Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Grijze muis

Door Ellen Evenhuis

Misschien was het de overkill aan crimeprogramma’s die hij de laatste weken had bekeken, maar Thijs voelde zich verre van gemakkelijk toen hij op die kille herfstdag snel nog even de hond uitliet. Hij hoopte voor het donker weer binnen te zijn. Maar de hond deed zijn behoefte niet altijd meteen. Daar baalde hij nu wel van. Normaal waren de uitjes met de hond plezierig voor Thijs. In feite bezorgden ze hem de beste momenten van de dag. Niet alleen genoot hij van het samenzijn met zijn hond, ook de dingen die hij onderweg observeerde deden hem zijn miserabele leven heel even vergeten: de meeuwen die allen nog op een rijtje zaten op de reling van het bruggetje als hij naderde, de karper die opsprong uit de vijver waar hij langsliep, de specht die hij hoorde kloppen tegen een boom in het bosje dat hij meestal meepakte op de route.

Thijs deed zijn kraag omhoog. Hij had het koud. Een ouder stel kwam hem tegemoet op de fiets. ,,Leuk beestje, mooi beestje”, zei de vrouw toen ze voorbij fietste. Thijs knikte naar haar. ,,Alweer een compliment voor je”, zei hij tegen de hond. Deze had ondertussen alleen nog maar een plas gedaan. Er zat niets anders op. Thijs stak de weg over, richting het bosje. Dat hij zich zo voelde was niet vreemd. Vooral ook omdat hij het over zichzelf had afgeroepen. Hij voelde zo veel passie voor het leven, maar was de regie allang kwijt. De feiten hadden hem hard, heel hard, ingehaald. En dat knaagde. Elke dag opnieuw. Zijn zusje Puk had gelijk. Hij was een loser, had geen gezin zoals hun oudere broer Job en zat niet in een droombaan zoals zij. Vroeger al, als tiener, had ze ooit tegen hem gezegd dat alles nét verkeerd aan hem was. Zijn ogen stonden nét te ver uit elkaar, zijn neus was nét te groot, zijn oren waren nét te klein en zijn voortanden waren nét te lang. ,,Ja”, had hij gesnauwd, ,,én ik ben nét te dik.” ,,Inderdaad, die was ik nog vergeten”, had ze terug gesneerd. Puk noemde hem sindsdien regelmatig ‘Broer’. Niets geks zou je denken, maar hij wist wel beter. Het kwam door zijn tanden. Ze doelde op Broer Konijn. Laatst nog, tijdens een familie-etentje, kreeg hij een veeg uit de pan. ,,Thijs denkt het, Job zegt het en ik doe het”, had ze triomfantelijk geroepen. Puk vond al jaren dat Thijs stil bleef staan in zijn leven en geen knokker was. Ze heeft gelijk, dacht hij zuur. Wat kon je ook verwachten van een kerel die ’s avonds onder een deken op de bank zit omdat hij het koud heeft?

Geloven dat zijn leven nog eens een leuke wending zou nemen deed hij al een tijd niet meer. Dit was zijn leven. Hét leven hoefde schijnbaar niets van hem. Hij hoefde geen partner te zijn, geen vader, geen goede vriend en hij hoefde ook niets te betekenen op werkgebied. Het ’s avonds en in het weekend, soms wel uren achtereen, volgen van documentaires en realityprogramma’s op zenders als CI en Investigation Discovery gaf Thijs de nodige afleiding. Hij ging er meestal zo in op dat hij zich totaal kon afsluiten voor zijn gedachten. Anders zat hij toch maar te malen. Eerder was hij helemaal verslingerd geraakt aan dramafilms. Ergens schaamde hij er zich wel een beetje voor. Maar hij kon zich altijd zo goed inleven in de personages. Vaak wisten ze het diepste in zijn emoties te raken. Misschien keek hij er daarom wel zo graag naar: zij leefden immers het leven dat hij graag wilde. Op deze manier maakte hij het toch een beetje mee. De laatste tijd echter merkte Thijs dat het niet meer werkte. Het keerde zich tegen hem. De leegte in zijn leven overheerste zodanig dat de films meer en meer een confrontatie werden. Ze strooiden zout in zijn wonden. Van de een op de andere dag besloot hij er niet meer naar te kijken. Op zoek naar een alternatief kwam hij bij de crimeprogramma’s terecht. En hoewel hij besefte dat ze hem enigszins murw maakten, vond hij het spannend om ernaar te kijken. Mensen. Het waren allemaal narcisten, materialisten en leugenaars. Er was toch geen hoop voor de wereld. Gelukkig was hij in ieder geval samen met de hond. Dat hield hem op de been.

De hond maakte aanstalten om een grote boodschap te doen. Het was al flink gaan schemeren. Krak! Thijs schrok. Zijn nekharen stonden overeind. Hij voelde een aanwezigheid achter zich. Met een schok draaide hij zich om. Thijs keek recht in de ogen van De Eekhoorn. Hij had hem wel vaker zien rondscharrelen in het bosje, zijn rode haren vielen snel in het oog. Maar nooit was De Eekhoorn zo dicht bij hem gekomen. ,,Wat doe je hier?”, siste hij. Thijs probeerde een woord uit te brengen, maar kwam niet ver. ,,Malle”, zei De Eekhoorn en lachte. ,,Ik zie toch dat je je hond uitlaat.” In het schaarse licht zag Thijs dat de ogen van De Eekhoorn fonkelden. Kraalogen, vond hij, terwijl hij ondertussen zenuwachtig naar een plastic zakje in zijn jaszak graaide. Daar zat er geen. Hij had toch thuis nog een zakje mee gegrist? Zijn andere jaszak bevatte alleen rommel en papiertjes. Uiteindelijk vond hij het zakje in zijn broekzak. Hij deed het snel om zijn hand, pakte de drol van de grond en maakte het zakje dicht. ,,Jij bent maf”, zei De Eekhoorn geamuseerd. ,,Ruim je dat op?” Thijs knikte. Hij vond dat het bij de burgerplicht hoorde. Hij maande de hond mee te komen en liep vlug naar de prullenbak iets verderop en gooide het zakje erin. De Eekhoorn was meegelopen. Het bleef even stil. ,,Zin in een peuk?”, vroeg De Eekhoorn. Thijs was al een tijd geleden gestopt met roken, aarzelde even, maar knikte toen van ja. De zippo van De Eekhoorn glom in het flauwe licht van de lantaarnpaal langs het bospaadje. ,,Dankje”, zei Thijs en inhaleerde diep. Er kwam een vreemde kalmte over hem. De hond ging zitten. In de verte hoorde hij de trein voorbij razen. ,,Ik zie je wel eens hier”, zei De Eekhoorn tenslotte. En voordat Thijs het zelf besefte begon hij te praten, over de teleurstelling die hij voelde in alles en iedereen maar vooral in hemzelf. De Eekhoorn toonde een gewillig oor.

Thijs wist dat De Eekhoorn, die wel wat weg had van de personages uit de crimeprogramma’s, een slechte naam had in de buurt. Maar het was voor het eerst sinds lange tijd dat iemand eens echt interesse in hem, Thijs, toonde. Dat hij zich niet onzichtbaar voelde zoals zo vaak. Een stuk of drie sigaretten later, toen het allang pikkedonker was, rondde Thijs zijn verhaal af. De Eekhoorn knikte nog een tijdje na. ,,Ik ga je voorstellen aan mijn vrienden”, zei hij Thijs strak aankijkend en nog steeds knikkend. Thijs’ hart maakte een sprongetje. Het was alsof het drama dat zijn leven was verworden ineens een onverwachte ommekeer maakte daar in het bosje bij de lantaarnpaal. Alsof hij een rol kreeg toebedeeld van de regisseur. En hij accepteerde hem gretig. Want toeschouwer was hij lang genoeg geweest.

,,Waarom noemen ze jou eigenlijk De Eekhoorn?”, vroeg Thijs toen ze het bosje uitliepen en de weg wilden oversteken. ,,We hebben allemaal een bijnaam”, antwoordde De Eekhoorn. Hij grinnikte even. ,,Bij mij om twee redenen”, zei hij niet zonder trots. ,,Mijn rode haar.” Om daar meteen aan toe te voegen: ,,Omdat ik vliegensvlug ben. Met denken!” Thijs was onder de indruk. Deze jongen wist precies wat hij deed. Thijs wenste vurig dat zijn leven vanaf nu nooit meer hetzelfde zou zijn. Dat wílde hij ook niet meer. Nooit meer wilde hij terug naar zijn oude bestaan. Het was genoeg geweest. Afgelopen. Hij zat niet langer op de reservebank. Zijn stille lijden zou ooit slechts een vage herinnering zijn. ,,Hoe zullen we jou noemen?”, vroeg De Eekhoorn toen ze bij de vijver waren aanbeland. Thijs’ ogen werden groot. ,,Ik? Een bijnaam?” De Eekhoorn knikte. Thijs dacht even na. ,,Ik heb er al één”, schaterlachte hij toen. ,,Broer Konijn.”

Ze namen afscheid. ,,Ik zie je morgen”, zei De Eekhoorn. Thijs en de hond liepen over het bruggetje terug naar huis. De zwanen zwommen precies onder het bruggetje door, hun schaduwen van het maanlicht over het water uitspreidend, maar Thijs had er geen oog voor. Pas nu voelde hij weer hoe koud het was. Maar zijn gemoed voelde een stuk lichter. Hij dacht terug aan de onverwachte ontmoeting. ,,De eekhoorn, het konijn en de hond”, zei hij hardop. Thijs vond het hilarisch. Het leven dat hem altijd uit de weg was gegaan bleek toch humor te hebben. Al was het dan zwarte humor, dat wel. Het zou Puk versteld doen staan. Thijs stak de sleutel in het slot van de voordeur. ,,Leuk beestje, mooi beestje, ga maar gauw naar binnen”, zei hij opgewekt.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch