelijk een job gevonden. Ben jij trouwens niet die kunstenaar die in het oude schooltje woont?” Hij keek Port peilend aan. “Als je een atelier wil huren, of je een tentoonstellingsruimte zoekt, echt, daar moet je zijn.” Er begon Port iets te dagen. Had Liz het niet gehad over de plannen van die architect om de cementfabriek te restaureren? Port besloot erlangs te rijden om zelf polshoogte te nemen, want de burgemeester bleef hem aan het lijntje houden. Hij startte de wagen en luisterde gespannen naar de sputterende motor. De versnellingsbak lekte nog altijd olie.

Aan de hoofdingang van de site stonden de auto’s geparkeerd voor de slagboom van de vroegere fabriekspoort, de ene naast de andere, tot ver op de openbare weg. Port kende een andere weg, via de nooduitgang. Zo kwam hij ongemerkt op het braakliggend terrein voor de loodsen terecht en ontsnapte hij aan het verwelkomingsritueel dat tegenwoordig overal gebruikelijk was: een drankje dat je werd aangeboden in ruil voor de registratie van je gegevens, liefst aan de hand van je e-mailadres, wat Port trouwens niet had. De voormalige pakhuizen waren gestript tot op de blote bakstenen muren en de gewelven waren blootgelegd. De opgeknapte ruimtes waren ingericht als vege-restaurant, vergaderzaal, leslokaal, kindertuin en bioscoop. Overal zag Port jonge, hippe mensen met hetzelfde kapsel. Ze leken wel klonen van elkaar. De vrouwen droegen hun haar kort, opgeschoren in de nek en met een lange bles in hun gezicht, de jongemannen hadden hun lange haren in een dot opgestoken boven op hun kruin. Net toen een doffe pijnscheut in zijn zijstreek hem eraan herinnerde dat het tijd was om een toilet op te zoeken, klapte er iemand joviaal op zijn schouder. Port draaide zich om en keek recht in het lachende gezicht van architect Rodriguez Sanchez. “Wat een eer om jou hier te mogen verwelkomen. Bedankt voor de steun! Ik wist wel dat we op je konden rekenen. Kom, je ziet eruit alsof je een drankje kan gebruiken.” Hij troonde Port mee naar buiten, waar ter hoogte van de silo’s een oude caravan was ingericht als mobiele bar, met een toog van geperst karton en met een krijtbord waarop de smoothie van de dag stond aangeprezen. Het was zeven uur ’s avonds maar het asfalt trilde nog na van de hitte van die warme julidag. Port voelde zweetdruppels op zijn rug prikken en hij bestelde een verse fruitsap, waarmee hij probeerde ongemerkt enkele artemisininetabletten weg te slikken. Hij toostte met de architect op het succes van het multidisciplinair centrum dat de oude cementfabriek geworden was. De architect bleef hem prijzen. “Het is dankzij jullie generatie dat we dit nu kunnen verwezenlijken. Echt, ik heb veel respect voor jullie werk. Bedankt voor jullie strijd, kameraad.” Hij hief zijn gerecycleerde beker met bier hoog in de lucht. “En, wat vind je er zelf van?” moedigde hij Port aan. Port vroeg zich af wat hij hier ook alweer was komen zoeken. Hij probeerde bij de zaak te blijven, maar het duizelde hem. De architect was zichtbaar verontrust door zijn stilzwijgen. “We gaan zeker nog een avond organiseren rond de geschiedenis van deze site. Misschien wil je dan wat toelichting komen geven?” Port schudde verward het hoofd. “Neen, neen,” verbeterde de architect zich, “jij lijkt me ook niet zo een prater. Maar je aanwezigheid alleen al zou ons vereren. Echt, je kan niet geloven wat het voor ons betekent dat je er bent vandaag. En ook in de toekomst gaan we jouw steun en ervaring broodnodig hebben. Je hoorde al over onze plannen met hotel Mariposa?” Port probeerde zich te concentreren. Zijn ogen deden pijn en als hij naar de grond onder zijn voeten bleef kijken, wat hij deed om de blik van de architect te vermijden, leek die voorbij het einde van zijn gezichtsveld door te lopen. Daarom probeerde hij nu zijn aandacht te richten op de bergtoppen aan de horizon, die nog volop in het laatste zonlicht baadden en op de auto’s die daar als mieren de bergflanken opklommen, maar het hielp niet echt. “Excuseer mij,” zei Port. “Ik vrees dat ik een beetje bevangen ben door de hitte. Vind je het erg om dit gesprek op een andere keer verder te zetten?” “Maar natuurlijk niet. Je hebt volkomen gelijk. Ik dram maar door. Mag ik je als blijk van erkentelijkheid uitnodigen voor een diner? Past morgenavond?” vroeg hij. Port knikte vermoeid van neen. Neen, dacht hij, je mag me niet uitnodigen. Neen, morgenavond past mij niet. Neen! Neen! Neen!, dacht Port wanhopig, maar als hij er achter wou komen of de burgemeester gelijk had, moest hij de uitnodiging wel aanvaarden. “Morgenavond is prima,” hoorde hij zichzelf zeggen.

De volgende dag voelde Port zich veel beter. Hij was de vorige avond dubbelgeklapt van de pijn achter het stuur gekropen en slingerend over de weg naar huis gereden. Daar had hij nog een joint gerookt en dan was hij naar bed gegaan. Na een pijnvrije nacht, laadde hij nu met vernieuwde krachten de plinten uit de bestelwagen. Op het toilet zag hij dat zijn ochtendurine lichtjes roze gekleurd was, maar de wc-pot werd niet geheel donkerrood zoals de vorige dagen. Terwijl hij zijn gulp dicht ritste, viel zijn oog op de oude, beduimelde verjaardagskalender van de familie Bogart, waarvan Sofia blijkbaar nog elke maand minutieus de bladzijden omdraaide. Het was zondag, negen juli. Er stond op de kalender rond de negen een hartje getekend en met roze stift had iemand in kinderachtig handschrift geschreven: IK. Port hoefde niet op de kalender te kijken om te weten dat vandaag precies twintig jaar geleden Emily was overleden.

Naar jaarlijkse gewoonte reed hij vlak na de middag even langs hun plekje aan de klif om een tak van Emily’s lievelingsstruik, de roze oleander die langs het waterbassin groeide, in de zee te gooien. Op diezelfde plek had hij enkele maanden na haar overlijden ook haar stenen urne voorzichtig met een hamertje kapotgeslagen. Haar as was razendsnel en in alle windrichtingen met de zeebries mee weggestoven, alsof ze hem zijn maandenlange besluiteloosheid over wat hij met haar stoffelijk overschot ging doen, verweet. Het had hem toegeschenen alsof ze na zo’n lange gedwongen opsluiting niet snel genoeg weg kon zijn. Terwijl hij behoedzaam een aantal takken van de oleanderstruik afsneed, hoorde hij opnieuw haar klaterlach. Hij keek naar het giftige sap dat uit de takken van de plant stroomde. “Jij weet tenminste waar ze is,” had Céleste, de barvrouw van wie de man nooit teruggekeerd was van de zee, hem op een nacht in de kroeg getroost. Dat was misschien wel waar, maar had hij ooit echt geweten waar ze was, zelfs toen ze er nog was? Twijfels staken weer de kop op. Hij schudde zijn hoofd, hij mocht nu niet aan zijn hersenspinsels toegeven, het was een ongeval geweest. Hij ademde diep en langzaam in en uit en probeerde zich zo op te laden voor het bezoek aan Urbanas Verde. Hij moest alert zijn als hij wou achterhalen waar zij informatie inwonnen over het eigendomsstatuut van leegstaande panden en verlaten gronden. Talmde de burgemeester werkelijk met het tekenen van het regularisatiebesluit omwille van de bemoeienissen van Urbanas Verde, of was dat maar een drogreden die de politicus nu eenmaal bijzonder goed uitkwam? Rond halfnegen sprong hij in zijn bestelwagen en vertrok. Het was hooguit tien minuten rijden, schatte Port. Hij kende de weg als zijn broekzak en in de richting van Castelricos was er maar één mogelijke locatie die aan de beschrijving van de architect kon beantwoorden: de Fundación van Paul en Beatrice.

geen reacties
0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch

0 Toneel

Stukje

Bauke Vermaas