Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

FISSUUR

Door Hans Depelchin

Ik zit naakt in mijn salon voor de spiegel. Blond, blauwe ogen, grote oren. Lange neusharen. Grauwig vel, een roker. Kale plekken in de baardstreek. Eczeemstigma in de rechterhand. Twee littekens op het bovenbeen: de bandschuurmachine. Pigmentvlek in het schaamhaar, prominenter bij toenemend zweet.

De eerste warme lentedag. De rode beuk in de tuin heeft de helft van zijn bladerdak. De eenden rond de vijver bespringen elkaar: de mannetjes zetten hun snavel in de nek van de vrouwtjes. De koolmees op de vensterbank kijkt bij mij naar binnen.

De plotse naaktheid van de lente: al die billen, borsten, basten. Al die jeugdigheid. De goesting wasemt door de straten als uitlaat. Je ruikt niets anders meer, ziet niets anders meer. Je raakt totaal verstopt. Een jaar geleden was ik sinds lang weer alleen. Ik sloot me op, vond mijn plek: naakt voor de spiegel, zonder te bewegen. Dan kan ik niets verkeerd doen. Het ruikt hier naar beschimmeld brood, zure soep en white spirit. Mijn rantsoen is zo goed als volledig verteerd.

Een mens doet altijd zo zijn best om te passen. We willen kunnen zeggen: ik gedraag me gepast, volgens de geijkte sociale codes. Ik ben aangepast aan het klimaat of de situatie. Ik pas in mijn omgeving, bij mijn gelijken. Ik pas, als een tupperware potje in een toren van allemaal tupperware potjes. En je ziet nooit een berkenblad aan een rode beuk, een koolmees met de vleugels van een sperwer, of een eend met benen. Ik heb lang gepast. Nu heb ik mezelf weggeselecteerd, omdat iedereen naar mij kijkt alsof ik het berkenblad ben aan die rode beuk.

Ik ben nochtans niet abnormaal. Ik heb een hekel aan jonge poesjes. Ik zou ze in trosjes in de vijver willen gooien en op de oever staan ervaren hoe de kans steeds kleiner wordt dat ze boven komen. Ik kan niet tegen mensen die op dat houten stokje blijven kauwen terwijl hun ijsje allang op is. Dan voelt het alsof er in mijn gebit overal zenuwen bloot liggen en ik er met mijn tandenborstel wild overheen schuur. Ik zou dat stokje in hun strot willen rammen tot ze stikken. Of iemand die een handdoek in zijn mond steekt. Dan ga ik met mijn tong over mijn tanden, om er met mijn speeksel een laag fissuurlak over te leggen. Ik zou hem aan die handdoek willen ophangen tot hij stikt. Maar ik ben niet per se abnormaal denk ik.

Waarom kijkt iedereen dan zo naar mij? Als ik langs een terras passeer, met al die ogen. Ze kijken naar me op straat, aan de kassa, in de bibliotheek, op begrafenissen en doopsels. Ik laat m’n hoofd hangen en vang zo weinig mogelijk blikken, maar hoe meer ik mijn best doe om niet te zien dat iedereen kijkt, hoe meer ik alles heb gezien. Ik zou luiken voor mijn ogen willen timmeren, maar ik heb ze zo hard nodig.

Ik maak portretten. Portretten van de zee. Het verschil met een zeezicht is dat ik de duisternis toelaat. De zee op mijn schilderijen is zwart en korrelig. Ik zwier een hoop klodders op het doek en wrijf ze open met schuurpapier. De kleur van de lucht varieert naargelang de wensen van de klant. Meestal vraagt men iets rozigs, alsof buiten het kader nog ergens een zon zou ondergaan. Maar zelfs dan smeer ik er een veeg vuil bruin doorheen.
Je kan mijn werk bestellen via portrettenvandezee.be. In een google docs-formulier vul je je voorkeur voor kleur in, en of je al dan niet een horizon wilt hebben, meeuwen, boten, boeien, plastic afval. Als het klaar is, maak ik een pakket en schuif het onder mijn garagepoort door op de oprit. Er plakt een post-it op met de mededeling dat je het pas thuis mag opendoen. Nog nooit heb ik bericht gekregen dat iets niet aan de verwachtingen voldeed. Daarom voel ik mij een echte artiest: ik geef de mensen wat ze verwachten. Meer dan een deftige techniek heb je daar niet voor nodig.

Maar mijn ezel staat al een jaar ingeklapt tegen de muur. Mijn doeken zijn nog in folie gewikkeld. Mijn verftubes liggen volgens kleur gerangschikt in een curverbox naast de sofa. Mijn borstels staan in een doorgesneden petfles white spirit op tafel.

Ik kijk in de spiegel, zie mezelf nu plots jonger. Mijn hand omklemt de hand van een vrouw. We zitten op een bankje, op de achtergrond een rollercoaster. Zij dwong me om los te laten, ook in de loopings. Ze glimlacht naar me. Mijn gezicht staat stil.

Geklop op de deur. Ik schrik op. Er heeft al een jaar niemand op mijn deur geklopt. Ik wend mijn ogen van de spiegel af, loop naar de gang en tuur door de brievenbus naar de oprit. Ik zie een jongetje met een wit hemd, een korte broek en sandalen. Hij heeft blond haar in een staart en een rugzak op z’n rug. Hij houdt een ijsje vast.
‘Wat is er?’ roep ik.
‘Ik ben verdwaald.’
‘Ik kan je niet helpen.’
‘Ik zoek de zee.’
‘Ik weet niet waar de zee is.’
‘Ik moet bij de paal met de bal tegenover brasserie Het Fort zijn.’
‘Ik ben een toerist. Ik huur dit huisje.’
‘Het is niet waar. Je bent schilder.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Portrettenvandezee.be. Doe open.’
‘Ik heb geen kleren aan.’
‘Doe open.’
‘Wat zit er in je rugzak?’
‘Doe open.’
‘Wat zit er in je rugzak?’
‘Doe open!’
Ik bind een oude handdoek rond mijn middel en doe open. Hij ontwijkt mijn blik, stapt met gebogen hoofd recht naar de salon. De koolmees op de vensterbank kijkt naar binnen. Zijn gele buik is van de opwinding rood geworden.

Ik wil dat hij weggaat, maar ik bied hem de sofa aan, vraag of hij wat brood wil of soep. Hij schudt zijn hoofd, likt van zijn ijsje, steekt het dan helemaal in zijn mond en trekt met zijn lippen de laatste klomp van het stokje. Hij laat het als een tandenstoker in zijn mondhoek bungelen.
Hij schrijdt naar mijn ezel, brengt hem naar me toe, klapt hem open. Dan pakt hij een doek, trekt het cellofaan eraf, en zet het op de ezel. Hij schuift de curverbox met verf tegen mijn benen en stopt een borstel in mijn hand. Hij gaat voor de sofa staan met zijn gezicht naar me toe, slaat zijn ogen neer, trekt de elastiek uit zijn haar en schudt er volume in. Hij knoopt zijn hemd los en drapeert het over de armleuning van de sofa. Zijn borstjes zijn jong, in de overgang van glooiing naar heuvel. Hij stampt zijn sandalen uit en schuift zijn broek naar beneden. Geen bobbel in zijn onderbroek.
Ik kijk naar de rugzak, maar ik zie vanuit mijn ooghoek dat het meisje nu haar slip uittrekt en op de sofa gaat liggen. Haar linkerhand ondersteunt haar hoofd, haar rechter rust op haar zij. Het stokje nog steeds in haar mond.

Ik schilder. Uren en uren schilder ik in stilte. Zij verroert geen vin. Het roodborstje vliegt op. De wind rukt aan de beuk. De eenden zijn verdwenen. De storm raast over zee. Ik rook, verf, kijk naar haar rugzakje, zie haar ontluiken.

Na vier uur zeg ik dat ik klaar ben. Ze komt naast me staan, kijkt over mijn schouder. Ik ruik douchegel met komkommer, wil haar tengere lijf in stukken breken en haar botten in mijn botten steken. Haar vel afschrapen en op het mijne kleven. Haar organen in een blender steken, opslurpen.
Ze gooit het stokje op de grond en veegt haar mond droog aan de handdoek rond mijn middel.
‘Het zijn niet allemaal zwarte vegen’, zegt ze.

Ik sta op en loop naar de achterdeur. Ze volgt me bloot de tuin in. Het schemert. Aan de oever van de vijver gaat ze op handen en knieën zitten. Ze maakt een bolle rug en klauwt met haar vingers in het water. Ik zou haar gemakkelijk aan een enkel omhoog kunnen tillen. Ik doe het. Ik houd haar boven het wateroppervlak. Ze stribbelt tegen als een forel, zwiept heen en weer, en terwijl ze zwiept zie ik haar centimeter per centimeter krimpen. Ze smelt naar haar voeten toe, naar mijn hand toe, tot haar enkel tussen mijn drie vingers past en ik met een baby terug naar binnen loop. Ze bungelt heen en weer en blijft slinken, tot ze in mijn handpalm verdwijnt.

Ik ga voor mijn spiegel zitten en leg mijn hand op de foto die ik in de linkerhoek heb gekleefd. Een man en een vrouw, hand in hand op een bankje. Op de achtergrond maakt een rollercoaster twee loopings. Het T-shirt van de vrouw spant rond haar bolle buik. Ik wrijf erover. Ze kijkt recht in de lens, naar mij, met die ogen.

2 reacties

Hans Depelchin

Auteur zaterdag, 10:18

Dankjewel, Esther!

Esther Quatfass

zondag, 07:40

Wat een mooi en knap verhaal.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch