Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het mag.

Door Conny van der Molen

Het mag.
Ik weeg het op mijn hand en leg het vervolgens op de tafel waar mijn ontbijt nog wacht op de eerste hap die ik toch niet ga nemen. Ik leg mijn handen om de warme mok thee en neem een grote slok waar ik me allemachtig in verslik. Half stikkend hap ik naar lucht. Duizelig leun ik even daarna tegen de zachte rugleuning.
Een lichte tik op het raam maakt me wakker en mijn overbuurman gebaart: “En..”
Ik knik bevestigend en steek mijn duim op. Hij grijnst breed en loopt met grote passen richting het dorp.
Als enige weet hij het en – belangrijker- snapt hij het. Ik ben doorgaans niet erg mededeelzaam en heb weinig contacten nog. Hij is een mooie uitzondering.
Ik heb uitzonderlijk veel geluk gehad en ben in verschillende fasen van mijn leven een viertal van die bijzondere mensen tegen gekomen. Het heeft mij verder, veel verder gebracht dan ik voor mogelijk had gehouden.
Bastaardkind van een 16-jarige moeder die uit het leven gleed toen ik mijn eerste geluidje maakte en opgevoed door ijzig vrome grootouders, waar geen sprankje vreugde werd toegestaan. Als kind liep ik elke week wel minstens een keer weg en altijd weer werd ik teruggevonden door een eeuwig vroom en waakzaam dorp. De nu nog vaag zichtbare littekens op mijn rug leerden me pijn te verdragen. Ik hield vol en opa ook.
Toen ik 15 was en geld had gespaard van een slecht betaald baantje bij een grote boerenfamilie, pakte ik het slimmer aan. Pas na twee dagen werd mijn verdwijning geconstateerd en toen was ik allang ondergedoken in het grote Rotterdam. Daar begon mijn eigen weg.
Traag loop ik naar de keuken met de uitgedroogde boterham en koude thee. Je versloft de tijd en de Tijd slurpt jou op, zo voelt dat steeds meer. Het is niet erg maar de zin van het bestaan raakt zoek. Nog eenmaal zo’n dag dat je het leven door je heen voelt gieren; wat zou dat mooi zijn, maar waarschijnlijk zou ik al na een uur buiten adem zijn. Wonderlijk hoe je langzaam terug glijdt naar je begin: beetje eten, slapen en niks daartussen. Misschien glip ik straks weer stiekem terug in de baarmoeder.
Ik sta nog steeds met dat bordje in mijn hand bij de afvalemmer en schud mijn hoofd.

Het wordt tijd dat ik wat brieven schrijf. Er zijn nog een paar dierbare mensen die ik nog wat te zeggen heb; de rest is dood of we zijn al heel lang uitgepraat. En nog één bezoek af te leggen. Dat is verreweg het meest ellendig. Hij zal niet begrijpen wat ik zeg en ook niet begrijpen dat ik niet meer kom. Hoe lang moet je doorgaan voor je kind, voor je zoon die al levenslang in een ander universum ronddwaalt. De pijn is weggeëbd, uiteindelijk accepteer je alles. Je hebt hem al een keer weggedaan en aan die strijd denk ik liever niet meer terug. Nu doe je jezelf weg en ontneem je hem zijn laatste vage band met de wortels van zijn bestaan. Ik heb aan zijn verzorger gevraagd wat voor effect het op Josse zou hebben als ik dood ga, maar daar bleef ie vaag over. Het valt ook niet te voorspellen denk ik.
Als ik eindelijk achter mijn kleine bureautje zit overvalt een van mijn kwaaltjes me; ik houd me stevig aan de rand van het blad vast terwijl de wereld om me heen draait. Gelaten zit ik het uit en probeer mijn misselijkheid te onderdrukken. Dat schrijven wordt niks en als alles weer wat recht staat in de kamer, sta ik voorzichtig op en loop naar mijn slaapkamer waar het bed nog opengeslagen ligt. Ik ga half zitten, half liggen en sluit mijn ogen.

Als ik op het klokje kijk naast het bed is het net middag en ik voel me redelijk goed. Ik moet maar eens wat eten; soep heb ik altijd staan en dat verdraag ik ook goed. Even heb ik van Tafeltje Dekje gebruik gemaakt maar mijn smaak is toch een tikje anders, laat ik beleefd blijven.
Na de soep en een zachtgekookt eitje met een boterham besluit ik de brieven nu te schrijven.
Het vloeit uit mijn pen want ik weet wat ik wil zeggen.
Het voelt goed nu die drie brieven daar liggen met postzegels en al. Morgen vraag ik Jannet die komt schoonmaken of zij ze op de bus wil doen.
Morgenavond is het zo ver, dus ga ik straks langs Josse. Hij eet altijd ’s middags warm dus als ik tegen zes uur daar ben is de avondboterham al binnen. Ik kleed me netjes aan, maak me goed op, dat scheelt een beetje en bestel een taxi. Ik heb een vaste chauffeur, dat is een aardige man die erg beleefd is en mij altijd helpt met in- en uitstappen en nooit ongeduldig wordt. Ik moet er aan denken hem een extra fooi te geven.

Glunderend komt hij overeind zodra ik zijn kamer binnenstap. ‘Dag jij’, begroet hij me op zijn gebruikelijke manier. Ik geef hem twee dikke zoenen die hij accepteert maar niet retourneert. Hij gaat weer achter zijn laptop zitten en gebaart driftig dat ik mee moet kijken. Hij is met een soort memoryspel bezig en draait telkens het goede plaatje om. Opgetogen reageert hij op elk goedkeurend tingeltje op zijn computer. Ik aai hem zacht over zijn rug en deze keer mag het. Ik kijk een hele tijd toe hoe hij gespannen opgaat in zijn spel. Als hij net wil beginnen met een nieuwe serie, zeg ik dat hij even moet stoppen en na enige tijd draait hij zich om.
Hoe zeg ik het, welke woorden gaan tot hem doordringen.
‘Lieve Josse, weet je nog van Maupie, dat ie dood ging’.
Hij knikt heftig, ja dat weet ie nog.
‘Nou katten gaan dood en mensen ook, dat weet je wel he?’
‘Jij dood?’, verrast hij mij ineens.
‘Ja, ik ga dood en al heel snel. Ik zal je na vandaag niet meer zien.’
Mijn stem begeeft het en ik draai mijn hoofd wat weg.
‘Jij traan?’ en heel voorzichtig strijkt zijn hand langs mijn wang.
Ik dacht dat ik uitgehuild was.
Tegen de tijd dat ik mijzelf weer wat onder controle heb, zit Josse al weer te spelen.
Ik sta op en weet dat ik moet gaan. Ik sla mijn armen dicht om hem heen en voel hem verstijven. Ik fluister nog wat in zijn oor en geef hem een kus op zijn dikke haardos. Zonder zijn spelletje te onderbreken zegt ie: ’Dag jij. Dag Maupie.’
Op de gang leun ik tegen de wand. Het is er doodstil en ik hoor mijn eigen stotende ademhaling. Na een tijdje, het gepingel uit Josse’s kamer gaat onverminderd door, pak ik mijn telefoon en stuur een berichtje naar mijn chauffeur.
Ik lig een groot deel van de nacht wakker en kijk door het raam naar de sterren. Ik ben niet verdrietig en niet blij; er is een grote rust in mij.
Jannet is vroeger dan anders en gaat als een razende door het huis zoals altijd. Het is kennelijk herfstvakantie dus wil ze snel terug naar huis. Ik bedank haar uitgebreid en ze kijkt me een beetje raar aan. Ik geef de brieven aan haar mee en zwaai haar uit.
Dan bel ik de assistente van mijn huisarts en vraag of de dokter morgenochtend langs kan komen, omdat ik me niet zo lekker voel. Ik wil dat hij me vindt, die schrikt niet van de dood. Hij komt altijd achterom dus ik moet ervoor zorgen dat ik de deur niet op slot doe vanavond.
Ik neem een douche en maak een heerlijk maaltje voor mezelf klaar. Vanmiddag komt Victor, de overbuurman nog even langs en daarna heb ik alle tijd om alle goede herinneringen terug te halen. Daar verheug ik me op.
Ik heb Victor niet verteld dat ik het vanavond al doe, maar het zou mij niet verbazen als hij dat toch weet. Hij geeft me een tedere pakkerd als hij weggaat en zegt: vaya con dios; ach ja, zo’n christelijke achtergrond is nooit helemaal weg te poetsen.
Ik mijmer en mijmer en kan alleen nog maar glimlachen.
Mijn netste pyjama is aan, mijn haar keurig gekapt en alle kleren voor in de kist liggen klaar.
Het briefje voor de dokter met de lege ampul ernaast bovenop de envelop ligt op de tafel in de kamer, goed zichtbaar.
Een bakje yoghurt en wat thee naast mijn bed.
Ik neem de eerste hap en eet rustig alles op af en toe wat wegspoelend met de thee.
Het is gedaan, ik mag nu gaan.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch