Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Genadeklap

Door Lobke van Eeuwijk

Ik heb geen idee hoe ik hier ben gekomen, of hoe wij hier zijn gekomen. Een bonzende hoofdpijn overspoelt me en ik grijp me vast aan de tafel. Ik wil mezelf omhoog trekken, maar mijn benen werken niet mee. Ik stoot de persoon naast me aan en hij opent zijn ogen, tilt zijn hoofd op maar laat hem weer vallen. Zijn ogen rollen weg en ik heb moeite die van mij open te houden. De man naast me kreunt. Ik heb geen idee wie hij is of wat hij met mij te maken heeft. Hij schiet omhoog en maalt om zich heen. Ik buk en ontwijk hem op het laatste moment. Hij begint te schreeuwen en ik houd mijn hand op zijn mond. Ik signaleer naar hem dat hij stil moet zijn en een angst vult zijn ogen. Hij pakt mijn hand vast en schuift hem van zijn mond. We zuchten en een vervelende stilte omringt ons. ‘Wat is je naam?’ hij verbreekt de stilte en kijkt me aan. Ik voelde me verplicht te antwoorden, maar ik wilde niet weten wie deze man was. Ik wilde niet weten waar hij toe in staat was. ‘Ik heet Anne’ zeg ik nonchalant, maar ik lieg. Ik kijk weg om zijn blik niet te kruisen. Mijn naam is Mirte, maar dat hoeft hij niet te weten. Angst overspoeld me als hij dichterbij komt zitten. ‘Mijn naam is Jonathan.’ Ik knik naar hem en kijk snel weer de andere kant op. Opnieuw vult stilte de kamer, tot Jonathan opstaat. Het gaat hem makkelijker af dan mijn eerste poging. Hij wankelt wat heen en weer, maar staat daarna stabiel op de grond. Hij helpt me omhoog, en ik klop mijn kleren af. Ik zie een lichtflits in mijn ooghoek en strompel naar het raam om te kijken wat er aan de hand was. Het is donker en de maan faalt om de stad te verlichten. Jonathan komt naast me staan en staart uit het raam. ‘Wat is dat?’ Jonathan wijst naar een lichtje in de verte dat heen en weer flikkert, een rookpluim stijgt erbovenuit. De stilte die eerst in de stad heerste, was vervangen door een oorverdovend lawaai van sirenes en schreeuwende mensen. Het is onmogelijk te begrijpen wat er aan de hand is, of wat er misschien te gebeuren staat. Ik kijk verstijfd toe hoe mensen de straat op rennen, vechtend tegen iedereen die ze tegen komen of in de weg staat. Politie maalt met tanks en auto’s door de menigte, en hebben grote geweren in hun handen. ‘Zet het nieuws aan!’ Jonathan schreeuwt naar me, maar ik kan het niet begrijpen. Zijn woorden hebben geen betekenis in mijn hoofd. Het gezoem van de tv haalt me uit mijn trance en ik draai me om. Hij heeft het nieuws aangezet. Een enkele noodmelding is te zien met beelden van het hele land. Overal zijn mensen aan het vechten. Vuren verspreiden zich als een gek en voor je het weet, brandt de hele stad. De herrie is onmenselijk geworden en ik moet mijn best doen niet gek te worden. De noodmelding blijft zich herhalen in mijn hoofd; ga niet naar buiten, ga niet naar buiten! Steeds weer opnieuw en opnieuw. ‘Anne, gaat het?’ Zijn woorden verdwenen en het leek alsof ik onderwater ben. Zijn stem is gedempt en het voelt alsof ik geen adem meer krijg. Het verstikkende gevoel consumeert me en laat me niet meer los. Jonathan gaat naast me staan en schudt me door elkaar. Ik kijk hem aan met tranen in mijn ogen. ‘Wat hebben we gedaan, Jonathan? Wat is er gebeurd?’ Tranen rollen over mijn wangen en voor ik het door heb, lig ik snikkend tegen zijn schouder. Een onbekend, toch enigszins bekend, gevoel neemt me over. ‘Luister, ik heb geen idee wat er gebeurd is, maar ik weet wel dat we niet niks kunnen doen. Buiten zijn mensen aan het vechten en ik weet niet waarvoor, maar ik weet wel dat wij ook gevaar lopen. We moeten hier weg.’ Hij heeft mijn schouders vast en kijkt me indringend aan. ‘Hoe ken je mij?’ De vraag komt uit het niets en ik heb geen idee hoe ik erop gekomen ben. Zijn greep verzwakt en hij staart even in het niets, totdat hij me weer aankijkt. ‘Ik heb geen idee wie je bent.’ Door zijn verwarrende blik, zie ik dat het een leugen is. Hij weet iets over mij dat ik te weten moet komen. ‘Ik ga naar buiten.’ Ik wacht niet eens op een antwoord en loop naar de deur. ‘Nee, Anne, je kan niet weg. Hoorde je niet wat ik net zei? Het is niet veilig!’ Hij staat voor de deur en blokkeert mijn weg. Ik probeer hem aan de kant te duwen, maar er komt geen beweging in. ‘Ga aan de kant! Je zei zelf dat het hier ook niet veilig is.’ Ik schreeuw boos naar hem, maar hij luistert al niet meer. Ik zoek naar iets in het appartement en zie een klein geweer op de bijzettafel. In een fractie van een seconde pak ik het geweer en richt het op Jonathan. Angst vult zijn ogen en een golf van adrenaline overspoelt me. Alles werd wazig voor mijn ogen en ik reageer met mijn instincten. ‘Ga aan de kant!’ Ik schreeuw naar Jonathan en duw hem aan de kant. Hij stapt twijfelend aan de kant en ik haal de sloten van de deur. Ik gooi hem open en ren naar buiten. De gang is gevuld met mensen en ik wurm mezelf erlangs. Ik hoor Jonathan schreeuwen, maar ik negeer het. Mensen schreeuwen dat ik een geweer heb en ze stappen aan de kant. Ik ren van de trap af en ik werd misselijk. Plassen bloed spoelen van de trap af en mensen zitten in elkaar gezakt tegen de grond. Ik zie de nooduitgang in de verte dichterbij komen en duw de laatste mensen aan de kant. De deur zwaait open en een alarm gaat af. Ik focus me op de buitenwereld en waar ik heen moet. Ik kan geen seconde langer doorbrengen in dit gebouw. Tanks rijden met grote snelheid voorbij en het geluid van sirenes wordt alsmaar luider en luider. Ik moet bijna overgeven van de geur die me tegemoet komt, een mengeling van kots en bloed. Het beeld voor me is verschrikkelijk, branden verwoesten de hele stad en mensen vechten tegen elkaar. Mijn maag zit in een knoop, maar ik loop verder de menigte in en stop mijn geweer achter mijn broekriem. Iemand trekt aan mijn jas en ik draai me om; Jonathan staat nog geen meter van me vandaan en kijkt me woest aan. ‘Waarom ging je weg?! Ik was doodsbang dat je iets was overkomen.’ Iets schiet me te binnen, maar ik kan het niet plaatsen. Jonathan schudt me door elkaar en probeert een reactie uit me te krijgen, maar niks werkt. Plotseling weet ik het. ‘Jonathan.’ Tranen vullen mijn ogen en ik voel me opgelucht en verdrietig op hetzelfde moment. Hij kijkt me verbaasd aan, maar zijn blik verandert binnen een paar seconden. Hij trekt me dicht tegen hem aan en tranen rollen over mijn wangen. ‘Mirte.’ Hij stamelt mijn naam en zijn stem klinkt gebroken. ‘Wat is er aan de hand?’ Ik pak zijn hand vast en leg mijn hoofd op zijn schouder. ‘Ik heb geen idee.’ Hij legt zijn kin op mijn voorhoofd, en even lijkt alles zo vredevol. Een luide knal haalt ons uit onze trance en mensen beginnen te schreeuwen. De agenten toeteren en proberen erlangs te komen, maar mensen vormen een muur om ze tegen te houden. Jonathan en ik kijken verward om ons heen, maar we hebben niet veel tijd. Nog een grote knal schrikt ons op. Rood licht vult de hemel en een dikke laag wolken verschijnt voor de maan. Mensen schreeuwen dat we dood zullen gaan en Jonathan trekt me nog dichter tegen zich aan. ‘Gaan we dood?’ Ik ben doodsbang en durft de vraag niet te stellen; ik wil niet dood. Hij pakt mijn hand vast en kijkt me aan. ‘Luister, ik wil niet dood, en ik weet niet wat we kunnen doen. Ik weet wel dat ik bij jou ben, en dat is genoeg.’ Nog een luide knal vult de stilte tussen ons, maar ik hoor hem niet. Ik ben doof geworden voor alle geluiden om me heen. Een vuurbal raast door de lucht en ik ben gevuld door angst. Jonathan trekt me dicht naar hem toe en fluistert wat in mijn oor, maar ik kan me alleen focussen op de kleine dingen. De krullen in zijn haar, het luchtje aan zijn jas en de gouden spikkels in zijn ogen, maar ik hoor niet de laatste genadeklap. Alles wordt zwart en het geschreeuw stopt. Er is een doodse stilte in de stad die in vuur en vlam stond.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam