Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het dijkje van fluweel

Door Eddie van Sliedregt

De grote stad beu strijken mijn vrouw en ik neer in een Zeeuws dorp. We nemen onze intrek in een huis dat op het oog al eeuwen lijkt vastgeplakt aan een lieflijk dijkje. De voorkant kijkt uit over een weiland dat in deze tijd van het jaar is omgeploegd. Het huis grenst aan dat van een heer met wit haar en een bril op. Zijn lange benen steken in een ribbroek. Wanneer ik op een trapje de buitenverlichting sta af te schroeven, steekt de man zijn hoofd naar buiten. We drukken elkaar de hand. Jan heet hij. Achter zijn naam zet hij meteen een komma. Op spitse toon zegt hij dat hij een hekel heeft aan rumoer. Ik stel hem gerust. Het ijs breekt als ik zeg dat we het huis op een likje verf na laten zoals het is en dat ik als schrijver verlang naar een rustige werkplek. Terwijl zijn blik ontspant, spiek ik bij hem door het raam naar binnen. In de hoek van de huiskamer staat een orgel met bladmuziek opengeslagen. Jan verontschuldigd zich. Als organist van de hervormde kerk oefent hij zo nu en dan, maar hij verzekerd me dat ik er geen last van zal hebben. Hij informeert naar de bezigheden van mijn vrouw en naar die van mij. Zij geeft les en ik ben druk met een nieuw manuscript. Mijn eerste zelf uitgegeven boek was een familiekroniek over landarbeiders. Hij vraagt of ik nog een exemplaar heb liggen, want ook zijn voorouders ploeterden in de modder. Zijn lot was bezegeld, ware het niet dat hij de kans kreeg om zich op te werken tot boekhouder. Tot aan zijn pensioen werkte hij voor een administratiekantoor in de stad. Van toen af fietst hij door de landerijen die het dorp omgeven. In de deuropening draait hij zich met mijn boek onder zijn arm om. Hij nodigt ons uit om nader kennis te maken.

Daags later jaagt een koude wind over de dijk. Mijn vrouw en ik zetten ons in de tweezitter als Jan met koffie de woonkamer inkomt. Alles ademt de geschiedenis van het dorp. De kerk hangt aan de muur, dorpse taferelen uit vroeger tijden sieren de schouw en in de vensterbank prijken kiekjes van zijn ouders en andere familie. Jan weet alles van het dorp en van het dijkje. Hij is hier geboren. Thuis hadden ze het niet breed. Het was net zo’n armzalige toestand zoals ik in mijn boek beschreven heb. Het gezin leefde achter het huis, de reden dat de voorkant geen ramen had. Hij schetst de contouren van weleer; het secreet, de wateropvangbakken, het moestuintje, de kippen, alles uit het zicht. De verwondering bij het zien van de eerste auto´s op de hoek van de straat, die van de dokter en van de burgemeester. Tijdens de watersnood hield het huishouden vanwege het dijkje de voeten droog. Veel later is het landarbeidershuisje net als dat van ons afgebroken en opnieuw gebouwd. Het onzichtbare puin onderaan de dijk is een stille getuige van wat ooit is geweest.

In zijn jongere jaren trok Jan er graag op uit, de grens over om andere culturen te ontdekken en archeologische bouwwerken te bewonderen. Hij heeft iets met kunst en cultuur. Niet de verfsmijterij die sommige kunstenaars bezigen, maar het aloude vakwerk. Kort geleden trokken we er met zijn drieën op uit, naar een tentoonstelling in de hoofdstad. Daar vergaapte hij zich aan de hyperrealistische werken, zo geschilderd dat ze de indruk wekken foto’s te zijn. Maar het liefst brengt hij zijn dagen door in zijn vertrouwde omgeving. Elke dag van de week komt hij voorbij. Door weer en wind trekken de twee uit de kluiten gewassen honden van de buren even verderop Jan het veld in, en zijn nieuwe elektrische fiets rijdt hem in vliegende vaart naar de super. Op een dag vraagt hij ons mee naar de hervormde kerk die in de steigers staat, de plek waarmee hij zich verbonden voelt. Op de galerij wijst hij het stoeltje aan waar hij als kind zat, op dat naast zijn vader. Zijn moeder zat beneden, in het schip. We beklimmen de trap naar het orgel. In vroeger tijden bliezen de blaasbalgtrappers tegen een zakcentje er de wind in. Jan begint aan een concert dat door merg en been gaat. Als de laatste tonen wegebben, is de emotie van zijn gezicht af te lezen.

In de lente en in de zomer zitten we vaak op het klapbankje voor het huis. Jan drinkt zijn koffie met melk, en een koekje slaat hij nooit af. De plooien staan in zijn gezicht als zijn ziekte voorbijkomt, maar die trekken weg als we actuele kwesties op de korrel nemen. We aaien Grover, de kat die op een dag kwam aangesjokt en bleef. Telkens weer verwonderen we ons over de wolkenluchten en de immer fraaie zonsondergang. Ik weet waar mijn reis naartoe gaat, zegt hij dan.

1 reactie

Eddie van Sliedregt

Auteur maandag, 07:28

Sommige auteurs noemen het woordgruis. Ik erger me dood aan taalfouten, zelfs twee in de persoonsvorm: verzekerd en verontschuldigd, natuurlijk allebei met een t op het eind. Excuses aan de lezer.

Eddie van Sliedregt

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch