Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Gezichtsverlies

Door Simon Kooistra

‘Ik voel me net de koningin’, zegt Ria, nadat ze alweer een boeket in ontvangst heeft genomen. ‘Het leven van een burgemeestersvrouw gaat dus toch over rozen.’ ‘Ex-burgemeestersvrouw’, bromt Roeland vanachter zijn krant. ‘Ik heb geen vazen meer’, vervolgt Ria. ‘Kun je de wijnkoeler even pakken van de bovenste plank? Ik kan er net niet bij.’ Roeland doet wat hem wordt gevraagd en zakt daarna terug in zijn bruinleren fauteuil.

Het huis draagt de sporen van het recente afscheid. Overal bloemen, sommige al verwelkt. ‘De geranium doet het goed’, zegt Ria. ‘Hij krijgt zelfs nieuwe knoppen.’ Roeland kijkt op van zijn krant. ‘Warempel, die heb ik van mijn gewaardeerde opvolger.’ Ria, grijnzend: ‘Ik zal hem zo neerzetten dat je erachter kunt gaan zitten, dat is vast de bedoeling. Waar wil je de flessen wijn hebben? Ik ben bang dat die minder lang staan dan de bloemen.’ Roeland: ‘Die flessen ruim ik zelf wel op. Heb je gezien hoeveel boeken ik heb gekregen?’ Ria: ‘Ja, veel dubbele titels. Drie keer de biografie over je oud-collega Eberhard van der Laan en twee keer “Achteraf bezien” van oud-minister Ben Bot.’ Roeland, plechtig: ‘Ze weten dat ik me graag laat inspireren door mannen die iets hebben betekend voor de maatschappij.’ Ria, op droge toon: ‘En dat je van een goed glas wijn houdt.’

‘Ik moet nog langs het gemeentehuis; zegt Roeland. ‘Even mijn gezicht laten zien. Ik denk dat ze mijn advies over een paar lastige dossiers goed kunnen gebruiken.’ Ria: ‘Als je maar op tijd thuis bent voor het middageten. Er is geen brood meer, dus haal op de terugweg een halfje volkoren.’ Roeland, korzelig: ‘Dan ga ik nu wel.’ Hij legt de krant opzij voor later, hijst zich uit zijn stoel, trekt zijn grijze winterjas aan en opent de buitendeur. Het miezert. Toch maar een paraplu meenemen. Hij wil niet als een natte hond aankomen. De overgang naar de nieuwe fase in zijn leven is al groot genoeg. Vroeger had hij zich bij dit weer laten ophalen door de dienstauto.

Na tien minuten bereikt hij de ingang van het statige pand, waarin hij jarenlang de mooiste kamer had, op de hoek van de tweede verdieping met uitzicht op het Raadhuisplein. ‘Goedemorgen meneer Van Aerssen’, zegt de receptioniste. ‘U kent de weg.’ Het valt hem op dat ze hem geen ‘burgemeester’ meer noemt. Gelukkig vraagt ze niet voor wie hij komt. Stel je voor dat hij zich eerst als bezoeker moest aanmelden. Dat moment komt nog wel, zeker als er een onbekende achter de balie zit.

Roeland neemt de trap naar de eerste verdieping en gaat de lege raadszaal binnen. Met verholen blik loopt hij naar de eregalerij van oud-burgemeesters. Zou hij er al hangen? Langzaam gaan zijn ogen van links naar rechts. Zijn voorgangers kijken hem streng aan. Hij kan hun portretten dromen. Jarenlang heeft hij ze vanachter de collegetafel bestudeerd. Aan het eind van de rij ontwaart hij zichzelf. Met vriendelijke, doch gezaghebbende uitstraling. Maar toch: die pukkel op zijn linker wang. Het licht valt er precies op door het gebrandschilderde raam. Tijdens de onthulling bij zijn afscheid was het effect minder groot dankzij het gedempte licht.

Zachtjes vervloekt Roeland de portretschilder die hem dit heeft aangedaan. Waarom niet zijn goeie kant afgebeeld? Heeft hij nog niet genoeg voor zijn kiezen gehad? Hij had eerste burger van de nieuwe fusiegemeente moeten worden. Maar de vertrouwenscommissie koos voor de minder ervaren Joris Jongejans. ‘We hebben behoefte aan een frisse wind’, luidde het excuus. Dus kwam een broekie overwaaien van een Waddeneilandje waar nooit iets gebeurt en werd Roeland van Aerssen met vervroegd pensioen gestuurd. Wat er van hem overblijft is een portret met een pukkel.
Hoewel, later wordt er vrijwel zeker een straat naar hem vernoemd. Tot nu toe is die eer elke niet-levende oud-burgemeester te beurt gevallen. Maar je weet niet welke straat. Zijn voorganger Jan Maat kreeg een doodlopende weg op het nieuwe bedrijventerrein. Maar ach, het gebeurt toch pas als je er niet meer bent. Wel sneu voor je kinderen, maar die heeft hij niet. Hij weet nog goed hoe hij zich voelde toen hij de dochter van zijn voorganger moest feliciteren met de opening van de Jan Maatstraat.

Minutenlang staart Roeland naar zijn portret, in gedachten verzonken. Hij voelt zich weemoedig, alsof zijn leven bijna voorbij is. En hij heeft nog zoveel plannen. De Commissaris van de Koning zou aan hem denken voor een waarnemerspost, maar zelf mikt hij op iets hogers. En anders kan hij altijd nog zijn memoires schrijven. Ook een manier om jezelf onsterfelijk te maken. Of onsterfelijk belachelijk, zoals zijn altijd stimulerende echtgenote opmerkte.

Roeland kijkt op zijn horloge. Half elf. Wat gaat de tijd langzaam. Kom, nog even wat handjes schudden. Hij neemt de trap naar de tweede verdieping en passeert zijn uitgewoonde werkkamer, waar zelfs de vloerbedekking is verwijderd. Meneer de opvolger heeft kennelijk een grondige opknapbeurt bedongen. In de naastgelegen kamer verwacht hij zijn voormalige secretaresse, maar die is kennelijk met rookpauze. Verderop wel bevolkte kamers. Door de glazen ruitjes ziet hij bekende gezichten. Allemaal in bespreking. Sommigen steken hun hand op, meer als wegwuif-gebaar dan als uitnodiging binnen te komen.

De bodekamer is zijn laatste kans en ja hoor, daar zit zijn trouwe vriend Oscar. ‘Goedemorgen burgemeester’, zegt deze, alsof Roeland nog in functie is. Dat doet hem goed. Oscar heeft altijd geweigerd hem te tutoyeren. ‘Het genoegen is geheel aan mijn kant’, antwoordt Roeland, formeler dan bedoeld, gevolgd door: ‘Zullen we een bakkie doen, als vanouds?’ De bode blijft in de plooi en kijkt op zijn horloge. ‘Natuurlijk burgemeester. Maar over tien minuten moet ik een paar gasten opvangen, dus we hebben niet veel tijd.’ Hij spoedt zich naar de keuken. Roeland denkt: ‘De omgekeerde wereld, een bode die geen tijd heeft voor de burgemeester.’ Binnen twee minuten keert Oscar terug met twee dampende koppen koffie: ‘Voor u met suiker, dat vergeet ik niet.’ De heren wisselen enkele familienieuwtjes uit en Roeland wil net over zijn toekomst beginnen, als Oscar zegt: ‘Wilt u mij verontschuldigen, mijn gasten staan beneden.’

Kwart voor elf. Te vroeg om naar huis te gaan. ‘Nog één keertje kijken’, besluit Roeland. Enkele ogenblikken later staat hij opnieuw voor zijn portret. De pukkel lijkt wel gegroeid. Met zijn rechter wijsvinger wrijft hij erover. Er gebeurt niets. Dan krabt hij eraan met zijn nagel. Eerst voorzichtig, maar als dat geen effect heeft iets harder tot er schilfertjes vanaf komen. Oef. Hij is door het vernis gegaan. De pukkel is een doffe plek geworden, die daardoor des te meer opvalt. ‘Maar Roeland’, klinkt het plotseling achter hem. ‘Wat doe jij hier?’ Hij had Casper van Dijk, de griffier, niet binnen horen komen.
‘Kun je niet van jezelf afblijven’, lacht Casper. Roeland kijkt als een betrapt kind. ‘Ik had het nog niet goed van dichtbij bekeken’, stamelt hij. ‘Er is hier zo meteen een extra commissievergadering over de nieuwe gemeentelijke organisatie’, waarschuwt Casper. ‘Geen probleem, ik moet er toch vandoor’, zegt Roeland. Het laatste wat hij wil is dat de raadsleden hem hier zien.

Er zit niets anders op dan de plek des onheils te verlaten. Roeland neemt dit keer de lift, groet de receptioniste en loopt naar buiten, waar net een stevige bui losbarst. Hij besluit te schuilen in de bibliotheek tegenover het raadhuis. Als hij maar bij de bakker is voordat die dichtgaat, anders zwaait er wat thuis. In de bibliotheek, die hij vooral kent van werkbezoeken, zoekt hij de leeszaal op en pakt uit het rek de krant waarin hij thuis was begonnen. Maar hij kan zijn gedachten er niet bijhouden. Hij huivert bij de wetenschap dat de schade aan het schilderij hoe dan ook aan het licht komt. Met Oscar als getuige zal de verdenking ongetwijfeld op hem vallen.

Zulk een gezichtsverlies kan hij niet verdragen. Hij ziet de krantenkoppen al voor zich: ‘Oud-burgemeester verminkt eigen portret.’ Hij moet iets doen. Zelf de kwast hanteren is geen goed idee. Er is maar één optie: de maker in vertrouwen nemen. Roeland herinnert zich dat het kaartje van de kunstschilder op zijn bureau ligt. Op naar huis en meteen bellen! Roeland laat de krant achter op de leestafel en zet het op een lopen. De regen is opgehouden, maar hij komt drijfnat van het zweet aan. ‘Wat is er met jou aan de hand’, vraagt Ria verbaasd. ‘En waar is het brood?’ Roeland schrikt: ‘Vergeten. Er is iets tussen gekomen.’

1 reactie

Tjitske Koetsier

vrijdag, 18:34

Heel humoristisch en goed geschreven verhaal!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch