Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het bezoek

Door Willem Jan Frijling

Op de dag dat Gijs zijn moeder volgens afspraak bezocht, was het meer broeierig dan warm. In de grijsblauwe lucht dreven wittige wolkjes over; het weer was zeer acceptabel. Bovendien had zijn moeder een aardige tuin met een gazonnetje, ze zouden buiten kunnen zitten. Niet alleen zou hij langskomen, maar hij zou ook bij haar eten.
Gijs had besloten nog niet over Grieta te vertellen. De tweeëntwintig dagen samen vond hij daarvoor te kort. Zijn moeder was, als het over zijn keuzes in het leven ging, niet erg solidair met Gijs.
Een paar jaar geleden, toen hij had verteld over zijn beslissing te gaan scheiden, was het enige wat zij toen zei: “Ach wat jammer. En ze had laatst nog wel zo’n snoezig jurkje aan. Daar was het bij gebleven en hij had zich gekleineerd gevoeld en was kwaad geweest.
De boosaardigheid, waarop hij vroeger reageerde op dat soort gebeurtenissen, was tegenwoordig veranderd in een beheersbare irritatie. Slechts de toon waarop zijn woorden dan werden geuit, verraadden zijn ongenoegen nog enigszins.
Ook van Margot, een andere vrouw waar hij tijdelijk iets mee had gekregen en die hij met zijn moeder had laten kennismaken, had zij nooit veel positiefs gezegd.
Nee, van zijn moeder had hij niets positiefs te verwachtten. Ook nu het serieuzer leek, dan hij zelf echt kon geloven, wilde hij voorzichtig omgaan met zijn nieuwe situatie.
Zijn moeder, Barbara, had indertijd, na de dood van zijn vader, diens rol, als ware het zijn trouwring, bij de hare gevoegd, wat vanuit de natuur van de ouderrollen een onmogelijke combinatie was gebleken. Zij werd degene die in het leven van Gijs, van wie hij te horen kreeg hoe en met wat hij het leven hoorde te vullen.
Maar een vader is meer dan een rol, zeker voor een puberende jongen en veel meer dan een regelaar. Gijs wist dat hij Barbara altijd, heel diep weggestopt, had verweten de vader te spelen. Op de zelfde manier als hij zijn vader verweet dat hij dood was.

Het was niet ver meer naar zijn moeder, drie kwartier tot een uur rijden vanaf Wolvega woonde zij en hij hield van autorijden. De tegenzin die Gijs voelde, was die tegen de ontmoeting met Barbara.
Toen Gijs aan kwam rijden en in het zicht kwam van het benauwd doodlopende straatje, waar iedereen een stuk gras met borders had, zag hij dat het gras bij zijn moeder kort geleden gemaaid was. Haar huis was het laatste aan de rechter zijde, de oneven kant.
Maaien hoef ik alvast niet te doen, dacht hij. Ook de borders zagen er redelijk goed onderhouden uit.
De deur ging al open voordat hij had aangebeld.
Gijs kuste zijn moeder op beide wangen en vroeg hoe het met haar ging. “Gewoon, gaat wel. Last van mijn knieën zoals altijd en mijn handen ook. Wat ben je laat.” Gijs hoorde zo’n verwijt van Barbara nauwelijks meer. Het was altijd het zelfde verhaal.
“Het is bij de buren trouwens nu heel spannend,” vulde zij nog aan. Zij ging er va uit, dat hij al van alles wist over de buren. Dat zou ook best kunnen. Hij had zich er wel eens op betrapt, dat hij niet erg goed luisterde naar de verhalen van zijn moeder.
Barbara liep naar de keuken. “Wil je koffie?”
“Ja, lekker, moeder,” reageerde Gijs, hoewel hij de oploskoffie die zijn moeder gebruikte, nooit zo lekker vond smaken. “Eén schepje suiker is genoeg.”
“Dat weet ik toch.”
De relatie tussen Gijs en zijn moeder was altijd al grillig geweest.

Gijs had zich nog tijdens zijn studie filosofie gerealiseerd, dat zijn opvoeding bestond uit toevalligheden. Veel was niet het gevolg van een planmatigheid. Niet alleen door de vroege dood van zijn vader, maar ook door toevallige ontmoetingen binnen de familie van zijn vaders kant. Vanzelfsprekend moest hij gaan studeren. Ook zijn kleding hoorde daar bij: stevige bruine schoenen, grijze broek. (Terlenka –bestaat dat nog?) Gijs kan het zijn moeder niet meer kwalijk nemen, dat zij haar oren naar de familie had laten hangen. Zijn ouders kwamen uit totaal verschillende lagen van de bevolking. Na het overlijden van haar echtgenoot bleek dat zijn moeder wel veel regeltjes geleerd had van hoe het hoort, maar in het hanteren van de kennis zonder veel bezieling was. Meer bevlogen was zij door de spookbeelden van wat “de familie” er allemaal van zou vinden.

“Dus de buren hebben ruzie?” vroeg Gijs niet echt geïnteresseerd. Hij schatte in dat zijn moeder wel een gewillig oor kon gebruiken.
“Ja, ik hoorde net af en toe geschreeuw. Dat doen ze anders nooit.” Ze haalde even diep adem. “Het moet hoog zijn opgelopen. En hij zou nog wel gaan vissen.”
“Ach, het zal wel loslopen, toch?” Ze kon goed overdrijven. Zeker het isolement. “Nog leuke vogels gezien?”
“Hier? Nou een meesje hooguit. Een enkele mus of kauw, meer heb je hier niet.”
Zijn liefde voor vogels had Gijs van haar meegekregen.
Hij had ongeveer twintig jaar geleden alle aangeleerde waarden en normen uit zijn geestelijke ruimte gebannen, om vervolgens alles wat niet bij hem hoorde ook overboord te houden. Alleen de principes die hem wel pasten bleef hij koesteren. Zijn interesse in vogels had het schone schip eveneens overleefd.
Wat hij ook niet los wilde laten, waren de bezoekjes die hij regelmatig
aan zijn moeder bracht. Nu niet uit het gevoel van verplichting, maar omdat zij er recht op had.

Hoe beperkt haar actieradius ook was, Barbara kende de wereld, wist echt hoe die in elkaar stak, vond ze. Zij spelde ten slotte de Telegraaf bijna woord voor woord. Daarbij keek zij veel televisie. Haar hulpje, Anne, vulde de nog aanwezige gaatjes in haar bestaan.
Gijs gaf geen cent voor haar wereldbeeld.
Barbara’s buren kregen vaak te horen hoe de wereld in elkaar stak. De buren maakten eveneens deel uit van haar dagelijkse beeld van de wereld.
Barbara probeerde altijd Jan, de buurman, met goede raad bij te staan. Jan was een schlemiel, was niet bestand tegen de terreur van het geloof, dat zijn echtgenote beleed, die Jehova Getuige was, en vertoonde allerlei vluchtgedrag. Het laatste was de reden dat hij vaak bij Barbara langs ging. Hij deed daar allerlei simpele klusjes, spitten, besproeien en ook verzette hij planten. Barbara vond hem erg beperkt, maar niet onaardig.

De tuin was altijd al een hobby van Barbara geweest. Dat was ook de reden dat zij van tijd tot tijd ruzie maakte met postbodes, die het waagden via de border naar de volgende brievenbus te stappen. De tuin was Gijs’ moeder heilig, maar er zelf in werken kon zij niet, daar was zij te zwak voor. De buurman hielp haar voor zover zij hem vertrouwde. Erg goed begreep Jan haar niet altijd vond zij.
Gijs stond met zijn moeder voor het raam aan de voorkant van het huis naar buiten te kijken. Niet voor het eerst praatten zij over de voetstap in haar border. “Maar u kunt daar toch een stoeptegel neerleggen? Er s genoeg plaats voor en het scheelt al die ergernis.” Gijs wist wel wat er ging komen.
“Oh nee. Ze lopen maar om, daar worden zij voor betaald, “ zei Barbara met verhoogde stem vanuit haar wereldbeeld. Ze nam een slok van haar koffie. “De dahliaknollen moeten de grond in, wil je mij daar mee helpen?”

Gijs had helemaal geen zin zijn moeder in de tuin te helpen. Het was te broeierig. Bovendien kwam het er op neer dat zijn moeder toezicht hield, terwijl hij het werk deed. Zo was het tot nu elke keer gegaan. “Kan Jan dat niet voor u doen?” vroeg Gijs.
Onwillekeurig keek zijn moeder in de richting van de tuin van de buren. “Met die ruzie daar in huis durf ik dat niet te vragen.”
“Hoe weet u eigenlijk dat hij zou gaan vissen?” vroeg Gijs nieuwsgierig.
“Ach ik praat wel eens met hem. Vanmorgen zei hij dat tegen mij. Ik heb wel een zwak voor hem. Hij heeft genoeg van zijn vrouw. Dat duurt al een tijdje. Miep ìs ook een vervelende vrouw hoor.”
Het verbaasde Gijs. Niet dat zijn moeder contact met een man had, maar dat het de buurman was waar ze min of meer mee optrok. Niets voor haar liberaal-intellectuele opvattingen.
“Kom.” Barbara wenkte Gijs. “Kom eens kijken.” Ze liep naar het schuurtje achterin de tuin. “Daar staat het krat met knollen. En daar,” ze wees naar de zijkant van de tuin. “Daar moeten zij in de grond.”
-Maar niet vandaag, dacht Gijs. Daarin kreeg hij gelijk.

Terug gekomen in de huiskamer klonk uit het buurhuis opeens een hoop gestommel, gevolgd door een woordloze schreeuw.
Barbara leek er doof voor. Haar gehoorapparaatjes had ze echter wel in, dat had hij al gezien.
Hij vond het best zo. Ze hadden er ook niets mee te maken.
Het gestommel in het andere huis was direct gestopt.
Moeder en zoon keken door het open raam opnieuw de tuin in.
De floxen en herfstasters waren al voorzichtig opgekomen. Gras was er niet te zien, maar het viel Gijs wel op dat er boterbloemen tussen andere planten stonden. Het wieden was dus Jans werk, dacht hij.
Gijs dacht aan Grieta, maar het beeld werd verstoord doordat hij de adem van zijn moeder plotseling hoorde stokken. Hij keek op.
De buurman stand als versteend in de tuin. Gijs vroeg zich af waar hij zo snel vandaan was gekomen. Gepaard aan een hijgerige zucht stamelde hij: “Barbara. Ze is dood, Miep. Help me.”

Barbara staarde naar het met bloed besmeurde keukenmes in zijn hand, richtte zich wat verder op, draaide zich om.
Tot verbazing van Gijs liep zij zomaar weg. Hij kon nog net haar woorden verstaan: “Hoe moet dat nou met de tuin?”
“Zelfmoord,” kermde Jan, “Miep heeft zelfmoord gepleegd.” Hij praatte tegen Barbara, die in het beeld van de tuin was verschenen. Gijs zag dat zij zich toen weer omdraaide en terugkeren naar de woning. “Gelukkig,” hoorde hij nog.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch