Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Hamsters

Door Tyche Zinnia Tjebbes

Ik ben elf jaar. Het is oudejaarsdag 1993 en nog voor het nieuwe jaar zich aandient zie ik mijn goede voornemen in rook opgaan; Jetka is dood. Terwijl ik in de keuken met de oliebollen hielp, heeft zij zich teruggetrokken in haar plastic huisje en bij terugkomst in mijn kamer is ze al zo goed als hard. Met haar snuitje was ze drie weken eerder tussen mijn kamerdeur gekomen. Een infectie tot gevolg. Pipetjes antibiotica. Warme doeken. De hele kerstvakantie had ik haar verzorgd. Ik begraaf haar nog voor het avondeten, achter de varens in de tuin. Ik zou haar in leven houden en nu is ze dood.
Even voor twaalven klim ik op bergschoenen de brug op voor ons huis. Ik draag altijd bergschoenen. Om de minimale grip die je als elfjarige op de wereld hebt te compenseren. Het zachte, geel-oranje, licht van de lantaarns weerspiegelt zich in het bruine water van de grachten. De Westertoren tikt onverstoorbaar de laatste minuten van het jaar weg, de laatste seconden zullen we luidkeels meetellen. Er wordt al wat voorgeknald en langzaam vult de lucht zich met de vertrouwde zwavelgeur. Straks zal het losbarsten. Gevolgd door het ongemakkelijke kussen met de buren. Het geknoei met champagne. De brug is spekglad, het heeft geijzeld. Mijn ouders wenken me. Ik ben bijna boven als ik uitglijd, ondanks de bergschoenen, en plat op mijn buik beland. Mijn gezicht tegen de koude stenen. Snel krabbel ik op en ren naar huis, sla de deur achter me dicht. Even is het stil en donker. Ik hou mijn adem in en dan begint het. Het knalt, gilt en flitst achter de gordijnen. In mijn kamer zak ik neer, naast de hamsterkooi. Jetka zal in 1993 blijven, maar haar acht kinderen gaan mee het nieuwe jaar in. Ik neem ze op schoot. Acht kansen om het beter te doen. Ze zijn allemaal wit. Maar soms, in bepaald licht zie ik een spoortje bruin. Een spoor van hun moeder. Ik kreeg Jetka voor mijn verjaardag. Een mannetje. Tot ik op een ochtend acht kleine roze wurmpjes in het plastic huisje aantrof en we verhaal konden gaan halen bij de dierenwinkel.
“Breng haar maar terug dan.”
“En de kleintjes?”
“Die ook.”
Dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen. Ik was aan ze gehecht. Geboren in mijn kamer, vlak naast mijn bed. Ze waren van mij en ik zou voor ze zorgen.
“We kunnen er toch een paar weggeven. Aan lieve mensen,” probeerde mijn vader. 
Ik was vastbesloten. Ze blijven hier.
In de weken die volgden openden ze hun ogen, tuimelden een voor een uit het hok en trokken de wijde wereld in: mijn kamer. Snoeren trok ik zo hoog mogelijk op. De gaten in het tapijt dekte ik af zodat mijn ouders ze niet zouden zien. En ik genoot van mijn hamsters. Van hun kleine friemelige kleefvoetjes met inimini nageltjes en van hoe ze sliepen, dicht tegen elkaar aan. Ik moedigde ze aan zodat ze zich, na enige aarzeling, van het bureau op de stoel lieten vallen. Waar ze snel bij hun nek werden gegrepen door Jetka. Mijn lieve Jetka.
De eerste weken van het nieuwe jaar denk ik nog vaak aan haar, bezoek ik het heuveltje aarde achter de varens. Maar druk met haar nageslacht laat ik gedachten aan haar vervagen.
Op een donderdagmiddag na school verzamel ik mijn hamsters. Als ik naar buiten ga moeten ze in hun kooi. Alleen Snellie zoek ik nog. Ik loop door de kamer en roep hem. Dan hoor ik een harde piep. En, een krak. Een krak onder mijn schoen. Mijn bergschoen. Snellie. Ik ben op hem gaan staan. Ik duik naar de grond, pak hem op. Ik zie niets aan hem en zet hem weer neer. Hij loopt, probeert te lopen, maar alleen zijn voorpootjes bewegen. Zijn achterpootjes doen niets meer. Een ballon van schuldgevoel blaast zich op in mijn borstkas, drukt mijn longen weg. Snellie sleept zijn achterlichaam piepend achter zich aan. Dit is niet goed, denk ik alleen maar. Ik ren naar beneden en leg hem in een schoenendoos. Bij de buren bel ik aan, ik haal mijn fiets van het slot en als mijn buurmeisje naar buiten komt smeek ik haar te fietsen. Snel spring ik achterop en racen we naar de dierenarts op de Marnixstraat. Steeds doe ik even de doos open. Ja. Hij leeft nog.
“Ze gaan je weer beter maken,” zeg ik tegen hem.
“We zijn er bijna. Hou nog even vol.”
Als we aankomen kijkt de assistente in de doos en schudt haar hoofd. Op de terugweg hou ik de doos dicht. Snellie belandt naast Jetka in de tuin en daarna gaat het in een rap tempo.
Bella verdwijnt spoorloos nadat ik mijn kamerdeur open heb laten staan. Dagenlang zoek ik het huis af, op straat loop ik krom gebogen, in hoeken en gaten kijkend, en ‘s nachts droom ik over het grote riool en ratten die een eenzame hamster verslinden. Bobby en Lada overlijden aan het “natte staart”-syndroom. “Je hebt ze misschien te veel op de tocht gehad,” zegt de assistente van de dierenarts. Weer de ballon in mijn buik.
Tegen de tijd dat we het jaar wederom kunnen afsluiten ligt de tuin vol en is mijn hart moe. Alleen Timmie is er nog. De enige langharige van de acht. Hoe ouder hij wordt hoe meer moeite hij heeft zijn vacht schoon te houden. Alles blijft erin kleven. Plas, keutels, stro. Met tegenzin was ik hem elke dag. Een andere ouderdomskwaal: zijn scrotum groeit. Moeizaam sleept hij zijn enorme ballen met zich mee. The last man standing. Ik denk nog wel eens aan de acht wurmpjes. Hoe ook hij daar lag, dicht tegen zijn bruine moeder aan, maar ik kan me er weinig meer bij voorstellen. En als hij zich op een dag ook terugtrekt in het slaaphuisje, om niet meer naar buiten te komen, voel ik weinig weerstand. Ik kieper het stro en zaagsel in de vuilnisbak en loop met de schoenendoos naar beneden voor de laatste keer het ritueel in de tuin. De volgende ochtend wacht ik achter het raam op de vuilniswagen en als hij eindelijk zuchtend en sissend voor ons huis tot stilstand komt en naast de zakken ook de roestende hamsterkooi met slaaphuisje verslindt, zucht ik met hem mee. Het is klaar.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch