Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Gelukkig

Door Karen Kroese

Voeten op de koude vloer. Ik trek mijn sloffen en ochtendjas aan en ga snel naar het kamertje naast de slaapkamer. Sam staat in zijn bedje en houdt zich vast aan de rand. Hij lacht door zijn tranen heen en strekt zijn armpjes naar me uit.

“Goedemorgen lieverd.”

Ik til het kind uit het bed, knuffel hem en steek even mijn neus in zijn warme nekje om zijn zoete geur op te snuiven. Dan leg ik hem op de commode en verschoon zijn luier. Een duurdere luier had de nacht beter doorstaan. Ik maak de rode billetjes schoon en smeer er wat crème op. Een hap lucht en dan pers ik mijn adem met een proestend geluid weer naar buiten op zijn bolle buikje. Hij schatert het uit. Ik kleed hem aan.

In de keuken brabbelt hij vrolijk tegen de kat, die zijn staart om de poot van de kinderstoel krult. Sam krijgt een beker melk, de kat wat brokjes. Ik pak twee oude bruine boterhammen en stop ze in de broodrooster, Ik zet water op voor een kop koffie. Als de sneetjes uit het apparaat springen, klapt Sam in zijn handen.

“Wat wil je op je brood Sammy? Appelstroop?” Ik houd de pot Rinse omhoog en het jongetje graait ernaar. Ik smeer de boterhammen en snijd er een in kleine blokken. De andere gaat in een broodtrommel. Uit de koelkast pak ik een bakje met een halve appel. Ik schil de appel en snijd hem in dunne schijfjes.

“Dan lijkt het meer en gaan de juffies niet zeuren”, zeg ik, meer tegen mezelf dan tegen het kind. “Je hebt een mooi schilderij van je gezicht gemaakt.” Ik lach naar hem en met een natgemaakt keukenpapiertje poets ik zijn bolle wangen schoon.

Als Sam in de box zit, haal ik mijn kleren van boven, was me snel bij het aanrecht en kleed me aan. Ik zet Sam op het aanrecht en pak zijn tandenborstel en die van mezelf. Hij kauwt meer dan dat hij poetst. Ik spoel mijn mond en laat mijn schone tanden aan hem zien. Hij doet hetzelfde met een mond vol schuim. Ik til hem van het aanrecht en ruik aan zijn broek. Niets aan de hand. Ik zet hem weer in de box en werp een snelle blik in de spiegel. Ik duw mijn haar wat in model en smeer lippenstift op mijn lippen. Nog even het geld pakken. Gelukkig, het ligt er nog. Vijf, zes, zeven, negen. Goed voor brood, smeerworst, melk, een paar appels.

“Kom maar liefje, jas aan. Mijn tas, jouw tas, meneer Beer. We hebben alles.”

Deur open, deur dicht. En dan staan we bovenaan de lange rechte trap. Ik laat de tassen boven staan bij de buggy en zet Sam op mijn heup op weg naar beneden.

“Even hier wachten hè? Dan haal ik de kar boven.”

Sam blijft braaf staan. Ik ren zo snel mogelijk de trap op en af.

“Pas op voor de voordeur lieffie. Verdorie: het giet! Kom snel in de kar. Dat wordt weer zwart rijden.” De druppels plakken mijn haar tegen mijn wangen en voorhoofd. Sam draait wild met zijn hoofd en probeert de regen te ontwijken.

“We zijn er zo, schat. Daar komt de tram al aan. Zullen we rennen Sammy? Nee, dat halen we nooit. We gaan wel in het tramhokje staan, daar is nu plek. Uit de kar. Ja, maak zelf maar open. Knappe vent. Kom maar aan deze kant staan, dan word je niet nat. Tassen uit de buggy. Waarom wil die kutkar niet inklappen? Daar komt onze tram al. Hierheen. Kom maar. Een grote stap. Goed zo Sam. Ja, ga daar maar zitten, daar bij het raam. Even stempelen.”

Ik duw de al volle tramkaart twee keer in het stempelapparaat, zodat het in elk geval lijkt alsof ik betaal, zodat ik het goede voorbeeld geef.

“Nog drie keer stoppen en dan mag je op het knopje drukken.”

Bij de kinderopvang zijn we – zoals meestal – één van de eersten. Het ruikt er nog naar groene zeep. Ik laat Sam zijn jas ophangen bij zijn naamplaatje met de zon en samen gaan we naar zijn groep. Sam zet Beer op de bank en pakt het bakje met appel en de broodtrommel uit zijn rugzak en zet ze op het dienblad dat daarvoor is bestemd. De juffies kijken wat kritisch. Als ik hurk, slaat Sam zijn armpjes om mijn hals. Ik kus hem en woel even door zijn haar.

“Veel plezier vandaag, vent.” Als snel zit hij bij de blokken en kijkt niet eens meer naar mij als ik naar hem zwaai.

“Sara, mag ik je nog even spreken?” De leidster kijkt streng als ze met haar hoofd gebaart naar het keukentje van het kinderdagverblijf. In de keuken zijn boven het aankleedkussen planken bevestigd. Daarop liggen stapels luiers. Onder elke stapel is een naam bevestigd. Bij Sam is de plank leeg.

“We willen je nog een keer vragen de luiers aan te vullen. Het is niet eerlijk als alle reserveluiers naar jouw zoon gaan. En koop dan meteen de goede luiers.”

Ik knik. In mijn hoofd buitelen de excuses en smoesjes over elkaar heen, maar ik besluit dat er niet een goed genoeg is en zeg dus maar niets. Ze zijn mijn financiële situatie vergeten kennelijk.

Op mijn werk bij het callcenter is het druk als altijd. Ik moet mijn targets halen, anders kan ik de bonus wel vergeten.

In de rij voor het uitklokken probeer ik te bedenken wat er nog in de koelkast ligt en wat ik daarvan zou kunnen maken. Als hij maar niet weer alle eieren heeft opgegeten, tegen zijn kater. Omdat het brood in de aanbieding is, kan ik bij de super twee bananen kopen.

Gelukkig is het spitsuur in het kinderdagverblijf en kunnen de juffies me niet de les lezen over de halve appel. Demonstratief geef ik Sam een van de bananen als hij in de kar zit. Het regent niet meer, dus kunnen we gaan lopen. Sam brabbelt honderduit. “Heb je het zo leuk gehad, vent?” Hij trakteert me op een brede glimlach.

Als ik de voordeur achter me heb gesloten, zet ik de tassen op de grond en til Sam uit de kar. Nog voor ik boven ben, klapt de onderbuurvrouw de voordeur tegen de buggy.

“Christus Sara, haal die spullen uit de hal.”

“Ja, zo. Even hem naar boven brengen.”

“Jaja. En die vent van je dan? Kan die niet even komen helpen?

“Laat nou maar. Ik doe het zo.”

In de keuken staat het blauw.

“Jezus Tom, buiten roken.”

“Ook goedemorgen.”

“Goedemiddag bedoel je. Roken doe je op het balkon. Denk aan Sam.”

“De afzuigkap staat aan.”

“Dat helpt lekker.”

“Even de spullen halen beneden.”

“Ik hoop dat je boodschappen hebt gedaan? Er is geen brood meer.”

“Wat ik kon betalen ja. Neem je wel wat mee naar huis? Geld bedoel ik.”

“Jij durft!,” lacht hij. “Wat de zaak opbrengt, blijft in De Zaak.”

Hij grijpt mijn hand en trekt me naar zich toe. “Kom eens hier, mokkeltje. Kunnen we niet snel even…” Hij klemt me tussen zijn brede armen. Bankschroeven. Aantrekkelijk vond ik die, ooit. Hij kust me, maar ik draai mijn hoofd weg.

“Je stinkt. Laat me los.”

“Heb je jezelf wel eens geroken? Zuur oud wijf.”

Met een armzwaai, duwt hij me van zich af, waardoor ik met mijn rug tegen het aanrecht klap. Hij dooft zijn sigaret in het restje roerei op zijn bord. “Ik ben al weg.” Hij pakt zijn jas, aait Sam over zijn bol en slaat de deur achter zich dicht. Ik kijk naar het sliertje rook dat uit het ei omhoog kringelt.

Alle kots die ik heb opgeruimd als hij de drank niet meer binnen kon houden, komt voorbij. Nee, dronken is hij niet, nooit, houdt hij vol. Fysiek misschien, maar geestelijk is hij juist super helder. Al maanden gaat er meer geld naar De Zaak dan er uitkomt, terwijl het er toch echt druk is, soms, schijnt. Maar meneer moet zo nodig nog uit na het werk, want dat heeft hij verdiend. Natuurlijk gun ik hem dat, maar geld voor de kapper is er al heel lang niet meer. En dat hij soms naar onbekend parfum ruikt boven de zure wijnlucht uit, is mijn verbeelding, vast. Nooit zou hij mij bedriegen, nooit. Alleen al dat ik dat denk, doet hem veel pijn.

Ik loop hem achterna en schreeuw naar beneden: “Ik doe de deur niet open, hoor je, als je het sleutelgat weer niet kunt vinden..”

Hij draait zich om en sprint verrassend vlug met twee treden tegelijk naar boven. Ik doe de deur snel dicht en draai hem op slot. Voetstappen bonken de trap weer af. De voordeur knalt met een klap dicht. Ik sla met mijn voorhoofd tegen de deur, terwijl de tranen stil stromen. Sam huilt.

“Sara, Saartje?” Het is de onderbuurvrouw.

“Saar, zo kan het toch niet langer?”

Bemoei je met je eigen zaken, denk ik. Dat bepaal ik zelf wel.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch