Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Helder licht

Door Aileen van den Brink

Jelle weet niet veel, maar hij weet dat oorsmeer weghalen noodzakelijk is. Het jeukt.
De mensen voor hem lopen niet door. Zijn hoofd zit zo vol, dat het hem duizelt. Hij zoekt naar een toilet, maar ziet alleen grafstenen.
Als hij van huis is en niets bij de hand heeft, rolt hij een stuk toiletpapier op tot een langwerpig rolletje waarmee hij in zijn oor priegelt. Thuis gebruikt hij het liefst een wattenstaafje; simpel en effectief.
In gedachten rolt hij een toiletpapiertje op. Daardoor stapt hij per ongeluk op de hielen van een meisje voor hem.
‘Het spijt Jelle,’ zegt hij.
‘Geeft niet. Waar kende jij Adam van?’
Met opengesperde ogen staart hij naar de roze ballerinaschoenen naast zijn afgetrapte Adidasjes, die hij had uitgezocht vanwege de stellige, zwarte lijnen.
‘Jelle kende hem van werk,’ antwoordt hij. ‘Maar toen werd Adam ziek.’
De roze schoenen schuifelen in de rij naar voren. De huid van haar wreef is rood van de kou.
‘Persoonlijk,’ begint ze. ‘Ja, dat zal ik eerlijk zeggen, persoonlijk kende ik Adam niet zo. Ik woonde hier gewoon in de buurt. Maar jij kende hem dus van werk?’
‘Gemeentewerk. Nu heeft Jelle geen werk meer. De baas zei dat Jelle “niet snukker” was. De meeste mensen zeggen dat Jelle “geen helder licht” is. Jelle weet niet veel, snapt u.’
Hij kijkt naar het gezicht van het meisje. Ze is jonger dan hij. Rond de twintig. Haar haar zit wild, alsof het niet te temmen valt. Er zit een stukje zeewier in. Ze draagt kleurrijke kleding. Het lijkt alsof ze daarmee zegt dat ze hier niet thuishoort.
Jelle krijgt het gevoel dat hij haar eerder heeft gezien.
‘Ik zal je eens wat vertellen,’ zegt ze. ‘Mijn beste vriend is tegenwoordig een helder licht, maar daar heb ik niets aan. Trouwens: wat voor werk deden Adam en jij?’
‘Adam en Jelle deden plantendienst.’
‘Plantsoenendienst?’
‘Ja.’
Ze steekt haar hand uit. ‘Ik ben Iris trouwens.’
Jelle schrikt. Zijn rechterarm houdt hij stijf tegen zijn lichaam, maar zijn hand maakt iedere paar seconden een grijpbeweging.
Door de tic kan hij haar hand niet schudden. ‘Jelle,’ zegt hij daarom.
‘O ja.’
‘Jelle weet hoe een Iris eruit ziet,’ zegt hij trots.
Ze schuifelen naar voren. Jelle zet zijn voet buiten het pad, richting de aula. Hij fantaseert over schone oren, maar ziet dat Iris verder loopt. Hij draait zijn voet terug en volgt haar ballerina’s.
Een leeg graf is pijnlijker dan een gevuld graf.
‘Dat vindt Jelle ook,’ zegt hij terug.
Iris kijkt hem vragend aan.
‘O,’ zegt hij. ‘Jelle is gevoelig. Niet iedereen snapt hoe het werkt.’
Het oorsmeer kriebelt; het moet eruit. Hij bijt zijn kiezen op elkaar.
‘Weet je, ik hou van deze omgeving,’ zegt Iris. ‘Maar ik lig tegenwoordig alleen op het strand.’
‘Het is winter,’ zegt Jelle.
‘Het is winter,’ herhaalt Iris. Ze kijkt naar de kist, die gedragen wordt door mannen in pakken. Het is een dure kist, want het hout glimt.
De bloemen op de kist hebben niet Jelles favoriete kleuren. Hij en Adam verzorgden ook nooit witte bloemen.
Jelle vindt Iris slim. Ze heeft gelijk: een leeg graf is pijnlijker dan een graf met een glimmende kist en bloemen.
Zijn oor jeukt zo erg dat hij kippenvel krijgt. Hij balt zijn handen tot vuisten.
Dit overkomt hem in steden. Daarom werd zijn werk in het aangrenzende dorp hem al gauw te veel. Op een dag begon hij middenin een plantenperk te schreeuwen. Eerst alleen onverstaanbare kreten, daarna smeekbedes aan de gedachten in zijn hoofd. Hij vroeg ze om ‘alstublieft te stoppen’.
Jelle’s baas had nog nooit zoiets meegemaakt. Hij vond zijn onvoorspelbare gedrag beangstigend en ontsloeg hem. Adam en Jelle bleven elkaar zien en praatten over planten, totdat Adam te ziek werd.
Vandaag is de begraafplaats vol van gedachten over Adam. De normalen steken elkaar ermee aan. Gedachten over de dood zijn zelfs voor hen feilloos aan te voelen. Net als wanneer een trein voorbij raast aan het perron. Dan plukken ook de normalen elkaars gedachten over wat er zou gebeuren als ze springen, vallen of geduwd worden.
Er is iemand die herhaaldelijk om een laatste afscheid smeekt. Jelle focust zich, zodat hij kan peilen waar deze gedachte vandaan komt. Hij speurt de gezichten af en laat zijn blik rusten op Adams moeder, een vrouw met gepermanent haar die met gesloten ogen inbeeldt dat ze hem een laatste knuffel geeft.
Jelle kijkt naar het graf. De kist hangt erboven.
Ondertussen leidt zijn hand een eigen leven. Hij houdt zijn arm tegen zijn lichaam, maar zijn hand plukt. Met een subtiele draai-en-grijpbeweging haalt zijn hand de gedachten uit de lucht. Een beetje zoals je de blaadjes van een madeliefje voorzichtig één voor één lostrekt. Het zijn zulke precieze bewegingen dat de meeste mensen ze nooit opmerken, hoewel Jelles hand continu plukt.
Iris overstemt alle gedachten in zijn hoofd. Zelfs die van Adams moeder. Hij vindt het vreemd dat Iris niet aan Adam denkt. Jelle wil haar volume terugdraaien. Maar zo werkt het niet.
Hij voelt zijn oksels zweterig worden en probeert van de dood af te denken. Als zijn gedachten gelijk gaan lopen met de groep, kan het hem teveel worden. Daarom begint hij ook nooit een zin met ‘ik’; dat doen de stemmen in zijn hoofd al.
Hij ritst zijn winterjas open. Onder zijn trui zijn de contouren zichtbaar van een ketting die de vorm heeft van een dromenvanger.
Als kind ontdekten zijn ouders dat Jelle rustig wordt van dromenvangers. Het was een toevalstreffer. Als baby bleef hij maar huilen en sliep nooit, totdat ze een muziekmobiel in de vorm van een dromenvanger boven zijn bed hingen.
Jelle doet een stap naar achteren en loopt van de dood af. Zijn rechtervoet glibbert over de gevallen bladeren die de bomen hebben gehuild. Hij kan een blad gebruiken om zijn oorsmeer weg te halen, maar doet het niet.
Tegenwoordig hangt Jelles slaapkamer vol met dromenvangers. Je kunt het behang bijna niet meer zien. Aan zijn plafond hangt één grote, precies boven zijn bed.
De dromenvangers nemen gedachten op, maar toch weten de allersterksten hun weg naar Jelle te vinden. Daardoor slaapt nooit aan een stuk door. Soms wordt hij wakker van het gekriebel van oorsmeer dat zich millimeter voor millimeter als een slak een weg naar buiten glibbert door de wandelgangen in zijn oor. Dan heeft hij te veel gedachten van anderen, kan zijn hoofd het niet aan en sijpelen ze naar buiten.
Jelle is niet het enige toevluchtsoord voor gedachten. Er zijn er meer zoals hij. De ideeën hangen in de lucht en de gevoeligen plukken ze. Daardoor zijn er zonder communicatie op verschillende werelddelen tegelijkertijd piramides gebouwd.
Niemand kan overigens een gevoelige worden. Je kunt het niet leren of trainen. Sommige mensen zijn gevoeliger voor gedachten, net zoals anderen vaker ziek zijn. Dat is nu eenmaal zo.
‘Jelle gaat naar het toilet,’ zegt hij als de kist op de aarde ligt.
‘Ze gaan net -,’ zegt Iris, maar Jelle rent al naar de aula.
Op het toilet rolt hij toiletpapier op en duwt het in zijn oor. Wanneer hij het eruit trekt, hoort hij een plop. Hij kijkt naar de smeuïge substantie. De kleur neigt naar donkeroranje; het is oud smeer.
Hij herhaalt het verwijderproces voor zijn andere oor.
Wanneer Jelle teruggaat naar het graf, komt een stroming mensen hem tegemoet die koffie gaat drinken.
Hij loopt stug door naar het graf. Hij kijkt naar de bloemen op de kist.
‘Dag Adam,’ zegt hij. Automatisch maakt zijn hand een plukbeweging, maar Adam heeft geen gedachten. Doden geven zich volledig over aan de wereld hierna. Tenminste, wanneer ze een vredige dood sterven.
Jelle gaat op zoek naar Iris. Hij loopt naar de aula. Ze voelt dichtbij, maar hij ziet haar nergens. Een leeg graf is pijnlijker dan een gevuld graf, klinkt de echo van haar stem in zijn oren.
Jelle glimlacht als hij aan Iris denkt. Ze leek hem aardig te vinden, ondanks dat haar vriend een helder licht is.
Toch kent hij die wilde haren ergens van.
Ja, van de krant.
Hij gaat op een stoeltje zitten en pakt zijn iPhone. Als het in de krant staat, staat het ook op internet. Net alsof het internet van de krant plukt.
Hij vindt een nieuwsbericht.
Jelle wrijft over zijn oren. ‘Jelle plukt nooit hele meisjes,’ zegt hij hardop.
‘Wat -?’ vraagt een oude man naast hem.
‘Jelle had het kunnen weten, als hij snukker was geweest.’
De man kijkt argwanend, opent zijn mond om iets te zeggen, maar besluit weg te lopen.
Iris heeft haar gedachten niet overgegeven aan de dood. Op Jelles telefoon staat het nieuwsbericht: ‘Iris (19) uit Scheveningen vermist’.
Jelle neemt zich voor het te vertellen aan de chaffeur van het busje dat hem komt ophalen. Hij wil het op zijn minst proberen.
Maar hij weet dat de kans klein is dat hij geloofd wordt.

6 reacties

Majke

zondag, 11:27

Knap geschreven verhaal dat intrigeert,

Groeten Majke

suzan

dinsdag, 09:09

Beste Aileen,
Met Jelle heb je een levensecht karakter geschapen; Hij heeft een heel eigen manier van praten, dat vind ik erg leuk. Door de woorden die Jelle gebruikt, ga ik zelf meevoelen hoe ingewikkeld de wereld eigenlijk is. Verder geven de metaforen die je gebruikt een erg mooi sfeerbeeld. Je hebt een verhaal geschreven dat heel vlot leest.

hagar

zondag, 19:27

mooi hoe het wattenstaafje het verhaal vasthoudt! fijn!

Aileen van den Brink

Auteur zondag, 09:18

Bedankt Hanneke en Anneke!

@Editio: wat jammer dat de inspringingen het niet doen! Als ik dat had geweten, had ik misschien witregels kunnen toevoegen. Helaas is het niet meer aanpasbaar. Toch veel plezier met lezen.

Anneke

zaterdag, 16:05

Goed verhaal! Spannend!!

Hanneke

zaterdag, 15:45

Wat een verhaal! Kippenvel! Een verhaal om twee keer te lezen!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch