Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Fons

Door Guy Lejeune

Uiteindelijk ploft hij bezweet neer op een vrije zitbank aan de vijver in park ‘de Brilschans’. Het vet op zijn billen trilt nog even lillend na onder zijn flanellen joggingbroek. Rust! Hij ruikt het water. Eenden worden opgeschrikt worden door een uitzinnig blaffende hond. Iets verderop, genieten twee prille mama’s van hun huilende peuters.

Fons haalt een pakje ‘Gauloises-sans filtre’ uit de zak van zijn versleten leren jas en steekt een sigaret aan. Langzaam zuigt hij het genot diep in zijn longen. De warmte van de lentezon op zijn gezicht doet hem goed.
Een oudje met papieren broodzak is naast hem komen zitten. Ze frommelt luidruchtig de zak open en met zuigende kusjesgeluiden hoopt ze wat eenden te lokken voor een homp oudbakken brood.

Net zoals zijn moeder vroeger. Stom wijf!

Toen hield hij nog van haar, zoals kinderen wel vaker blindelings doen.

Maar een paar jaar later – dertien moet hij toen geweest zijn – werd hij verplicht om Mieke te vermoorden, verdomme. ‘Fonske,’ want zo heette hij toen nog, ‘jij gaat morgen voor een weekje naar Blankenberge bij tante Maria en nonkel Jef,’ zei zij toen. ‘Maar je moet wel Mieke haar vrijheid teruggeven, want ik kan er niet voor zorgen en jij kunt ze ook niet meenemen naar zee.’

‘Laat dat ratje’ – ja, dat had zijn moeder echt zo gezegd! – ‘maar los in de tuin van de villa op het einde van de straat.’

‘In dat poezenparadijs? Mieke zal meteen opgepeuzeld worden!’

‘Maar nee manneke, Mieke is vinnig en zal zich wel snel ingraven; en trouwens, katten lusten geen hamsters.’
Hij geloofde haar toen nog net genoeg om te gehoorzamen. Hij was daarna nog ruim een kwartier aan het hek blijven staan, maar Mieke kwam niet meer te voorschijn. Hij heeft toen voor het eerst echt verdriet gevoeld, diep verdriet. En schuld. En onmacht. En hij was als een gek naar huis gerend en boos de trap opgestormd. Hij heeft urenlang op bed liggen snikken. Hij is dat nooit vergeten. Hij heeft het haar nooit vergeven.

Ondertussen krioelt het van de eenden en is het gekwaak oorverdovend. Fons wandelt naar een bank wat verderop. Hij kan zijn moeder maar niet zijn hoofd zetten.

Zij woont nog steeds wat verderop, op de Groenen Hoek, wist hij.

Op zijn achttiende verjaardag had hij gebruld: ‘Ik ga alleen wonen, kus mijn kloten!’

‘Alle venten zijn egoïsten, vuile smeerlappen zijn het!’ had ze hem nog nageroepen terwijl hij de deur achter zich toe knalde. Zijn sleutel heeft hij toen bij wijze van afscheid, plechtig in het rioolputje laten vallen.
Sindsdien hebben ze geen contact meer gehad.
Fons neemt nog een laatste trek en mikt zijn peuk naar een rondhuppelende mus, die tsjirpend opvliegt.

*

Haar naam staat nog op de bel. Het is haast drie uur. Zijn leven staat op een belangrijk kruispunt, dat weet hij gewoon. Na enig aarzelen belt Fons aan.
De overgordijnen zijn dicht. De lente wordt deskundig buitengehouden. De deur gaat aarzelend open. Ze is verrast. En oud. Ze laat hem binnen. Ze zegt niets. Met korte passen schuifelt hij somber achter zijn moeder aan, door de gang, naar de eetkamer. De muffe kamer ruikt naar oud kattenzand en verbruikte lucht. Met een diepe zucht ploft hij neer op ‘zijn’ stoel. Nijdig duwt hij de kat weg die zich zeurend aan zijn voeten nestelt. Op de tafel waaraan hij jarenlang zijn huiswerk heeft gemaakt, staat nu een halve fles rode porto, een uitpuilende asbak en een vaas met stoffige witte zijden rozen. Hij haalt zijn pakje Gauloises uit de zak van zijn oude leren jekker en peutert er een sigaret uit. Op het tafelblad klopt hij de tabak vast en steekt ze aan. Het kleine vlammetje vertelt hem dat zijn aansteker bijna leeg is, hij moet dringend een andere kopen, sigaretten ook, trouwens. Zijn moeder zet twee glazen op tafel – een portoglas voor hem en een groot wijnglas voor haar – en komt tegenover hem zitten. Ze schenkt beide glazen tot aan de rand vol.

De lappenkat springt op de stoel naast hem en mauwt om aandacht. Hij wuift ze weg, hij haat katten. Hij heeft niets te zeggen. De televisie staat zoals gewoonlijk veel te luid. Zo zitten ze een hele poos, ze praten niet. Ze drinken. Ze roken. Soms kijken ze mekaar even aan. Zwijgend worden de glazen nog eens bijgevuld. Hij steekt een nieuwe sigaret op, drinkt zijn glas in één teug leeg en wil opstaan.

‘k Heb nog een fles in de keuken staan,’ mompelt zijn moeder. Ze steunt moeizaam recht, in haar ene hand de lege fles porto, met de andere hand haar gewicht opduwend en dan gebeurt alles razend snel: haar mollige hand schuift samen met het tafelkleed van de rand, ze verliest het evenwicht, de fles maakt een boog door de kamer, ze probeert nog houvast te vinden aan de tafelrand maar tolt molenwiekend om haar as en valt met een droge krak achterover tegen de tegelvloer. Zijn moeder ligt daar languit met opengesperde ogen, de mond vertrokken in een pijnlijke grimas.

Fons kijkt haar onwennig aan en staat langzaam recht. Ze wijst naar haar heup en kreunt: ‘Bel den 100 manneke, ik denk dat er iets gebroken is!’.

De rotkat wilt weer geaaid worden.

Een kwartier later rijdt de ziekenwagen weg. Het kostte de ambulanciers heel wat moeite om zijn moeder op de brancard te krijgen, het bleek uiterst pijnlijk te zijn en haar gewicht hielp ook al niet mee. Alfons Knaepkens blijft alleen achter.

*

In de keuken staat een volle fles rode porto. Hij schuift de gordijnen dicht en sluit het raam. Hij schenkt zijn glas vol en steekt nog een Gauloises op terwijl hij de televisie uit zet. Vervolgens laat hij zich vergenoegd in ‘haar’ zetel vallen. De kat springt op zijn schoot en miauwt. Hij legt zijn hand op haar kopje en ze begint stilletjes te ronken. Hij laat zijn hand wat zakken en masseert haar nek. Zachtjes, net achter de oortjes. Het beest ronkt harder. Zijn hand zakt nog iets en voelt de halsbeentjes tussen duim en wijsvinger. Het is een mager scharminkel. Zo zit hij daar een poosje.

Ten slotte duwt hij zijn sigaret uit in de asbak en staat recht terwijl hij de kat met één hand tegen zijn borst houdt. Hij loopt rustig door de keuken naar het achterhuis waar de badkamer is. Hij blijft staan voor de wastafel, bekijkt zichzelf in de spiegel en glimlacht. Hij plaatst de rubber stop in de wasbak en draait de kraan open. Het beest verkrampt bij het zien van het water, maar hij keert zich om en kalmeert haar door nog wat te strelen en te krabben. De porseleinen bak is nu bijna vol. Achter zijn rug draait hij de kraan dicht om meteen het aaien te hervatten. Zachtjes begint hij te masseren, eerst achter de oortjes daarna rond het tengere nekje.
Hij draait zich om en kijkt nog even naar zichzelf. Zoals steeds, heeft hij zijn lederen jekker aangehouden, dat zal nu goed van pas komen. Hij voelt de halswervels en het strottenhoofd. Rustig maakt hij een vuist. Hoe harder hij knijpt, hoe meer het beest begint te spartelen. Hij knijpt nu uit alle macht en duwt met een snelle beweging haar kop in het water. De kat krabt tevergeefs in het rond, hij geeft geen krimp en blijft hard knijpend met zijn hand onder water. De klauwen hakken in het leer, het water spat in het rond, hij zou dat allemaal wel opruimen, straks.

Minutenlang staart hij strak naar de spiegel. Zijn gedachten staan stil. Dan ruikt het plots heel erg naar stront, het kronkelen en krabben stopt en het weerbarstige lijf verslapt.

Hij propt de natte pels in een rondslingerende plastic zak van de Lidl, knoopt die dicht en steekt hem in een zwaardere Carrefour zak die ook op het aanrecht ligt. Hij ruimt de wasplaats op, spoelt de lege glazen, maakt de asbak schoon. Hij zet het raam in het achterhuis op een kier, zodat het kan lijken dat het kreng ontsnapt is. Misschien wel naar de tuin van de villa aan het einde van de straat.

Alfons Knaepkens kijkt nog even rond en slentert dan traag door de gang naar buiten, het zonlicht en de warmte van de lente tegemoet.

Hij trekt de voordeur achter zich dicht.

Voorgoed.

3 reacties

Donovan Morris

zaterdag, 04:08

Excellent read. Thank you.

Ronny Morris

zaterdag, 03:57

Great story, very poetic.

Alain Smits

woensdag, 15:37

waanzinnige kerel, heel echt, puur. Knap geschreven xxA

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch