Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Hazenorakel

Door Peter Kerklaan

‘Je doet je beter voor dan je bent,’ sprak de haas. ‘Weet je dat?’

Voorovergebogen over mijn fietsstuur had ik het dier al van verre gezien, kaarsrecht overeind op het stoppelveld achter de driesprong waar ik rechtsaf moest, de kop met pollepeloren onbeweeglijk op mij gericht. Hoewel ik achterop mijn tijdschema lag en onderweg stoppen een doodzonde vond, had ik toch in de remmen geknepen. Een haas zie je niet elke dag, zeker niet een die blijft wachten terwijl je recht op hem af komt rijden. Ik tilde de racefiets over een greppel en zette hem voorzichtig tegen de prikkeldraadafscheiding. De helm klikte ik los en legde ik op het zadel. De zonnebril bleef op. We stonden op een paar meter afstand van elkaar aan beide zijden van het hek. Dat wil zeggen ik stond, hij zat.

‘Hoe dat zo, haas?’

Als een vraag je van je stuk brengt is de tegenvraag het beste antwoord.

‘Ik ken jou. Je doet aardig tegen ze, maar in feite veracht je ze.’

De directheid van de woorden overviel me, meer nog dan de aantijging zelf. Het was het tegendeel van de taal die ik zelf gewoonlijk bezigde.

‘Wie zijn ‘ze”, vroeg ik, want afgezien dat ik zo snel geen reactie wist waarmee ik kon terugslaan, wilde ik het dier aan de praat houden. De mobiel brandde in het zakje op de rug van mijn met sponsornamen bedrukte shirt. Een YouTube filmpje van een pratende haas zou zeker viraal gaan.

‘Gaan we er een spelletje van maken? Ik bedoel de mensen om je heen. Je voelt je beter dan elk van hen: je vrouw, je vrienden, je cliënten. Je kijkt op iedereen neer.’

‘Wat weet jij daar nou van? Ben je helderziend, een hazenorakel of zo?’

‘Elke week flits je hier langs in je dure racepak, voor niets en niemand heb je oog. Ik hoor je schelden en schreeuwen als fietsers voor je in de weg rijden en tegenliggers in jouw ruime bocht op de driesprong dreigen te komen. Weet je nog die ene keer?’

‘Welke keer?’

‘Toen je die twee tieners de sloot in reed en gewoon door racete.’

‘Dat was hun eigen schuld, beste haas. Die pubers namen het hele fietspad in beslag. Net als oudjes op hun e-bikes. Ze denken dat de hele weg van hun is.’

‘Niet gemerkt dat ze samen elk een oortje in hadden en luidkeels de muziek meezongen? Ze konden je niet horen.’

‘Nou en? Moesten ze maar opletten. Het fietspad is ook van mij.’

‘Hoor je jezelf praten? Dat bedoel ik nou. Mijnheer denkt dat de hele wereld van hem is. En zet dat akelige spiegelding af. Ik zie je ogen niet.’

‘Waarom zou ik dat doen?’

‘Dat je dat niet snapt is precies waar het om gaat. Zo praat je niet met iemand. Het staat voor hoe jij naar anderen kijkt en jezelf nooit laat zien.’

‘Ben jij soms bang jezelf te zien, haas?’

Het beest verwaardigde zich niet te antwoorden. Ik duwde de oranje reflecterende fietsbril omhoog tot boven op mijn hoofd. Twee bruine hazenogen boorden zich ogenblikkelijk in de mijne zodat onze blikken verklonken. In de zwarte pupillen zag ik een leegte, een groot niets dat mij naar binnen zoog, verder en dieper dan ik ooit had ervaren. Het was beangstigend en aangenaam tegelijk. Met moeite maakte ik me los van zijn blik.

‘Moet jij niet over het veld rennen of zo? Wat ben je eigenlijk, een moerhaas of een rammelaar? En waar is je leger?’

‘Ach, racemeneer heeft kennis van onze soort. Doet dat er toe, wat mijn geslacht is en waar ik woon? Doen die er bij jou toe, als je niet eens weet wie je bent? Waarvoor dient kennis als je geen zelfkennis hebt?’

‘Je bent getikt haas, wat weet jij van mensen? Waarom sta ik hier met jou te praten?’

‘Ja waarom? Je had kunnen doorrijden, maar dat heb je niet gedaan. Je bent afgestapt en nu sta je naar mij te luisteren.’

Inderdaad, ik had kunnen doorrijden. Op hoge snelheid mijn vrijdagmiddagrondje door de polder voltooien, een ritje dat zoals alles in mijn leven keurig was afgepast. Normaal gesproken heb ik op de racefiets voor niets anders oog dan de tijd waartegen ik rij. Vandaag gebeurde iets wat mij nooit overkomt: de gedachten dwaalden af naar de afspraak met de laatste cliënt. Het coachgesprek verliep grotendeels zoals altijd. Vragen naar bekende wegen waarop voorspelbare antwoorden kwamen, over een bozige relatie met ouders en problemen met de partner, eindigend in onvermijdelijke tranen die ik onbewogen aanzag. Zoals voor veel van mijn cliënten was ik de pitstop in haar leven, tweewekelijks een uurtje bijtanken en weer verder geduwd worden, terug de ratrace in. Op het eind zei ze iets wat aan mijn huid bleef kleven. Eenmaal op de fiets lukte het niet om haar woorden in de wind te laten verwaaien.

‘Ha, ik heb je door haas,’ zei ik. ‘Je probeert mij met botte opmerkingen te ontregelen, ik ken die techniek.’

De hazenogen keken dwars door mij heen, overzagen alles, schouwden in een flits mijn hele leven. De blik brak het af tot kleinzielige gedoetjes, egotrippende bezigheden en vooral veel woorden, oneindige slingers van woorden waarmee ik iedereen insnoerde in plaats van ruimte gaf, mezelf incluis.

‘Wat zei die vrouw tegen jou?’

‘Wat gaat jou dat aan? Dat is privé, man. De relatie tussen coach en cliënt, ik kan het niet genoeg benadrukken, is gebaseerd op vertrouwen.’

‘Ze had het over jou, niet over zichzelf,’ zei de haas. ‘Dan is vertrouwelijkheid relatief, nietwaar. Nou?’

‘Houd toch op zeg. Er is niks gebeurd. Ze is opgekikkerd vertrokken, nou goed?’

In werkelijkheid kregen we woorden op het eind. Ik had slecht geluisterd, haar maar door laten razen. Ze zei dat ik haar verachtte, wel moest verachten omdat ik in wezen bang ben voor alle emoties die ze eruit gooide.

De haas bleef mij aanstaren.

‘Klopt het dat je haar maar liet praten en dat ze op het eind iets zei wat jou niet beviel? Dat jij haar eigenlijk verachtte?’

‘Je bazelt maar wat, haas. Klok en klepels, weet je wel.’

Ik wilde beginnen aan een uitleg waarom niets klopte van dat verachten, dat er nu eenmaal gesprekstechnieken zijn waarin iemand lang aan het woord laten een ontladende, ja bevrijdende functie heeft. Mijn mond weigerde, voor het eerst in mijn coachbestaan. Ik gooide de armen in de lucht.

‘Goed, ik was verveeld. Altijd dezelfde ellende aan moeten horen, je wordt er gek van. Maar je weet toch alles al, haas. Waarom vraag je het dan?’

Het dier keek opzij naar een groep ruziënde kauwen die bezit namen van het veld. Nu was de kans, straks ging het beest rennen en dan was ik te laat. Mijn hand verdween in het achterzakje juist toen de kop terugdraaide. De haas leek de veranderde lichaamshouding te bemerken, want zijn ogen lieten de mijne los en tastten het bontgekleurde fietstenue af.

‘Iemand moet de vragen stellen als je het zelf niet doet. Maar neem gerust ons gesprek op als je zo nodig moet. Ik wacht wel.’

In één vloeiende beweging pakte ik de mobiel, schoof hem tussen mijn gezicht en het dier en stelde het beeld scherp op het puntje van de hazenneus.

‘Zeg ‘s wat haas,’ riep ik en ik drukte op de videoknop. Mijn stugge handschoenen moeten de selfieknop per ongeluk hebben aangeraakt, want alles wat ik zag was mijn eigen verbaasde en vervolgens ontstelde blik. Toen de fout was hersteld liet het schermpje niets anders dan grauwe stoppels zien. Ik liep een tiental meters langs het hek heen en weer maar het dier was nergens te bekennen. Zonder bewijs zou niemand geloven dat ik een sprekende haas had ontmoet. Erger nog, ik begon te twijfelen of ik hem wel echt had horen praten.

‘Hé angsthaas, waar blijf je nou?’ gilde ik. ‘Je doet je wijzer voor dan je bent, weet je dat?’

Ik schrok van mijn eigen stem en keek om me heen. Achter mij stond een groepje fietsers stil. Iemand wees op zijn voorhoofd. Ze keken zwijgend toe hoe ik mijn helm opzette en de racefiets naar de weg tilde, voor ze een voor een weer opstapten. Eenmaal zelf in het zadel had ik geen idee waar het heen moest. De wielen van mijn fiets bleven rondjes draaien over de driesprong, traag als een surplace. Ging ik mijn vrijdagrondje nog afmaken? Dat was de afspraak met mezelf. Ik boog voorover en zette aan. Maar er was geen overtuiging, geen kracht. Bij het volgende kruispunt keerde ik om en fietste nogmaals langs het veld. Daar was nog steeds geen haas te bekennen. Terug bij de driesprong wist ik het zeker. Ik moest rechtdoor, een nieuwe route inslaan. Het kon me niet schelen dat ik te laat op de volgende afspraak zou komen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch