Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Glimlach

Door Raoul Noortmann

Hij vloekt op de gang. Het klinkt gedempt en persend. Ik zit aan de tafel in de woonkamer en ik houd mijn adem in.
De deurklink zwaait tegen de muur. Het lelijke deukje in de muur wordt weer iets dieper.
Kom, zeg ik voorzichtig. Hij zucht.
Kom, herhaal ik en ik leg mijn ene hand open op het tafelblad zodat hij de zijne erin kwijt kan. In mijn andere hand klem ik de afstandsbediening. Televisie zou helpen, zeiden ze.
Hij gaat zitten, ellenbogen op tafel, zijn hoofd in zijn handen. Pluizige krullen verbergen zijn ogen. Zijn wangen zijn roze en rond. Die krullen heeft ‘ie van mij, dat ronde heeft ‘ie van z’n vader. Die werd ook alsmaar dikker. Hij zucht nog een keer, dieper, als een grom.
Ik vouw mijn handen in elkaar, knijp in de afstandsbediening.
Ik vraag hem wat er is en hij zegt dat er niks is.
Ik trek mijn wenkbrauwen op, leg de afstandsbediening op tafel, en ik kijk hem aan.
Ni-hiks.
De tafel wiebelt. De thee in mijn glas rimpelt. Hij kijkt er kort naar, drukt dan zijn hoofd dieper in zijn handen.
Hoe was het vandaag?
Geen reactie. Ik neem een slok en schraap mijn keel. Hij laat zijn hoofd op tafel zakken. Zijn zachte kin tussen twee gebalde vuisten. Zijn ogen samengeknepen, zijn knokkels wit. Vervolgens legt hij zijn wang zo plat mogelijk op de tafel. Hij tuurt.
Ik wil hetzelfde zien.
Ging het beter?
Mijn eigen stem, harder en duidelijker dan zo-even, en weer stilte.
Hoe voel je je?
Een lange zucht. Dan zegt hij: Gewoon.
En ik denk: Het is allemaal veel te snel gewoon geworden.
Als ik mijn hand op zijn vuist probeer te leggen, komt hij overeind. Hij schuift zijn stoel zo ver mogelijk naar achter, staat op en stapt moeizaam tussen de tafel en stoel vandaan. Loopt de keuken in. Heel even hoor ik alleen zijn ademen, zwaar en warm, dan is het voorbij. Deksels van de pannen op het fornuis worden opgetild. Daarna het gezuig van de koelkast. Een potje wordt open gedraaid. Het dopje van een sausfles klikt. Hij loopt voorbij de deurpost, een blok kaas bungelend in zijn linkerhand. Hij legt het op het lege aanrecht en hij rommelt in de lades, in de vaatwasser, in de gootsteen. En hij staat er weer, voorovergebogen. De kaasschaaf in zijn ene hand, zijn andere hand leunend op de rand van het aanrecht. Zijn schaduw valt breed en donker op het zeil. Hij zou een bink kunnen zijn, maar dat zeg ik hem niet meer.
Zijn hoofd beweegt. Eerst rustig, heen en weer, dan sneller, schuddend. En hij mompelt, nee, hij sist, kauwend. Vroeger noemde ik hem m’n zwijntje, m’n zachte zwijntje. Nu noemt hij zichzelf zwijn.
Toen de mentor vroeg ik wilde komen, huilde ik.
Ze vertelde hoe de anderen hem in de gangen noemen, als ze er zelf niet bij is. We zaten in een leeg lokaal in een lege school. Hij keek me met grote rode ogen aan toen ze zei: Spekkie.
Hij gooit de kaasschaaf driftig tussen de afwas, draait zich om en loopt de keuken uit, de kamer door, de gang in. Het blok kaas gehavend op het aanrecht.
Ik sta op en zeg: Kom. Ik knik de woonkamer in. Effe niks.
Hij staat voorbij de deuropening, twijfelend. Zijn schouders vooruit omdat hij zijn tas vol boeken tilt, en zijn rug gebogen, omdat er geen reden is om hem recht te houden.
In het donker van de gang lijkt hij smaller, meer op mij.
Ik zeg het nog een keer. Kom.
En dan: Het is nog vroeg. Ik steek de afstandsbediening in de lucht als bewijs.
Hij laat de tas zwijgend uit zijn handen glijden en loopt mij sloffend voorbij. Over zijn hoofd knip ik de televisie aan, de serie waar ik hem stilzette.
Er is een meisje met een hoofddoek. Ze kijkt in de spiegel, tuit haar lippen, stift ze rood. Ze haalt haar wijsvinger langs haar tong en dan langs haar wenkbrauw. Ze is een paar jaar ouder, maar nog steeds een kind. Ze loopt een schoolgang door. Jongens rennen langs haar heen, stoeiend. Op het schoolplein omhelst ze een Aziatisch meisje. Het is zonnig en ze lachen en ze praten over muziek. Ik wil weten welke van de twee hij leuker vindt, maar ik vraag het niet. Vanuit mijn ooghoek bekijk ik hem. Zijn mond staat een beetje open, hij lijkt te glimlachen.
Dan een donkere jongen met hoge jukbeenderen en haar dat vanaf zijn oren langzaamaan voller wordt. Het glanst. Hij loopt een andere jongen tegemoet. Er rolt een voetbal voorbij en ze kussen bij de fietsen. Een rossig meisje met een beugel knipoogt.
Hij friemelt aan de lip van zijn opgetrokken gympie. Maakt de veters los, strikt ze, en maakt ze weer los, propt de uiteindes in zijn schoen. Daarna klemt hij zijn handen rond zijn enkel. Het doet me aan strop denken.
Zie je, zeg ik, wijzend naar de televisie. Ze zijn allemaal anders.
Ik leg mijn hand op zijn hoofd. Ik wrijf door zijn krullen om te zeggen: Net als jij.
Hij schudt zich van me los en draait zich om. Zijn mond gaat op dezelfde manier open als zo-even. Het is geen glimlach, maar een verbeten grimas.
Hij herhaalt het woord allemaal. Tussen zijn tanden door zegt hij: Dat hebben ze verzonnen.
Tuurlijk, zeg ik. Het zijn acteurs. Ik wijs naar het scherm. De jongens lopen hand in hand naar binnen.
Maar het is wel echt.
Hij kijkt me geërgerd aan en zegt: Nee.
En dan, definitiever: Zo gaat het niet.
Zo gaat het niet.
Zet maar iets anders op, zeg ik zacht. Iets dat jij leuk vindt. Ik druk hem de afstandsbediening in zijn handen. Met snelle, lichte stappen loop ik van hem weg.
Ik kijk de koelkast in, zuig de koude lucht naar binnen en ik voel mijn wangen gloeien. Gewoon vaker eten, zeiden ze. Veel boterhammen, dat werkt het best.
Er staat yoghurtdrank en smeerkaas. In de groentelade een gerimpelde komkommer. Wortelen als tussendoortje. De deksel van de halvanaise zit scheef vastgedraaid en de verpakking van de ham ligt leeg en gescheurd achter de bleekselderij.
Ik open de vriezer. Verstopt achter kartonnen groentedoosjes liggen de twee bevroren bapao’s. Voor als er vriendjes langskomen. Ze liggen er al een hele tijd.
Als ik met het bord de kamer inloop, is het beeldscherm zwart. Hij tuurt weer.
Hier. Ik houd hem het bord voor, de broodjes dampen.
Hij kijkt omhoog, vragend.
Het is nog vroeg, zeg ik voor de tweede keer.
Hij pakt het bord met grote ogen aan en zet het op zijn bovenbenen.
Eet smakelijk, zeg ik en ik leg mijn hand in zijn nek, knijp er zachtjes in. Na de eerste hap klikt hij de televisie weer aan. Het ruikt pittig en vet in de woonkamer. De kinderen lachen in een klaslokaal terwijl hij eet. Zijn grote handen om het kleine broodje.
Voordat hij de tweede van het bord pakt, kijkt hij even omhoog. Zijn mondhoeken iets verder uit elkaar.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch