Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Heenreis

Door Lotte van Limburg

Een fontein van waterdruppels spat omhoog als ik mijn rugzak neer laat ploffen op het perron. Zelf ben ik ook doorweekt. Mijn broek zit vastgeplakt aan mijn benen. Zelfs mijn robuuste ANWB-wandelschoenen zijn blijkbaar niet waterdicht; ik hoor het soppen van mijn sokken bij elke stap. Maar hier kan ik eindelijk even schuilen. Ik ben halverwege mijn wandeltocht en heb nog heel wat kilometers te gaan.

Het stationnetje ligt er verlaten en vervallen bij. Het moet eeuwen geleden zijn dat hier de laatste trein stopte. Tussen de bielzen staat het onkruid bijna een halve meter hoog. Het enige bankje, met uitzicht op spoor 2, is waarschijnlijk in een ver verleden glanzend gelakt geweest. Ik glimlach om mezelf als ik tevergeefs de klink van ‘Wachtkamer Tweede klas’ indruk. Wat had ik dan verwacht? Dat ik me hierbinnen zou kunnen drogen en warmen? Aan de andere kant van het gebouwtje zijn de glas-in-lood raampjes gesneuveld. De planken waarmee ze ooit zijn dichtgetimmerd, zijn vermolmd. Als ik de hoek om loop, vouwt een spinnenweb zich kleverig om mijn gezicht.

‘Goedemorgen,’ klinkt het opgewekt, als ik, nog worstelend met het spinrag, weer richting mijn rugzak loop.

Een oude man in een zwart uniform zwaait naar mij. Met een stopbord zoals ik het ken van het conducteurtje spelen vroeger.

Oei, ik heb mijn bagage onbeheerd achtergelaten. Nu zwaait er ook figuurlijk wat, schiet het door mij heen.

Maar de conducteur kijkt vriendelijk en als ik dichterbij ben lacht hij zelfs. Met zijn tandenloze mond doet hij mij onmiddellijk aan de opa uit Flodder denken. Het uniform moet een museumstuk zijn.

‘Goedemorgen,’ herhaalt hij. Hij tikt bij wijze van saluut met zijn stopbord tegen de klep van zijn pet. ‘Welkom. De trein kan elk moment komen. U bent mooi op tijd.’ Hij trekt aan het kettinkje op zijn buik en haalt een zakhorloge tevoorschijn.

‘Rijdt hier dan nog een trein?’ vraag ik ongelovig. Ik wijs naar het spoor, dat nauwelijks meer zichtbaar is in de jungle van gras en zevenblad.

‘Wat denkt u? Anders zou ik toch geen werk meer hebben?’ Zijn blik is nu ernstig en gaat van het horloge naar de grijze horizon, waar de rails in een punt bijeen komen.

‘Maar… het is hier zo rustig.’

‘Ja, er gaan tegenwoordig minder mensen met de trein. Ze hebben bijna allemaal een automobiel, hè?’

In welk tijdperk ben ik terecht gekomen?

‘Elke morgen kom ik hier. Ik moet er zijn als de trein komt. De wissels moeten omgezet worden. En ik geef het sein voor vertrek.’ De man heft het bord weer omhoog, nu met de groene kant naar voren.

‘Wanneer kwam de trein hier voor het laatst?’ vraag ik voorzichtig, in een poging om mee te gaan in de belevingswereld van de bejaarde. Hij kijkt weer op zijn horloge. Dan kijkt hij peinzend naar mij. ‘Dat zal een paar jaar geleden zijn, misschien. Vijf? Of vijfentwintig? Vijftig? Wat denkt ú?’ Zijn stem wordt bij elk volgend woord zwakker en onzekerder. Zijn mondhoeken trekken triest naar beneden en zijn blauwe ogen worden nog wateriger dan ze al waren.

‘Ach,’ zeg ik. Meer kan ik niet verzinnen. Een gevoel van medelijden golft door mij heen. Het liefst zou ik de conducteur bij zijn arm pakken en hem terugbrengen naar zijn kamer in het verpleeghuis. Maar ik zie in de verste verte geen bebouwing. Zoekend kijk ik om mij heen. Dit is onverantwoord, waarom is er geen begeleider bij deze demente man. Flauw, maar ik denk het toch: hij is het spoor volkomen bijster.

Zouden ze dit bij mij thuis geloven?

De treinenman tuurt opnieuw in de verte. ‘Hij zal mij zo wel komen halen.’ Het klinkt verlangend.

‘Ik hoop dat het mijn laatste rit is.’ Een diepe zucht. ‘Ik ben zo moe.’

Gaat dit nog steeds over de trein?

Een klaterende slagregen vult de stilte in onze conversatie op.

‘Wacht, ik maak een foto van u.’

Hij kijkt mij niet begrijpend aan. ‘Omdat u er zo mooi uitziet in dat antieke, eh… ik bedoel bijzondere uniform,’ leg ik uit. Ik ben trots op mijn ingeving: misschien is het goed voor zijn gevoel van eigenwaarde. Als een fan die een selfie maakt met haar idool. En ook niet onbelangrijk: het levert bewijsmateriaal op voor mij. Een illustratie bij een aandoenlijke anekdote.

Mijn mobiel, waar heb ik die gelaten. In een van de zijvakjes van de rugzak, maar welke ook weer. Ik til de tas op en neem hem mee naar het bankje verderop, om daar een voor een de zijkanten te fouilleren. Of misschien was het toch een van de voorvakken.

De regen zwelt aan tot een oorverdovende stortbui. Het stationnetje is opeens gevuld met een muur van geluid, waarin met enige verbeelding het geknars en gepiep van ijzer is te ontwaren. Een stoomfluit, gesis, kedengedeng. Mijn fantasie trekt mij helemaal mee.

Een deur slaat dicht. Ik kijk over mijn schouder en zie nog net het silhouet van de conducteur achter het raampje van de locomotief. Hij steekt zijn bord omhoog als laatste groet.

Hebbes!

Met mijn mobiel in de hand staar ik naar een leeg perron.

Een witte pluim van stoom lost op in de regenwolken achter de heuvels.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch