Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Gedicht van de feniks en de draak

Door Gerret Van Lancker

Onder normale omstandigheden zorgt de volle maan voor voldoende licht om op zijn minst enkele schakeringen grijs te ontwaren. Vooral omdat het meerwater van Bunyonyi het witte maanlicht zo fantastisch mooi weerkaatst. In deze fase van de nacht wordt de maan echter door een bloedrode gloed versluierd. In minder dan een uur komt de zon op, maar daar kan ik niet op wachten. Mams weeën komen zeer regelmatig en zijn nu wel erg intens.
Het piepklein vulkanisch eilandje in het midden van het meer bestaat uit amper twintig vierkante meter lang gras en een enkele boom, waarin een koppel grijze kroonkranen afgelopen zomer hun nest heeft gebouwd.
Onder de blote sterrenhemel, met haar rug steun zoekend tegen de eenzame boom, brengt mam mij helemaal alleen op de wereld. Ik beland op de grond en voel hoe het bloedrode maanlicht mijn gelaat streelt. De grond wordt opeens bijzonder warm en in een mum van tijd schiet het lange gras rondom ons in brand. Mam doet haar witte shirt uit en wikkelt het om me heen. Ze drukt me stevig tegen haar lichaam om me te beschermen tegen de hitte, maar de vlammen zijn te hevig. Het meer biedt de enige uitweg. Met mij bovenop haar hoofd waagt mam zich in het pikdonkere water, in de hoop om op een veilige afstand in het meer te kunnen staan en daar te wachten op de ochtendzon. Vanaf de waterrand duikt de landmassa echter loodrecht de diepte in. Zonder vaste grond onder haar voeten gaat ze meteen kopje onder. Me in haar rechterhand met gestrekte arm boven haar hoofd houdend, grabbelt ze met haar linkerhand op de tast terug naar het eiland. Ze plaatst haar onderarm in het verzengende gras en duwt haar lichaam omhoog. Luid snakkend naar adem komt haar hoofd opnieuw boven water. Compleet uitgeput sleept ze zich op het brandende eiland. Mam schreeuwt het in eerste instantie uit van de pijn, maar door de rook die ze hiermee inademt begint ze nu onophoudelijk te hoesten. Ze tracht me met haar onwankelbare gestrekte rechterarm boven de rook en de vlammen te houden en trekt zich met haar linkerarm al kruipend voort naar de boom. Ze hijst zich op aan een tak en geeft me een afscheidskus op mijn voorhoofd. Vervolgens gaat ze op de tippen van haar tenen staan en legt me met gestrekte armen neer in het verlaten nest van de grijze kroonkraan. In een ultieme poging om aan de vlammenzee te ontsnappen, strompelt mam met haar laatste krachten naar het water en hoewel ze het nooit heeft geleerd, is ze nu wel genoodzaakt om naar het vasteland te zwemmen. Vlak voor de onderdompeling probeert ze met een finale krachtsinspanning zuurstof te bekomen. Mam trappelt met haar armen en benen, kantelt haar hoofd achterover en hapt naar lucht. Het is niet meer dan een reflex, haar mond is te dicht bij het water. Het diepe meer neemt haar op en ze verdwijnt voorgoed in de duisternis.

De rookpluim trekt al snel de aandacht. Zowat het hele dorp verzamelt zich in snel tempo aan de oever van het meer. Iedereen kijkt naar hoe de rook boven Akampene opstijgt, tot de mensenzee zich plots in het midden opent. Het stamhoofd en zijn oudste zoon begeven zich erdoorheen. Met hun kano in de hand wandelen ze richting aanlegsteiger om naar het eiland te varen.
‘Vreemd, het is alsof ik het geluid van een baby hoor. Het zal wel het gesis van het uitdovende vuur zijn. Kom, we zullen eens rond het eiland varen, misschien vinden we langs de waterkant het lichaam van dat zwangere meisje,’ zegt Kibuuka tegen zijn zoon, terwijl de rook grotendeels weg trekt.
‘Daar! Ik zag net iets bewegen in de boom. Zag je dat?’ vraagt Kintu.
‘Waar? Ik zie niets.’
‘In het nest van de grijze kroonkraan.’
‘Wat zag je dan?’ vraagt Kibuuka.
‘Iets langwerpig en smal, misschien de nek van een kuiken.’
‘Dat is mogelijk. Dan hoorde ik daarnet zeker dat jong een geluid maken. Vaar dichterbij, ik ga kijken.’
Kibuuka stapt uit de kano en wandelt naar de eenzame, half afgebrande boom. De grijze kraanvogel is hun nationale symbool en het redden van zo’n jong is dan ook een erezaak. Hij nadert de smeulende boom, strekt zijn armen uit en haalt het nest van de tak. Tot zijn grote verbazing vindt hij geen vogeljong in het nest, maar een baby, gewikkeld in een smerig en zwartgeblakerd shirt. Als gevolg van het vuur en de langdurige blootstelling aan de rook vreest Kibuuka het ergste. De baby ziet er echter verrassend gezond uit en lacht onophoudelijk naar het stamhoofd.
‘Ik had het dan toch goed gehoord. Nog een geluk dat jij iets zag bewegen, Kintu, het is een meisje!’ schreeuwt hij zijn zoon enthousiast toe.
‘Onwaarschijnlijk en ik die dacht dat het een kroonkraanjong was. Ik zag vermoedelijk haar armpje bewegen,’ reageert Kintu verwonderd.
Kibuuka stapt terug in de kano en plaatst het vogelnest, met de baby erin, tussen zijn voeten.

Tijdens de oversteek lig ik de hele tijd met pretoogjes naar Kibuuka te staren, blij dat ik niet langer alleen op dat minuscuul eilandje moet blijven. Op het vasteland staat een ongeduldige mensenmassa ons op te wachten. We varen tot vlak tegen de aanlegsteiger. Kibuuka stapt uit en legt met een touw de kano vast aan een paal. Hij keert terug en gaat op zijn knieën zitten.
‘We hebben Mauda’s lichaam niet gevonden. Ze moet in het meer verdronken zijn,’ spreekt Kintu de bevolking toe vanuit de kano.
Mauda, dus dat was mams naam.
‘Maar we hebben wel iemand anders van Akampene meegebracht,’ zegt Kibuuka terwijl hij me uit het vogelnest haalt en me als trofee in de lucht houdt. Vervolgens draagt hij mij naar de rand van het dorpsplein. Een oude man met een witgeverfd gezicht stapt uit zijn hut. De rest van zijn lichaam is beschilderd met rode en gele strepen. Hij heeft een dierlijk hoofddeksel op en rond zijn nek draagt hij meerdere kettingen met lange hoektanden van roofdieren. Het wordt muisstil en iedereen schaart zich rond de man.
‘Ik zag rookwolken boven het water opstijgen en nu brengt het meer ons nieuw leven. Zeer ongewoon is dat. Breng dat schepsel eens naar mij,’ beveelt hij.
‘Dat klopt, sjamaan. Akampene stond in brand, mijn zoon en ik zijn ernaartoe gevaren met de kano. Daar troffen we in het nest van de grijze kroonkraan dit meisje aan,’ antwoordt Kibuuka.
‘In een vogelnest, uiterst merkwaardig,’ zegt de sjamaan terwijl hij me met beide handen voor zijn witte gezicht houdt. De oude man kijkt me strak in de ogen en legt me vervolgens voor zich neer op de stoffige aarde.
‘Ik ga bepalen of de geest, die in dit schepsel schuilgaat, zuiver of demonisch is.’
Al neuriënd begint de sjamaan tegen de klok in rond me heen te draaien. Ik word haast duizelig van al dat gehuppel. Na enkele minuten ploft hij op zijn knieën voor me neer en onderzoekt mij van onder tot boven.
Iedereen houdt zijn adem in, wanneer de sjamaan plots een dolk boven haalt. De medicijnman richt het puntige ijzer op mijn hart. Als hij nu stoot dan ben ik er geweest. Hij blijft gefixeerd naar mijn bonzend hart staren. Na een poosje legt hij zijn hand op mijn borstkas en wrijft nadien vijf keer met zijn wijsvinger over mijn hart. Daarna raapt hij me van de grond en steekt me poedelnaakt de lucht in.
‘Safi! Safi! Safi!’ roept hij.
In het Swahili wil dit zeggen dat ik zuiver ben.
‘Het is best mogelijk dat het meisje speciale krachten heeft. Ik heb iets opgemerkt tijdens het ritueel. Kijk eens naar haar hart, zie je die vijf geboortevlekjes?’
Kibuuka gluurt aandachtig naar mijn borstkas. ‘Merkwaardig, ze lijken wel een ster voor te stellen.’
‘Precies, een ster, en wat nog meer is, ze zijn identiek en dat is volgens mij niet toevallig. Het doet mij denken aan het gedicht van de feniks en de draak, zegt u dat iets?’ vraagt de sjamaan.
‘Nog nooit van gehoord,’ antwoordt Kibuuka.
‘Dat dacht ik al. Het is een gedicht dat van oudsher onder sjamanen wordt overgedragen. De feniks en de draak staan symbool voor zuivere geesten met speciale krachten, maar verder begrijpt niemand waar de verzen echt over gaan. Als ik het mij nog goed kan herinneren gaat het als volgt:
Als manen van bloed verstrijken
vijf stralen van vuur gelijken
Vrouwelijke feniks net als mannelijke draak
gewennen aan zonlicht en water met kruidensmaak
Op hun beider harten verschijnen
identieke sterren in lijnen
Tezamen vertrekken als de duister is hoog
met waterdamp, kaarslicht en specerijen droog
Zuivere geesten die spontaan wederkomen
als herinneringen die lijken op dromen
Snapt u nu waarom ik het zo toepasselijk vind?’
‘Ik volg uw redenering. De ster op haar hart in vijf gelijke lijnen, de maan die rood opkleurt en het vuur van afgelopen nacht. Wat betekent dit allemaal?’ vraagt Kibuuka.
‘Dat moet ik nog verder uitzoeken, maar ik kom er wel achter!’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch