Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het einde van een winter

Door Eva Norinde

Zoals altijd zit er een kleine hapering in zijn beweging, een kleine twijfel, voor hij zijn sleutel in het slot steekt. Een fractie van een seconde invaliditeit, waarin hij even niet zeker is of hij zich er vandaag wel opnieuw toe kan zetten om die deur open te doen en de kern van zijn verdriet binnen te treden.

Zo op het oog zou je er niets bijzonders aan af zien, deze man van begin 40, met een beginnend buikje dat bij zijn leeftijd past, een lichte grijzing die voorlopig nog voor “gedistingeerd” door kan gaan, en een nieuwe Toyota Prius. Als je iets verder kijkt zou je hem zelfs haast benijden, om zijn vrijstaande huis dat op een redelijk succesvolle carriere lijkt te wijzen, en zijn jongere en wonderschone vrouw, die een garantie lijkt te vormen voor een wellicht niet gelukkig, dan toch op z’n minst acceptabel huwelijk.

Dus staat hij zichzelf nooit toe zich eens goed miserabel te voelen, nooit laat hij zichzelf eens ongegeneerd zwelgen in zelfmedelijden – hij heeft het recht nog niet verdiend om toe te geven aan depressie.

~~~~~~~~

Binnen klapt zij het deurtje van de oven dicht, zoals wel vaker net iets onhandig hard. Ze blijft het een onding vinden, maar goed, wat is nu zo’n klein ongemakje, als je iemand vervolgens een plezier kan doen met een lekkere ovenschotel?

En misschien is het ook niet helemaal eerlijk om de oven de schuld te geven. Toegegeven, ze kan nog steeds niet omgaan met het mechanisme van het deurtje en schrikt nog iedere keer als hij iets te hard dicht klapt. Maar meer nog van het dichtklappen schrikt ze van de weerspiegeling. Ze beseft zich dat iedere vrouw ouder wordt. Dat alle cremes, vitamines, sportscholen en gezichtsbehandelingen ten spijt ook haar gezicht in de strijd tegen de tijd ieder jaar een klein beetje moet toegeven. Toch blijft dit een brute herinnering dat de zwaartekracht ieder jaar een stukje overtuigender lijkt.

Door het keukenraam ziet ze in de schemering de paarse en witte krokusjes, hun kopjes net nog uitkomend boven de sneeuw, symbool voor een nieuw begin waar zij niet meer in gelooft.

~~~~~~~~

Plichtsgetrouw veegt hij zijn voeten, eerst links, dan rechts. Kleine plukjes halfgesmolten sneeuw blijven plakken op de ruwe mat voor ze in de vergetelheid verdwijnen. Nog eens links, nog eens rechts. Hij weet hoe hard zij de hele dag aan de slag is, hij weet hoe zwaar ze het heeft, hij ziet het in haar ogen. In haar ogen en in de mondhoeken die nog maar zo weinig omhoog krullen, nu eerder uit sarcasme dan ontspannen vrolijkheid. Hij weet dat ze het hem kwalijk neemt. Hij weet dat ze meer verwacht had. Hij weet dat ze meer verdiend had. Ze was het mooiste meisje uit het dorp. En hoewel niemand het – terecht – zou geloven als hij zou beweren dat hij daar niet van onder de indruk was geweest, was hij pas onomkeerbaar verkocht toen ze op intellectueel gebied aan hem gewaagd bleek.

Dat deel van haar heeft ze moeten opgeven, en dat is zijn schuld. Niet dat ze hem ooit heeft verweten dat het zijn genen bleken te zijn. Hoe gek het ook moge klinken, dat heeft hij zichzelf ook nooit verweten. Wat hij zichzelf wel heeft verweten, is dat hij in de grote stad niet zo’n uitblinker bleek te zijn als hij in het kleine dorpje wel altijd geweest was. Dat hij in een groot marketingbureau in de Randstad ineens maar met moeite de middenmoot kan bijbenen. Dat hij niet, wat hem voorspeld was, voor zijn 40e miljonair was – dat hij niet eens genoeg verdient voor wat hulp in huis.

~~~~~~~~

Door een zeefje schenkt ze de wijn voor hem in een glas. Met deze kurkentrekker kan ze ook nog steeds niet overweg. Misschien maar eens een nieuwe kopen. Misschien. Ze wil ook niet teveel geld uitgeven. Ze weet hoeveel zorgen hij zich maakt om geld. Hij lijkt altijd bang te zijn dat zij er niet mee om kan gaan, dat ze het wel zal verspillen aan onnodige troep.

Ze probeert de ergernis opzij te duwen en prakt een banaan voor de kleine. Ze denkt aan het onderzoek in het ziekenhuis die dag. Weer niet goed. Weer geen verbetering. De kans dat hij ooit enigszins zelfstandig zal kunnen leven wordt hoe langer hoe kleiner.

En dat geldt dus ook voor haar.

~~~~~~~~

Zodra hij van de gang de woonkamer in stapt ruikt hij het: Griekse ovenschotel. Alweer. Hij begrijpt niet dat ze steeds die smerige schotels blijft maken. Hij zou veel gelukkiger zijn met wat aardappels, groente en een stukje vlees. Nu ze haar carriere al heeft opgegeven om voor hun kind te zorgen, weet hij dat hij niet zomaar alles maar van haar kan vragen.

Toch steekt het, dat zij zichzelf onbewust zo maakt tot een constante herinnering aan zijn falen.

~~~~~~~~

Ze reikt hem het glas wijn aan, en krijgt in ruil daarvoor een kus op haar wang. Een vlaag van gemis schiet door haar heen, als ze terug denkt aan de periode dat ze nog eens een knuffel van hem kreeg (stel je voor!). Ze babbelt wat met hem over hoe zijn dag was, terwijl zij de tafel dekt en de knuffels die de kleine van zich af gooit steeds opnieuw aan hem terug geeft.

Een vlaag van woede schiet ineens door haar heen, als ze ziet hoe hij onderuit op de bank hangt en zoals iedere avond zijn schoenen op de salontafel plant. Ze draait zich om en loopt terug naar de keuken.

~~~~~~~~

Hij is kapot. Na weer een dag uitsloven op het werk zou hij niets liever willen dan dat zij even naast hem komt zitten, oprechte interesse toont, en misschien zelfs weer eens open staat voor wat lichamelijk contact. Ook al zou hij met zijn bloedmooie vrouw het liefst weer eens de lakens zou willen delen, voor nu zou hij graag genoegen nemen met een knuffel, even haar hand vasthouden, welke vorm van lichamelijk contact dan ook. Hij begrijp oprecht niet waarom ze altijd zo kil is.

Hij weet dat hij het niet goed genoeg doet, maar moet ze hem dat altijd inwrijven?

~~~~~~~~

En dan, zonder begin en zonder einde, knapt er iets. Wie er begint? Wie zal het zeggen, wie maakt het ook uit.

Na jaren opgesloten te zitten ontvlucht ze het huis. Met de kleine, dat wel. Die snoert ze strak in op de bijrijdersstoel van de auto, voor ze op hoge snelheid in zijn Toyota Prius van de oprit af scheurt. Ze weet niet waar ze heen gaat, maar dat maakt ook niet uit, ze moet gewoon weg. Weg bij iemand die haar niet goed genoeg vindt, maar haar dat niet durft te vertellen. Dan liever de duisternis in.

In het huis zit hij als vastgenageld op de bank. Zij is vertrokken in totale woede, hij achtergebleven in totale verbijstering. Hij lijkt, eerder dan zij, te begrijpen wat al die jaren ongezegd is gebleven. Hij beweegt niet, tot anderhalf uur later de telefoon gaat.

Huilend zit ze op het politiebureau. Het kalmeringsmiddel heeft het scherpste randje van de schok weggehaald, daardoor een bres geslagen in de harde buitenkant, zodat nu zachtjes snikkend een leven aan ongeluk traan voor traan kan wegsijpelen. Een omstander heeft al verhaal gedaan aan de politie, over de baksteen die door een groepje jongeren vanaf een brug naar beneden gegooid werd. Over de totaal verbrijzelde ruit, over het bebloede koppie van het jochie voorin de auto. Over hoe hij nog geprobeerd heeft het meervoudig gehandicapte jochie te reanimeren terwijl de vrouw alleen maar in shock voor zich uit kon staren.

~~~~~~~~

Als hij aankomt kan hij niet geloven hoe kwetsbaar ze eruit ziet. Zo verloren, maar tegelijkertijd ook lichter. Hij loopt naar haar toe en omhelst haar, voor het eerst in al die jaren omhelst hij haar. Na al die jaren van onbegrip en langs elkaar heen praten, na al die jaren van ingehouden angst en onvrede, na al die jaren van het gevoel niet goed genoeg te zijn, durft hij haast niet toe te staan wat hij in gedachten voor zich ziet.

Een toekomst waarin het anders kan.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam