Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het Boekenbal

Door Harrie Adema

Monique maakt de envelop die de postbode zojuist heeft gebracht open. Ze is meteen enthousiast. ‘Wat leuk, we mogen naar het boekenbal,’ zegt ze. ‘Jij als spreker en ik als gast. Ik heb altijd al eens over een rode loper willen lopen.’

Mijn adem stokt op dat moment. Het duizelt me. ‘W-waarom ik?’

‘Omdat je een goede schrijver bent,’ zegt Monique. Ze gaat voor me staan omdat ik weg wil vluchten naar de veiligheid van mijn schrijvershok.

‘Laat me alsjeblieft gaan,’ smeek ik en geef haar een zoentje.

‘Wat kan er nu gebeuren. Laten we gewoon gaan.’

‘Ik weet dat ik me aanstel, maar het zit verankerd in mijn brein en verkleeft mijn denken. Ik kan het gewoon niet.’

‘En toch denk ik dat je het wel kunt. Wat is er nu leuker dan andere schrijvers te ontmoeten? Schrijven is je ding, daar hoort dit nu eenmaal ook bij.’

‘Ik durf niet,’ zeg ik en draai me om zodat ze mijn tranen niet ziet.

‘Je hoeft niet te rijden, want ik rij. Laat het gewoon gebeuren.’ Ze blijft proberen om me over te halen om toch te gaan.

‘Hou op, hou op, hou op!’ Ik bedek mijn oren met mijn handen. ‘Ik wil dit echt niet,’ zeg ik.

Monique legt haar handen op mijn schouders, draait me langzaam om en trekt me tegen zich aan. Haar haren kleven aan mijn natte wangen als ik mijn hoofd neervlij op haar schouder en me geborgen voel. ‘Het is goed,’ zegt ze en wrijft over mijn rug die schokt van het huilen.


Ondanks mijn tegenzin gaan we twee maanden later toch, ik in mijn trouwpak en Monique in een echte galajurk. Ze sleurt me mee over de rode loper en ze drukt mijn armen naar beneden die ik beschermend voor mijn gezicht houdt omdat het flitslicht me verblind en een verslaggever vraagt wie wij zijn.

Ik ben niet bij machte om iets te zeggen, maar Monique praat honderduit. Ze is in haar element en trekt me mee de trap op naar de ingang. Na het overhandigen van de uitnodiging kunnen we doorlopen en gaan we op in het feestgedruis. Ik laat het allemaal over me heen komen vanachter de rug van mijn vrouw. Later op de avond loop ik met knikkende knieën de zaal in waar het allemaal moet gebeuren. Ik ben in eerste instantie blij dat ik kan gaan zitten, want veel langer zouden mijn benen me niet hebben kunnen dragen.

In de bomvolle zaal is het donker, net als in mijn hoofd. Ik probeer me te concentreren op de alwetende verteller op het podium, die uit de doekjes doet hoe je een succesvolle literaire roman schrijft. Monique houdt mijn zwetende hand vast en geeft me een geruststellend kneepje.

Ik voel me bloot en denk dat iedereen naar me kijkt in plaats van naar de panelleden. Waarom heb ik mijn zonnebril en petje ook thuisgelaten? Waarom heb ik me überhaupt laten overhalen? Straks is het mijn beurt en moet ik naar voren lopen en het podium betreden. Hou je bij je verhaal, had Monique gezegd. Vertel over je passie, het schrijven van sprookjes. Het komt goed, je zult het zien en achteraf ben je blij dat je het hebt gedaan.

Nu ben ik echter alles behalve blij. Ik sluit mijn ogen om me even af te kunnen sluiten van de chaos om me heen en hoop dat het goed komt. Het beeld vervaagt achter de rode sluiers van mijn oogleden, maar de geluiden teisteren nog steeds mijn overgevoelige oren. Het bloed klopt in mijn oren en mijn hart bonkt in mijn borstkas. Mijn zenuwen zijn tot het uiterste gespannen en staan op springen. Help! wil ik roepen, maar mijn stem hapert.

‘Alles goed met je?’ vraagt Monique.

Ik schud mijn hoofd. ‘Warm,’ weet ik uit te brengen.

‘Valt toch wel mee,’ zegt ze, ‘Stel je niet zo aan.’ Ze heeft geen medelijden met me en kijkt weer naar het panel op het podium.

Mijn bloeddruk, denk ik en probeer door aangeleerde ademhalingstechnieken controle over mijn lijf te krijgen, maar het lukt niet. Ik voel mijn vingers tintelen en heb loodzware armen. ‘Ik moet hier weg,’ zeg ik. ‘Ik trek het niet langer.’ Onrustig adem ik in en uit. Ik weet dat ik aan het hyperventileren ben.

‘Blijf rustig,’ zegt Monique. ‘Er is niets aan de hand.’

‘Jij hebt gemakkelijk praten,’ hijg ik. ‘Ik moet dadelijk naar voren lopen en plaats nemen in één van die stoelen. Denk je dat er dan nog een woord uit komt?’ Ik sla mijn handen voor mijn gezicht. Het wordt langzaam donkerder en de geluiden om me heen verstillen als ik van mijn stoel afglijd. ‘Help me!’ weet ik nog uit te brengen en daarna is er niets meer.


Ik word wakker op het matje naast het bed en realiseer me dat het gelukkig allemaal maar een nachtmerrie was. Opgelucht haal ik adem en kruip ik onder het dekbed naast mijn begripvolle, warmhartige vrouw, die me vragend aankijkt.

‘Ach,’ zegt ze als ik haar vertel over mijn droom. ‘Het had zo mooi kunnen zijn.’

‘Schat, droom jij maar lekker voor mij verder,’ zeg ik. ‘Weet je, het was te waanzinnig voor woorden. Ik hoop dan ook dat het een droom blijft, want spreken op een podium overleef ik echt niet.’

De volgende ochtend ligt er een brief op de mat. Gelukkig ben ik de eerste die hem vind, want als ik hem open maak zie ik dat het een uitnodiging is. Het angstzweet breekt me uit. Ik aarzel geen moment, verscheur hem en gooi hem bij het oud papier.

‘Wat was dat, schat?’ vraagt Monique.

‘O, niets. Reclame van een loterij.’

‘Ik dacht even dat het een uitnodiging was,’ zegt ze en knipoogt.

Ik schud mijn bezwete hoofd en loop de trap op naar mijn schrijfkamer, waar ik opgelucht plaats neem achter mijn laptop en me probeer te verstoppen achter woorden, tussen zinnen en onder alinea’s.

1 reactie

Guy

vrijdag, 00:03

ZEER herkenbaar allemaal…

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch