Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Happiness

Door Femke Pontseele

‘Happiness’, schreeuw ik.
Niemand antwoordt. Geen enkele vrijwilliger heet Happiness. Tien minuten later, wanneer iedereen heeft plaatsgenomen en we naar Marseille zullen vertrekken, loopt ze naar de bus. Haar voeten schuiven heen en weer in haar versleten mocassins, de kruisriem van haar tas verdeelt haar boezem in twee, ze waggelt door het gewicht. Haar gezicht ziet er beproefd uit, haar bruine huid kleurt donkerder onder haar ogen. Kilometers lijkt ze gestapt te hebben. Ze klopt op de deur van de chauffeur, buiten adem. ‘Happiness, zegt ze, ik ben Happiness’. Het komt door bus drie, daar heeft ze een half uur op gewacht.
‘Blij dat we compleet zijn’, zeg ik, ‘dit is jouw plaats, naast Andy, jouw reisgezel’.
Andy spert zijn ogen open, een spasme in zijn nek verhindert hem om Happiness recht aan te kijken. Even ben ik bang voor zijn reactie op een gekleurd persoon, we hebben een paar verzorgenden uit Ghana en Somalië in de home, maar niet in zijn leefgroep. Happiness buigt zich over de jongen, hij houdt zijn lange armen als takken voor zich uit. ‘Dag schatje!’, zegt ze, ‘We gaan op reis, weet je dat!’, gromt ze enthousiast. Andy kirt terug. Ze wrijft eens door zijn witte strooien haar, in de home noemen we hem Warhol. Na de derde bocht valt Happiness in slaap. Ze wordt niet wakker van Andy’s armen die ongecontroleerd bewegen alsof hij een staccato muziekstuk dirigeert.
Drie uur later roept mijn collega door de microfoon dat we even stoppen bij een wegrestaurant. Happiness duwt slaperig Andy’s rolstoel voort. Wanneer Andy haar niet ziet en ze geen rol speelt, betrekt haar gezicht. Ze heeft iets van Nina Simone. Een ruige ontgoocheling.
‘Mist je man je niet?’, vraagt ze me.
‘Hij kan wel even zonder me.’, zeg ik. ‘Dat is goed voor zijn band met de kinderen.’
‘Hoeveel heb je er?’
‘Twee’
‘Wat een geluk’. Happiness legt een paar croissants op haar bord. Ik neem een yoghurtje voor Andy. ‘En jij? Heb jij een man?’, vraag ik.
‘Nee. Ik ben er één verloren en nu vind ik er geen nieuwe meer. Al tien jaar. De laatste drie jaar neem ik antidepressiva.’ Ze kijkt me angstig aan, alsof ze zich pas bewust wordt van haar eigen conclusie. ‘Ik ben te oud.’
‘Ach nee’, zeg ik. ‘Een geliefde kan je op elke leeftijd ontmoeten.’
‘In Ghana ben ik echt al oud. Mijn moeder was al dood op mijn leeftijd.’
‘Ghana is hier niet. Wat ben je nu? Vijftig?’
‘Vierenvijftig’, zegt ze. Ineens schatert ze en Andy kirt terug, tot ze abrupt stopt en aan de kassierster zegt: ‘Combien?’
Ze heeft voor acht euro brunch op haar bord geladen. Ze schrikt, maar ze betaalt zwijgend en draait de rolstoel om.
‘Bon appétit’, zegt de kassierster. ‘Ik hoop het voor jou.’, hoor ik haar mompelen.

Praten kan Andy niet, maar hij begrijpt wat over hem gaat.
‘Hij is bijna kampioen petanque bij de Paralympics.’, zeg ik aan Happiness, ‘hij haalde de zilveren medaille.’
‘Hoe heeft ie dat gedaan?’, zegt ze, ‘petanque, hoe speelt hij dat?’ Het is moeilijk om je bij Andy’s strakke armen een soepele worp voor te stellen en Happiness is het stadium van verbloemen voorbij.
‘Ze maken een soort glijbaan die begint bij zijn kin, en dan kopt hij de bal naar de cochonet.’
‘Ach, echt?’, zegt ze, ‘volgende keer goud, Franky!’
‘Andy’, zeg ik.
Ze strijkt hem nog eens door zijn haren.
‘We komen over twee uur aan op onze eindbestemming. Dan zal ik je uitleggen hoe je zijn pamper ververst.’ Happiness trekt haar wenkbrauwen op een loopt naar de bus, met Andy in de rolstoel.
Na twee uur zien we het kasteeldomein dat dienst doet als vakantieplek voor mensen met een beperking. Het duurt een half uur om de bus volledig uit te laden. Alle vrijwilligers staan paraat met hun jongere en er vormt zich een stoet van rolstoelen en begeleiders naar de ingang van het verblijf. Als Andy wat verschuift in zijn rolstoel, klinkt er een zompig geluidje. ‘Tijd om de pamper te vervangen’, zeg ik.
Dit is traditioneel het moment waarop de vrijwilligers zichzelf moeten overwinnen. De meesten hebben nog nooit een volwassene ververst en sommige van onze jongeren beginnen klaaglijk te schreeuwen wanneer de vrijwilliger hen uit hun stoel heft en op de verzorgingstafel legt. Ik zie verzorgers in slow motion bewegen terwijl ze hun jongere sussend toespreken, zoals ze een baby of een kat zouden lokken. Hun jongere schreeuwt het nog steeds uit.
Happiness sust niet.  Ze trekt de riemen los die Andy vasthouden, de velcro’s scheuren open, het takkenkind valt tegen haar aan. Zijn harde hoofd landt in haar vlezige schouder, er loopt een beetje kwijl over haar T-shirt. Happiness heft hem uit de stoel en legt hem in één haal op de verzorgingstafel als een stuk hout op het kapblok. Naast haar zijn de andere vrijwilligers in vreemde poses verwikkeld met hun beschermeling. Hun jongeren hangen half over de verzorgingstafel, de armen bengelen over de tafel. Happiness grijpt achter haar rug naar de luier die klaarligt, duwt Andy’s benen naar omhoog en schuift de luier eronder. In een paar bewegingen heeft ze het geflikt: Andy heeft een nieuwe luier aan. Hij kirt van plezier en laat zich gewillig zijn broek aandoen.
‘Jullie wachten te lang’, zegt Happiness tegen de vrijwilligers die haar verbaasd nakijken. ‘Het is zoals met katten, je moet ze vastgrijpen nog voor ze iets in de gaten hebben.’
Ze draait zich om naar me en zegt half-cynisch:
‘Zeg nu zelf, was ik geen goede moeder geweest?’
Na de opmerking over de katten, durf ik haar niet te complimenteren met de andere vrijwilligers erbij, maar als we de kamer uitgaan, fluister ik in haar oor:
‘een fantastische moeder.’
‘Wat staat er nu op het programma, wanneer gaan we eindelijk iets leuks doen?’
‘We gaan nog even wandelen, daarna eten we en dan is er een zangstonde.  Om negen uur gaan ze slapen.’
‘ Ok, daar gaan we, schat’, ze duwt Andy fors vooruit. We lopen in een kolonne de vijver rond, nemen wat foto’s van de kinderen.
Het eten valt niet mee, Andy houdt niet van gehaktballen in tomatensaus en schudt steeds zijn hoofd. ‘Komaan, schatje.’, zegt Happiness, maar ik zie dat haar geduld het begeeft. Ze laat het hoofd hangen en Andy giert, er zit saus op zijn wang.
‘Laat maar’, zeg ik, ‘het is toch tijd voor de zangstonde.’
Happiness snuift wanneer de begeleiders de kinderliedjes aanheffen en die te grote kinderen allemaal beginnen mee te zingen. Ze playbackt wat mee tot de slaap het van haar wint. Ze dommelt in. De kinderen zingen verder. De zangstonde eindigt en iedereen applaudiseert voor zichzelf en voor de anderen. Happiness schrikt wakker.
‘Wat een slaap’, zegt ze.
‘De eerste dag is altijd de zwaarste’, zeg ik.
‘Mag ik nu naar mijn kamer?’
‘Je mag.’
Ze hijst zich recht. Elke vrijwilliger heeft een kleine cel gekregen in het kasteel, de kamers waar de dienstbodes vroeger logeerden. Als ik om tien uur ’s nachts voorbij de kamer van Happiness loop, hoor ik hevig gesnurk.
De volgende dagen verlopen volgens een vaste routine, ochtendhygiëne, ontbijt, activiteit, middageten, activiteit, avondwandeling, avondeten, zangstonde.
Happiness kwijt zich met dezelfde degelijkheid van haar taken, maar de uitdrukking op haar gezicht wordt somberder, ze kan haar afkeer moeilijk verbergen wanneer ze weer eens een luier ververst.
‘Het is de eerste keer dat je hier hebt op ingeschreven’, zeg ik, ‘waarom ben je meegekomen?’
‘Dit is mijn enige kans op vakantie’, zucht ze, ‘ik knoop een heel jaar de eindjes aan elkaar’.
‘Morgen gaan we naar Metz, op stadsbezoek met de groep. Dat vind je vast fijn.’
‘Ja.’, zegt Happiness zonder enthousiasme. Ze keert zich om en gaat naar haar kabinet, waar ze waarschijnlijk meteen in slaap valt.
’s Morgens gaan we meteen na het ontbijt aanschuiven bij de bus. Het duurt weer een hele tijd om iedereen in te laden. Happiness zucht om de paar minuten. Als ze tegen Andy praat, blijft ze vrolijk, een vrolijkheid die steeds kunstmatiger wordt. ‘Waar gaan we naartoe? Naar de stad, schatje!’
Ze kijkt de hele busrit uit het raam. De busschauffeur neemt de snelweg, die is afgezet met panelen, Op een koolzaadveld na is er weinig te zien. Andy schreeuwt nog steeds van vreugde. Happiness grinnikt wat cynisch.
In Metz stoppen we aan de rand van het station. Het plein voor het station is proper, de zandstenen façades doen zuiders aan. Met wat zonlicht erop schitteren ze nog meer, hun beige weerkaatst in het licht. Er zijn overal terrasjes, met ronde tafels en metalen stoelen. De tram is hypermodern en glijdt gracieus en haast geluidloos over het plein.  Een paar van onze kinderen wijzen gefascineerd naar de militairen die voor het station de wacht houden. ‘Net Parijs’, zucht Happiness. Ze bekijkt alles met grote ogen.
We nemen een brede laan en maken een bocht tot we bij een vierkante tuin uitkomen. Een van de aandachtstrekkers in Metz is de straatverlichting, een moderne versie van de oude straatlantaarns. Happiness kijkt bewonderend naar boven terwijl de jongeren elkaar aanporren in hun rolstoel.
We wandelen langs de oevers van de Moezel die de stad in twee verdeelt. De kaaien monden uit in een stadspark, waar de kinderen kunnen zonnen. We zingen een lied met hen, deze keer zingt ook Happiness een paar woorden van het refrein mee, uit volle borst. ‘Vrolijke vrienden, dat zijn wij!’ Tegen de achtergrond zien we in de verte de kathedraal. Het gaat een eind omhoog voor we de kathedraal bereiken. De vrijwilligers moeten hard duwen, maar uiteindelijk staan we aan de voet van de kathedraal, waar waterspuwers de vorm van dieren aannemen. ‘Koe’, schreeuwt één van onze kinderen, en hij wijst naar boven.
’s Avonds gaan we naar een restaurant waar ze ons kennen, er is een zaaltje voor ons en de kinderen. We kiezen er wat eenvoudigs voor de kinderen, vol-au-vent met frietjes. Happiness vraagt wat hors d’oevre’ betekent. Ik leg haar alles uit. De koude rundstartaar vindt ze vies. ‘Koud vlees, nee maar!’ Uiteindelijk bestel ik voor haar de ‘canard en croûte de sel’ en een glas witte wijn. ‘Het is op onze kosten, geniet ervan’. Het grote gerecht komt aan, een immense korst met daarin de eend. Ik zeg haar hoe ze het ding moet aansnijden. Ze kijkt er vol verwachting naar alsof ze een cadeau opent, de sneetjes eend zijn klein zegt ze, de smaak is een beetje raar. Ze nipt van haar glas wijn als een dame en glundert.
Na het eten komt er een accordeonist spelen. Happiness staat recht en begint naast de accordeonist te dansen. De andere vrijwilligers kijken wat afwachtend, maar Happiness merkt er niks van. Ze zwaait met haar heupen, gaat de tafel rond, neemt de handen van de kinderen vast om hen te doen dansen. Ze houdt haar hand achter haar hoofd, ze lacht sensueel. De kinderen genieten. Ze is de beste animator die we ooit hadden.
We applaudisseren. Ze buigt, gaat zitten en verzinkt even later terug in haar eigen wereld bij haar glas wijn.
Als ze Andy terug naar de bus duwt, zegt ze nog ‘dat was een mooie dag’. De rest van het traject legt ze zwijgend af. In het kasteeldomein trekt ze meteen naar haar kamer. ‘Slaapwel’, zegt ze kort. ‘Slaapwel, Happiness’, antwoord ik. Ik blijf nog wat in de tuin zitten, samen met de andere vrijwilligers. Ze vragen naar Happiness, ik zeg dat ze al is gaan slapen en ze roddelen over haar humeurigheid. Ik kijk even naar het hoge venstertje waar ze achter zit. Ze opent het even en zwaait ons toe in haar nachtjapon. ‘Slaapwel, lieverds.’
De volgende ochtend heeft ze een wit kleed aan, daarmee zal ze de hele busrit doen. Ik vind het zonde, maar zeg haar dat het een mooi kleed is. ‘Dank je’, zegt ze, ‘soms moet je het wat mooier maken dan het is.’ Haar vettige lach doet Andy schudden van plezier.
Het witte haar van Andy op de witte jurk van Happiness, ze lopen vloeiend in elkaar op de Instagramfoto die ik net nam. Allebei liggen ze gelukzalig te slapen op de derde rij van de bus.
Ze schrikt wakker, met een diep gesnurk. Wat later zegt ze me: ‘Weet je Ilse, misschien zoek ik toch nog maar eens een man.’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch