Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Genen.

Door Stella Mantel

Ik was een sprietig meisje van elf toen het fout ging. Net van de basisschool wisten ze niet wat ze met me aan moesten, ¨Ja, zeiden ze,¨ ze kan wel, maar ze wil niet.¨
Ik haalde belabberde cijfers, ging niet naar Franse les, moest dan een uur eerder op!
En ik wilde slapen, school was een zwaar monster, waar ik me elke dag naar toe moest slepen.
¨Goed,¨ zeiden ze,¨ doe haar maar naar de determineerschool, een extra jaartje en dan weten we waar we staan.¨
Leuk bedacht, maar het werkte niet. De determineerschool was een half uur lopen, ik kende er niemand en ik voelde me er doodongelukkig. Leuke kleren had ik niet, had bijna elke dag hetzelfde aan.
Wel had ik van een wat laagbegaafd vriendinnetje kantkousen gekregen, ze moesten met een jarretelgordeltje bevestigd worden en ik zag eruit als een piepjong meisje van lichte zeden.
Ik hield me zo onopvallend verder dat ik niet werd gepest, wel verontachtzaamd.
Zo tobte ik een een paar weken voort totdat ik een ferm besluit nam: ¨ik ga niet meer!¨

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Soms zwerfde ik door de stad, ging Suske en Wiskes lezen op de boekafdeling van V en D. Ik zorgde ervoor op tijd thuis te zijn.
Helaas belde de school, dat ze me misten.
Toen was de boot aan. Mijn vader sleurde me uit bed, en stuurde me op weg. Meestal ging ik net de verkeerde kant op. Leuk was het niet, kou, donker, verlichte schoolgebouwen.
Ik liep door het park, vond een op apegapen liggende vogel en probeerde die te ontdooien met een stuk van mijn das.
Hij haalde het niet.
Ik werd somberder en somberder.
Soms kroop ik onder mijn tafeltje, zodat mijn ouders zouden denken dat ik al weg was. Dat lukte eenmaal. De keer erop had ik me onder mijn bed tegen de muur genesteld. Mijn moeder kwam eraan met de stofzuiger, ook onder het bed maakte ze schoon. De zuiger aan de steel raakte me net niet. Wat een opluchting!
Mijn ouders waren ten einde raad, begrepen niet wat er aan de hand was.¨ Het is een rot kind,¨ hoorde ik mijn vader zeggen.
Als wraak verborg ik zijn enig paar schoenen, zodat hij s-morgens niet weg kon om mij naar school te brengen.
Op een avond lag ik in bed te lezen toen er werd aangebeld. Er stond een vrouw voor de deur, een maatschappelijk werkster, hoorde ik later.
Mijn ouders sleurden me uit bed, en vertelden me dat ik naar een kindertehuis ging. De auto stond voor en ik had geen keus.
Huilend en snotterend zat ik achterin naast mijn vader, die stoicijns naar buiten staarde.

Het tehuis was een oude , iets vervallen villa, met een verwilderde tuin er omheen.
Mijn vader zei me gedag. ¨Nou, dag.¨ zei ik.
Ik werd meegenomen, een wenteltrap op, een kamer in met 3 stapelbedden. Een meisje was aanwezig, ze stond op haar kop met haar benen tegen de muur.
Mijn karige spullen werden opgeborgen en ik moest in bad.
Bibberend stond ik in de badkuip.
De ¨juf¨ was vriendelijk maar kon toch niet nalaten te zeggen dat ik wel erg mager was.
De dagen erop verliepen als in een soort mist. Ik had wel gelijk een vriendin, A. met wie ik dikke maatjes werd. Als de kinderen me vroegen waarom ik daar was, wist ik het eigenlijk niet. ¨Ik wilde niet naar school¨, was de gemakkelijkste oplossing.
Dat ik een zware depressie had wist ik zelf niet. Ik wist alleen dat ik me al erg lang erg vervelend voelde.
Tot de na de zomervakantie had ik les in het tehuis, dat lukte redelijk en ik zou naar de mulo gaan.

Ik zat daar mijn tijd uit, deed weinig en zou dat jaar doubleren.
Alleen met A. ging het goed met me, we kletsten volop en waren de beste maatjes.
Langzaam aan begon ik me op mijn gemak te voelen, ondanks sommige krengen van groepleidsters, enkele niet ouder dan een jaar of achttien.
Eens per week moest ik naar de ¨psychiater¨, een oude vrouw, die, zoals ik later hoorde slechts basisarts was. Ik deed mijn mond daar niet open, hoezeer ze ook probeerde me tot spreken te krijgen.
Ik wilde, ondanks hun fouten en verraad, mijn ouders niet verraden.
Wel moest ik vaak uit verveling gapen, om dat niet teveel te laten opvallen, deed ik dat binnensmonds.
De arts, helaas, zag alles en snauwde dat ik dat niet moest doen.
Ik was een half jaar geleden voor het eerst verliefd geworden, nee, niet op een van de jongetjes maar op een reuze populaire groepleider.
Hij was vrolijk en charmant, had oog voor mij (verbeelde ik me) en had een geweldige motor waarop hij
luid grommend aan kwam rijden als het zijn dienst was.
Alleen dat geluid al, maakte van alles in me los, van knikkende knieen tot een aforisch gevoel dat me geheel in zijn ban hield. Dat hij tien jaar ouder was en ik pas dertien
maakte niet uit. Hij was mijn held.
Op een gegeven moment rende hij met enkele kinderen om het tehuis heen, ook langs het raam van de dokter, waar ik zat te zwijgen. Ik sprong op en leunde uit het raam.
Dat de dokter het al doorhad hoorde ik later van mijn moeder. Op sarcastische wijze wees ze mij op dat feit.
Maar intussen werd ik behoorlijk opgevrolijkt door alleen zijn aanwezigheid al.
We gingen vaak zwemmen en vissen in een vijver bij het bos. Ik had niets, dus ook geen badpak.
Ik mocht er een lenen van een groepleidster, helaas had het ding voorgevormde cups en ik twee ontluikende borstjes.
Dat was dus geen gezicht. Ook wemelde het van de kleine visjes in de vijver, die zich nestelden in de cups en in de rest van het badpak.
Ik schudde ze eruit voordat ik me aankleedde.
Een ander probleem was dat ,mager als ik was ,nog steeds niet ongesteld was.
Terwijl de andere meiden, waaronder A. al maanden of zelfs jaren menstrueerden.
Er was J. een vroegrijpe meid van zeventien die al bijna van school ging. Ze had avontuurtjes met jongens in de duinen. Toen de leiding erachter kwam was de boot aan. Kort daarop ging ze naar een pleeggezin.
En dan had je de andere J. zij was veertien en had volle vrouwelijke vormen. Dat was ook het enige opmerkelijke aan haar.
A. had last van puppy-vet, maar was gezellig en goedhartig. Na een jaar mocht ze naar huis, mij ontheemd achterlatend.
Ik was inmiddels blijven zitten, iets dat weinig indruk op me maakte. Ik had een test gemaakt bij de psycholoog waaruit bleek dat ik behoorlijk intelligent was en eventueel ook naar het gymnasium zou kunnen.
Ik weigerde, geloofde niet genoeg in mezelf, maar was wel gevleid, natuurlijk.
Het laatste jaar kabbelde voorbij, de groepsleider werd ziek en was een half jaar uit de roulatie. A. was weg, mijn ouders kwamen zelden of nooit op bezoek.
Heel af en toe mocht ik een weekend naar huis. Wat ik me ervan herinner dat ik weer in het volkomen doorgezakte bed moest slapen. Leuk vond ik het om de hond weer te zien, Robby, een lieve bastaard.
Het was mijn hond, gekregen op een verjaardag.
Later hebben mijn ouders hem stiekem in laten slapen, hij was te slordig van kapsel voor de nieuwe buurt waar ze naar toe waren verhuisd.
Ik was verbijsterd en deed twee dagen mijn mond niet open.
Op school ging het beter, ik ging over en ik mocht naar huis.
Thuis was niets veranderd, de narigheden die toen aan de orde kwamen zal ik jullie, lieve lezers besparen.
Nu, 50 jaar later heb ik nog steeds last depressies, maar ik heb medicijnen daarvoor.
A. is getrouwd, heeft kleinkinderen. Jammer genoeg is ze gehandicapt door een whip lash.
J. is jaren geleden overleden aan een nare ziekte. Van de andere J. heb ik nooit meer wat gehoord.
Mijn held is een gepensioneerde psycho-therapeut
Ik heb hem nog eenmaal gezien, na mijn scheiding. ¨Tja, verzuchtte hij toen, beter maken kan ik ze niet,
het ligt allemaal aan de genen!¨

1 reactie

christiaan roelofsz

dinsdag, 06:17

Prachtig verhaal Stella. Levensecht ook

0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam