Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Het meisje dat niet slapen kon

Door Leon Brill

Er was eens een meisje dat niet slapen kon. Elke nacht gaat ze op tijd naar bed en doet ze haar best om in slaap te komen, maar het lukt niet. Het meisje kan zich niet herinneren of ze ooit weleens geslapen heeft. ‘Wat is dat precies, slapen?’ had ze voor de laatste keer durven vragen in de brugklas. Ze werd door de hele groep uitgelachen. Sindsdien zegt ze maar ‘als een roos’ als mensen vragen of ze goed geslapen heeft. Iedereen is kennelijk altijd heel benieuwd naar hoe andere mensen geslapen hebben. En het meisje weet niet precies wat ‘als een roos’ betekent, maar kennelijk slapen rozen heel lekker.

Ze doet wel vaak alsof. Dan sluit ze haar ogen en zegt ze tegen zichzelf ‘oh wat ben ik toch lekker aan het slapen’. Dan bedenkt ze haar eigen dromen: achterop het paard van een ridder, of vliegend boven de wolken. Soms bedenkt ze dromen dat ze aan het slapen is, heel diep.
Het zijn rare tijden, zo midden in de nacht. Buiten is het stil, er is niets op televisie, er is niemand op straat. Het is alsof het leven even op slow-motion staat en het meisje daar gewoon in volle snelheid doorheen huppelt. Waarom gaat alles zo langzaam?

Het meisje wil heel graag gewoon een normaal meisje zijn. Ze probeert niemand te laten zien dat ze eigenlijk heel moe is. Soms gaat ze overdreven vertellen over haar slaap. ‘Wat een geweldige slaap had ik weer vannacht’ zegt ze dan weleens, uit het niks. Of ‘Echt een tien, deze slaap vannacht’.

Op een dag vindt ze in de supermarkt een briefje. Tussen de oproepen voor schoonmakers, honden oppassers en loodgieters ligt daar een kaartje waarop met grote letters staat: ‘SLAAP NODIG’? Op de achterkant van het briefje staat een telefoonnummer. Het meisje neemt het briefje mee naar huis. Ze legt het in het kozijn naast haar bed. Dagen staart ze ernaar, soms hele nachten. ‘SLAAP NODIG?’

Het is ruim een week later, ergens rond een uur of vier s ’nachts, dat ze eindelijk het nummer durft te bellen. Zonder dat de telefoon over gaat neemt er direct iemand op.
‘Ik verwachtte je telefoontje al’ zegt een zware mannenstem.
‘Ik heb slaap nodig’ antwoord het meisje.
‘Ontmoet me over tien minuten bij het steegje achter de kerk, naast het grote plein’.
De man hangt op.
Het meisje gaat in haar pyjama de deur uit. Ze loopt door lege straten, met flikkerende lantaarnpalen, over het plein naar het steegje. Daar staat een klein mannetje tegen de muur, met een rood petje op zijn hoofd van een of ander voetbalclub. Hij is wat gezet en heeft een leren jas aan die eigenlijk een maat te groot voor hem is. Hij rookt een sigaret.
‘Pssst, slaap nodig’? fluistert de man.
Het meisje overhandigt hem het briefje.
‘Ja, ik kan niet slapen. Eigenlijk al mijn hele leven niet’.
‘Vijftig euro’ zegt de man, terwijl hij haastig heen en weer kijkt.
‘Vijftig euro? Maar ik heb alleen mijn pyjama aan, ik heb helemaal geen geld bij’.
De man doet zijn petje iets omhoog, het meisje kan voor het eerst zijn ogen zien.
‘Je ziet er moe uit’, zegt hij, ‘de eerste is gratis. Als het je bevalt, dan bel je me’.
De man schuift een klein zakje in de handen van het meisje.
‘Wat is dit’? vraagt het meisje.
‘Magisch slaappoeder’ antwoord de man, waarop hij zijn sigaret uittrapt en terug de eenzame nacht in loopt.

Het is bijna vijf uur in de nacht als het meisje weer in haar bed ligt. Ze opent het zakje en gooit de inhoud volledig in haar mond.
‘Kom maar op, slaap’ zegt ze tegen zichzelf, en een beetje tegen haar favoriete teddybeer, meneer Johannes de Beer.
Het meisje doet haar ogen dicht en bedenkt dat ze slaapt. Ze bedenkt dromen over ridders op witte paarden, over vliegen in het heelal. En als ze haar ogen wil openen, lukt het niet. Ze blijft dromen. Het voelt lekker.

Als het meisje wakker wordt, kan ze zich niet meer zoveel herinneren van de nacht. Ze had geen saaie televisie gekeken, ze had niet naar het plafond gestaard, ze had geen nachtwandeling gemaakt of lange filosofische gesprekken gehouden met meneer Johannes de Beer. Ze had niet tot tienduizend schapen geteld, ze had geen warme melk gedronken. Wat had ze dan wel gedaan? Ze voelt zich zo lekker. Zo…uitgerust. Zou het dan echt? Ja, het zou. Ze had geslapen. Het meisje had eindelijk geslapen. Wel drie volle dagen lang.

De volgende nacht ligt het meisje weer vol goede moed in bed, maar het lukt haar niet. Het magische poeder is op, dat had ze in een keer achterover gegoten. En dus belt ze weer. Zonder dat de telefoon over gaat neemt de man weer op.
‘Zelfde plek’ zegt hij zonder een antwoord af te wachten ‘en neem geld mee’.
En daar staat de man aan het eind van het steegje, met hetzelfde petje op z’n hoofd, zijn jas nog even groot, en een sigaretje in de hand.
‘Vijfenzeventig euro’ zegt hij.
‘Maar vorige keer zei je nog vijftig’ protesteert het meisje.
‘Wil je slapen of niet?’
Het meisje geeft twee briefjes van vijftig.
‘Ik heb geen wisselgeld’ zegt de man, en loopt weg. Ondanks dat ze teveel heeft betaald, kan het meisje niet wachten om te slapen.

Ze neemt het poeder en droomt over vuurspuwende draken, over dansende regenbogen en over zwemmen tussen de sterren. Het meisje slaapt zo lekker, eindelijk snapt ze waarom iedereen daar altijd zo nieuwsgierig over is. Elke avond belt ze de man weer en ontmoet ze hem in het steegje. En elke avond is de prijs weer hoger.
‘Honderdvijftig euro’ zegt de man dan.
Of ‘Tweehonderdvijfentwintig euro’.
Na een tijdje heeft het meisje geen geld meer. Maar nu ze eindelijk weet hoe het voelt, wil ze elke nacht slapen en dromen. Ze kan niet meer stoppen. Ze verkoopt al haar spullen. Na een tijdje verkoopt ze zelfs haar huis. Slapen kan ze ook wel op straat.

Op een nacht in het steegje zegt ze dat al haar geld nu echt op is. Maar ze wil er alles voor doen om nog een nachtje te slapen.
‘Één nachtje, één nachtje maar’ zegt ze tegen de man.
‘Ik weet wel wat’ zegt de man, ‘kom maar bij mij wonen’.
En dus verhuist het meisje naar een kamer van de man met het petje, de sigaret en de te grote leren jas. Het is een klein kamertje met felle lichten in een drukke straat en een bed met een plastic hoes erop.
‘Ik beloof je elke nacht zoveel magisch slaappoeder als je wilt’ zegt de man ‘het enige wat je moet doen is slapen’.
Dat klinkt bijna te goed om waar te zijn voor het meisje. Het enige wat ze wil ís slapen, en nu kan ze slapend slaap krijgen!

De man vertelt het meisje dat ze andere mensen die niet kunnen slapen moet helpen. Dat moet vast wel lukken, denkt ze. Ze heeft inmiddels ervaring genoeg en is erg goed geworden in slapen. En zo slaapt ze met mannen. Sommige jong, de meeste oud. Soms slaapt ze ook met vrouwen, af en toe zelfs met mannen en vrouwen tegelijk. Het meisje dat nooit slapen kon was zo goed in slapen geworden, ze was de beste. En wat de man met het petje, de sigaret en de leren jas heeft belooft komt hij na: er is zoveel magisch slaappoeder als het meisje kan wensen. Omdat ze nu zoveel moet slapen op een dag, en vaak ook met andere mensen, neemt ze het magische poeder niet alleen maar ’s nachts. Na een tijdje neemt ze het eigenlijk de hele dag door.
‘Lekker slapen’ zegt ze dan elke keer.
Op een dag neemt ze zoveel magisch poeder dat ze allerbeste dromen heeft. Ze droomt over zweven door de ruimte, over ware liefde, over rollen in de wolken en springen over de zon. Ze droomt over de beste slaap die ze ooit heeft gehad. Ze droomt dat ze nooit meer wakker hoeft te worden. Het meisje dat niet slapen kon sliep. Voor altijd.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch